Citeerwijze van dit artikel:
Mr. dr. Adri van Montfoort, ‘Beschuldigingen van kindermishandeling en echtscheidingsconflicten. Reactie op De Ruiter & Van Pol (2017)’, Family & Law 2018, april-juni, DOI: 10.5553/FenR/.000035

DOI: 10.5553/FenR/.000035

Family & LawAccess_open

(Book) Review

Beschuldigingen van kindermishandeling en echtscheidingsconflicten. Reactie op De Ruiter & Van Pol (2017)

Authors
DOI
Show PDF Show fullscreen
Abstract Author's information Statistics Citation
This article has been viewed times.
This article been downloaded 0 times.
Suggested citation
Mr. dr. Adri van Montfoort, 'Beschuldigingen van kindermishandeling en echtscheidingsconflicten. Reactie op De Ruiter & Van Pol (2017)', Family & Law June 2018, DOI: 10.5553/FenR/.000035

    De Ruiter en Van Pol (2017) presenteren als vaststaand feit dat slechts 10% of minder van alle beschuldigingen van kindermishandeling in echtscheidingsconflicten vals is. Sociale en juridische professionals die in een enquête een hoger percentage invulden, hebben volgens de auteurs te weinig kennis. De zekerheid die De Ruiter en Van Pol suggereren bestaat niet. Ten eerste verzuimen zij om de kernbegrippen ‘vals’, ‘beschuldiging’, ‘kindermishandeling’ en ‘echtscheidingsconflicten’ te definiëren. Ten tweede kan het onderzoek waar De Ruiter en Van Pol naar verwijzen hun conclusies niet dragen. Canadese maatschappelijk werkers registreerden slechts in een klein aantal gevallen dat een beschuldiging opzettelijk vals was. De Canadese auteurs wijzen expliciet op het subjectieve karakter van de bron van onderzoek. In meer dan de helft van alle onderzochte zaken was het onzeker gebleven of de beschuldiging op waarheid berust. Ten derde gaat het om onderzoeken naar de praktijk van de kinderbescherming in Canada en Australië van 20 jaar geleden. Dat wil zeggen: een andere tijd in andere landen, met een ander systeem dan vandaag in Nederland. Sociale en juridische professionals moeten werken met een aanzienlijke marge van onzekerheid, ook wanneer er grondig onderzoek naar de feiten gedaan is. Door deze onzekerheid te negeren mist de kritiek van De Ruiter en Van Pol op grote groepen professionals onderbouwing.
    ---
    De Ruiter & Van Pol (2017) present as a fact, that only 10% or less of all allegations of child abuse and neglect in divorce disputes is false. They state that social workers and lawyers who in a survey estimated a higher percentage have a lack of knowledge. With this position De Ruiter & Van Pol claim a grade of certainty that does not exist in child protection practice. First, the authors fail to define the key concepts ‘false’, ‘allegation’, ‘child abuse’ and ‘divorce disputes’. Second, the research De Ruiter & Van Pol refer to does not carry the conclusions they draw. The Canadian researchers report that child protection workers had classified a small percentage of cases as ‘intentionally fabricated’. However, the researchers make reservations about this finding since the source is the clinical judgment of the social workers. Moreover the researches emphasize that custody disputes is a context in which there is a high rate of unsubstantiated allegations. In fact, over 50% of all cases were not substantiated.
    Third, the three publications De Ruiter & Van Pol point at describe the practice in Australia and Canada twenty years ago. That is a different time in different countries with different systems compared to The Netherlands today. Social workers and judicial professionals work in a context of uncertainty about allegations and facts in many cases, even after thorough investigation in a particular case. In overlooking this uncertainty De Ruiter & Van Pol unfairly criticize large groups of professionals.

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Kern van het commentaar

      De Ruiter en Van Pol presenteren als wetenschappelijk vaststaand feit dat 10% of minder van alle beschuldigingen van kindermishandeling die worden geuit in echtscheidingsconflicten vals is. In een enquête onder juridische en sociale professionals hebben de auteurs hierover een vraag opgenomen. Wanneer een professional invult dat volgens hem of haar een hoger percentage dan 10% valse meldingen voorkomt, concluderen De Ruiter en Van Pol dat de kennis van deze professionals onvoldoende is. Die conclusie kan echter niet getrokken worden. Het enige wetenschappelijk juiste antwoord op de enquêtevraag luidt: dat weten we niet en dat kunnen we ook nooit weten, omdat meer dan de helft van alle zaken bij de kinderbescherming en bij de rechter eindigt met onzekerheid.

      De auteurs baseren zich op een Canadese en twee Australische studies. Op basis van deze drie publicaties kunnen echter geen algemene conclusies getrokken worden. De studies geven een gedifferentieerd beeld over de onzekerheid waarmee maatschappelijk werkers en rechters te maken hebben en ze maken veel voorbehoud bij de gevonden uitkomsten. De omvang van de studies (een grote, een kleine en een scriptie), de periode waarin ze zijn uitgevoerd (ongeveer 20 jaar geleden), de gevolgde methoden (registratie door maatschappelijk werkers en civiele uitspraken) en de landen waar de studies zijn uitgevoerd, maken bovendien dat er geen stellige conclusies getrokken kunnen worden voor zaken in Nederland in 2017.

      Door alleen te spreken over valse beschuldigingen wekken de auteurs de suggestie dat in de andere 90% van alle zaken de beschuldigingen zijn komen vast te staan. In een andere publicatie heeft De Ruiter deze suggestie nog versterkt door onder het kopje valse beschuldigingen te schrijven: “Uit wetenschappelijk onderzoek weten wij dat in de ruime meerderheid van de gevallen deze beschuldigingen bij scheidingen wel degelijk waar zijn (Brown et al., 2001, Trocmé & Bala, 2003).”1xDe Ruiter, C., Öry, F. & Fransen, T. Divorce challenge, november 2016. Evident en aantoonbaar valse beschuldigingen zijn niet het grootste probleem voor sociale en juridische professionals. Het grootste probleem is de onzekerheid over wat er precies is gebeurd, met alle schakeringen van waarschijnlijkheid. Het is zeer goed mogelijk dat de professionals bij het invullen van de vragenlijst niet alleen gedacht hebben aan intentioneel valse beschuldigingen, maar ook aan de mogelijkheid van een vermoeden te goeder trouw dat in de procedures niet wordt bewezen. Dan ontstaat een geheel ander percentage valse, twijfelachtige en anderszins niet onderbouwde zaken.

    • Kern van het commentaar

      De Ruiter en Van Pol presenteren als wetenschappelijk vaststaand feit dat 10% of minder van alle beschuldigingen van kindermishandeling die worden geuit in echtscheidingsconflicten vals is. In een enquête onder juridische en sociale professionals hebben de auteurs hierover een vraag opgenomen. Wanneer een professional invult dat volgens hem of haar een hoger percentage dan 10% valse meldingen voorkomt, concluderen De Ruiter en Van Pol dat de kennis van deze professionals onvoldoende is. Die conclusie kan echter niet getrokken worden. Het enige wetenschappelijk juiste antwoord op de enquêtevraag luidt: dat weten we niet en dat kunnen we ook nooit weten, omdat meer dan de helft van alle zaken bij de kinderbescherming en bij de rechter eindigt met onzekerheid.

      De auteurs baseren zich op een Canadese en twee Australische studies. Op basis van deze drie publicaties kunnen echter geen algemene conclusies getrokken worden. De studies geven een gedifferentieerd beeld over de onzekerheid waarmee maatschappelijk werkers en rechters te maken hebben en ze maken veel voorbehoud bij de gevonden uitkomsten. De omvang van de studies (een grote, een kleine en een scriptie), de periode waarin ze zijn uitgevoerd (ongeveer 20 jaar geleden), de gevolgde methoden (registratie door maatschappelijk werkers en civiele uitspraken) en de landen waar de studies zijn uitgevoerd, maken bovendien dat er geen stellige conclusies getrokken kunnen worden voor zaken in Nederland in 2017.

      Door alleen te spreken over valse beschuldigingen wekken de auteurs de suggestie dat in de andere 90% van alle zaken de beschuldigingen zijn komen vast te staan. In een andere publicatie heeft De Ruiter deze suggestie nog versterkt door onder het kopje valse beschuldigingen te schrijven: “Uit wetenschappelijk onderzoek weten wij dat in de ruime meerderheid van de gevallen deze beschuldigingen bij scheidingen wel degelijk waar zijn (Brown et al., 2001, Trocmé & Bala, 2003).”2xDe Ruiter, C., Öry, F. & Fransen, T. Divorce challenge, november 2016. Evident en aantoonbaar valse beschuldigingen zijn niet het grootste probleem voor sociale en juridische professionals. Het grootste probleem is de onzekerheid over wat er precies is gebeurd, met alle schakeringen van waarschijnlijkheid. Het is zeer goed mogelijk dat de professionals bij het invullen van de vragenlijst niet alleen gedacht hebben aan intentioneel valse beschuldigingen, maar ook aan de mogelijkheid van een vermoeden te goeder trouw dat in de procedures niet wordt bewezen. Dan ontstaat een geheel ander percentage valse, twijfelachtige en anderszins niet onderbouwde zaken.

    • De stelling van De Ruiter en Van Pol

      De Ruiter en Van Pol stellen dat sommige professionals aannemen dat beschuldigingen van kindermishandeling bij conflictscheidingen per definitie vals zijn. Deze bewering onderbouwen ze niet. Zij vrezen dat professionals te vaak en te snel een gezinssituatie zien in het frame van een ‘vechtscheiding’ en daarbij de mogelijkheid over het hoofd zien dat het gaat om een geval van daadwerkelijke kindermishandeling door de ene ouder, waarbij de andere ouder zich terecht opwerpt ter bescherming van het kind. Deze zorg deel ik met de auteurs.

      Ook de passage over het concept ouderverstoting (parental alienation syndrome) wordt door mij onderschreven. Als een kind geen contact wil met een ouder, dan mogen de professionals niet aannemen dat dit het gevolg is van een mysterieus psychologisch verschijnsel bij het kind. Er moet onderzocht worden door welke feiten, gebeurtenissen en ervaringen het kind geen contact meer wil. Terecht schrijven de auteurs dat het kind beïnvloed kan zijn door de verzorgende ouder of door onjuiste beelden van de andere ouder, maar dat het kind ook goede redenen kan hebben in het gedrag van de betreffende ouder.

      Vervolgens verwijzen de auteurs naar drie onderzoeken uit Australië en Canada. Volgens de auteurs blijkt uit deze onderzoeken, dat ‘slechts 9% van de beschuldigingen vals was’ respectievelijk dat 12% bewust vals was. Op basis hiervan hebben de auteurs de vraag geformuleerd in de enquête over ‘prevalentie valse beschuldigingen kindermishandeling in high conflict divorce’. Het juiste antwoord op die vraag is volgens de auteurs 10% of minder.3xWaarom ze precies 10% noemen en niet bijvoorbeeld 12% is onduidelijk, maar dat is een detail. De auteurs schrijven: “Slechts 54% van de professionals wist dat het percentage valse beschuldigingen 10% of lager is bij conflictscheidingen.”

    • De stelling van De Ruiter en Van Pol

      De Ruiter en Van Pol stellen dat sommige professionals aannemen dat beschuldigingen van kindermishandeling bij conflictscheidingen per definitie vals zijn. Deze bewering onderbouwen ze niet. Zij vrezen dat professionals te vaak en te snel een gezinssituatie zien in het frame van een ‘vechtscheiding’ en daarbij de mogelijkheid over het hoofd zien dat het gaat om een geval van daadwerkelijke kindermishandeling door de ene ouder, waarbij de andere ouder zich terecht opwerpt ter bescherming van het kind. Deze zorg deel ik met de auteurs.

      Ook de passage over het concept ouderverstoting (parental alienation syndrome) wordt door mij onderschreven. Als een kind geen contact wil met een ouder, dan mogen de professionals niet aannemen dat dit het gevolg is van een mysterieus psychologisch verschijnsel bij het kind. Er moet onderzocht worden door welke feiten, gebeurtenissen en ervaringen het kind geen contact meer wil. Terecht schrijven de auteurs dat het kind beïnvloed kan zijn door de verzorgende ouder of door onjuiste beelden van de andere ouder, maar dat het kind ook goede redenen kan hebben in het gedrag van de betreffende ouder.

      Vervolgens verwijzen de auteurs naar drie onderzoeken uit Australië en Canada. Volgens de auteurs blijkt uit deze onderzoeken, dat ‘slechts 9% van de beschuldigingen vals was’ respectievelijk dat 12% bewust vals was. Op basis hiervan hebben de auteurs de vraag geformuleerd in de enquête over ‘prevalentie valse beschuldigingen kindermishandeling in high conflict divorce’. Het juiste antwoord op die vraag is volgens de auteurs 10% of minder.4xWaarom ze precies 10% noemen en niet bijvoorbeeld 12% is onduidelijk, maar dat is een detail. De auteurs schrijven: “Slechts 54% van de professionals wist dat het percentage valse beschuldigingen 10% of lager is bij conflictscheidingen.”

    • Kernbegrippen niet gedefinieerd

      De Ruiter en Van Pol verzuimen te definiëren wat ze verstaan onder ‘valse beschuldiging van kindermishandeling’. Vals kan betekenen: intentioneel vals. De persoon die de beschuldiging uit, weet dat het niet waar is en zet de beschuldiging bewust in als wapen in de strijd. Maar vals kan ook betekenen: de persoon die de beschuldiging uit denkt, dat het waar is, maar het is niet gebeurd. In de werkelijkheid zitten hier heel veel schakeringen tussen. Bijvoorbeeld de verzorgende ouder die iets ziet bij het kind of gealarmeerd raakt door iets wat het kind zegt en die vervolgens te gretig op zoek gaat naar meer aanwijzingen. Deze ouder kan zelf voor 100% overtuigd zijn van de eigen objectiviteit, maar kan ook ergens zelf rekening houden met de mogelijkheid, dat deze gretigheid gevoed wordt door rancune of teleurstelling. Voor de ene ouder is dit te goeder trouw; de beschuldigde ouder zal dit zien als vals. Voor de buitenwereld, inclusief sociale en juridische professionals, is het in veel gevallen niet mogelijk om te weten te komen of de beschuldiging intentioneel vals, geheel te goeder trouw of iets er tussenin is. Het is vaak ook weinig zinvol om alle energie daar op te richten. Het gaat erom welke feiten en omstandigheden gevonden kunnen worden die onderbouwen of ontkrachten dat het kind iets is aangedaan.

      Ook de term ‘beschuldiging’ wordt door de auteurs niet gedefinieerd. Het maakt echter nogal veel uit of het gaat om een officiële aangifte bij de politie, een formeel punt in een rechtszaak, een melding van een vermoeden bij de kinderbescherming of een terloopse opmerking. Het komt voor dat een ouder tijdens een onderzoek van de kinderbescherming of tijdens een rechtszaak terloops opmerkt dat zij/hij niet wil dat de andere ouder onbegeleid contact heeft met het kind, omdat zij/hij die ander ‘niet vertrouwt’. Als dat gecombineerd wordt met bijvoorbeeld: ‘ik weet hoe oversexed hij is’, of ‘hij heeft losse handen’, is er dan een beschuldiging? Het ligt voor de hand dat vermoedens en beschuldigingen een grotere kans hebben om op waarheid te berusten naarmate ze meer concreet zijn in tijd, plaats en handeling. Wanneer aan sociale en juridische professionals de vraag wordt voorgelegd hoe vaak valse beschuldigingen voorkomen, moet wel duidelijk zijn wanneer iets geteld wordt als een beschuldiging.

      Ten slotte is de term kindermishandeling te breed om iets te kunnen zeggen over de kans op een valse beschuldiging. Verreweg de meeste meldingen van kindermishandeling hebben betrekking op emotionele mishandeling of verwaarlozing en niet op lichamelijk of seksueel geweld. Wanneer wordt uitgegaan van de brede definitie van kindermishandeling, dan omvat dat alle vormen van opvoeden die schadelijk zijn voor het kind. Het komt in conflictueuze scheidingen vaak voor dat de ene ouder kritiek heeft op de wijze van verzorgen en opvoeden door de andere ouder. In de meningsvorming bij de ouders lopen vermoedens, verhalen, feiten en conclusies vaak door elkaar. Wanneer is er dan een beschuldiging van kindermishandeling? Het kan zijn dat De Ruiter en Van Pol zich voornamelijk zorgen maken over beschuldigingen van ernstige en duidelijk aanwijsbare vormen van kindermishandeling. Maar in dat geval zijn twee van de drie onderzoeken waar ze hun conclusies op baseren helemaal niet te gebruiken.

    • Kernbegrippen niet gedefinieerd

      De Ruiter en Van Pol verzuimen te definiëren wat ze verstaan onder ‘valse beschuldiging van kindermishandeling’. Vals kan betekenen: intentioneel vals. De persoon die de beschuldiging uit, weet dat het niet waar is en zet de beschuldiging bewust in als wapen in de strijd. Maar vals kan ook betekenen: de persoon die de beschuldiging uit denkt, dat het waar is, maar het is niet gebeurd. In de werkelijkheid zitten hier heel veel schakeringen tussen. Bijvoorbeeld de verzorgende ouder die iets ziet bij het kind of gealarmeerd raakt door iets wat het kind zegt en die vervolgens te gretig op zoek gaat naar meer aanwijzingen. Deze ouder kan zelf voor 100% overtuigd zijn van de eigen objectiviteit, maar kan ook ergens zelf rekening houden met de mogelijkheid, dat deze gretigheid gevoed wordt door rancune of teleurstelling. Voor de ene ouder is dit te goeder trouw; de beschuldigde ouder zal dit zien als vals. Voor de buitenwereld, inclusief sociale en juridische professionals, is het in veel gevallen niet mogelijk om te weten te komen of de beschuldiging intentioneel vals, geheel te goeder trouw of iets er tussenin is. Het is vaak ook weinig zinvol om alle energie daar op te richten. Het gaat erom welke feiten en omstandigheden gevonden kunnen worden die onderbouwen of ontkrachten dat het kind iets is aangedaan.

      Ook de term ‘beschuldiging’ wordt door de auteurs niet gedefinieerd. Het maakt echter nogal veel uit of het gaat om een officiële aangifte bij de politie, een formeel punt in een rechtszaak, een melding van een vermoeden bij de kinderbescherming of een terloopse opmerking. Het komt voor dat een ouder tijdens een onderzoek van de kinderbescherming of tijdens een rechtszaak terloops opmerkt dat zij/hij niet wil dat de andere ouder onbegeleid contact heeft met het kind, omdat zij/hij die ander ‘niet vertrouwt’. Als dat gecombineerd wordt met bijvoorbeeld: ‘ik weet hoe oversexed hij is’, of ‘hij heeft losse handen’, is er dan een beschuldiging? Het ligt voor de hand dat vermoedens en beschuldigingen een grotere kans hebben om op waarheid te berusten naarmate ze meer concreet zijn in tijd, plaats en handeling. Wanneer aan sociale en juridische professionals de vraag wordt voorgelegd hoe vaak valse beschuldigingen voorkomen, moet wel duidelijk zijn wanneer iets geteld wordt als een beschuldiging.

      Ten slotte is de term kindermishandeling te breed om iets te kunnen zeggen over de kans op een valse beschuldiging. Verreweg de meeste meldingen van kindermishandeling hebben betrekking op emotionele mishandeling of verwaarlozing en niet op lichamelijk of seksueel geweld. Wanneer wordt uitgegaan van de brede definitie van kindermishandeling, dan omvat dat alle vormen van opvoeden die schadelijk zijn voor het kind. Het komt in conflictueuze scheidingen vaak voor dat de ene ouder kritiek heeft op de wijze van verzorgen en opvoeden door de andere ouder. In de meningsvorming bij de ouders lopen vermoedens, verhalen, feiten en conclusies vaak door elkaar. Wanneer is er dan een beschuldiging van kindermishandeling? Het kan zijn dat De Ruiter en Van Pol zich voornamelijk zorgen maken over beschuldigingen van ernstige en duidelijk aanwijsbare vormen van kindermishandeling. Maar in dat geval zijn twee van de drie onderzoeken waar ze hun conclusies op baseren helemaal niet te gebruiken.

    • Verkeerde conclusies uit onderzoek Trocmé & Bala

      Het grootste onderzoek waar De Ruiter en Van Pol naar verwijzen is van Trocmé & Bala. Trocmé & Bala (2005) onderzochten 7.672 dossiers van kinderbeschermingsinstellingen in Canada uit het jaar 1998. Dit betrof meldingen bij de kinderbescherming van alle vormen van kindermishandeling en verwaarlozing. In meer dan een derde van alle meldingen concludeerden de kinderbeschermers dat de melding ‘unsubstantiated’ was. Van alle meldingen was 4% volgens de kinderbeschermers ‘intentionally fabricated’.

      Vervolgens keken Trocmé & Bala naar de meldingen binnen deze grote steekproef waar een rechtszaak liep over gezag of omgang. In deze substeekproef was volgens de kinderbeschermers 12% ‘intentionally fabricated’. Dus: de kinderbeschermers zagen meldingen van kindermishandeling in deze steekproef drie keer zo vaak als intentioneel vals wanneer er een scheidingsrechtzaak loopt dan in alle meldingen van kindermishandeling. Daarmee is de mogelijkheid van een intentioneel valse melding volgens de onderzoekers een belangrijk aandachtspunt voor kinderbeschermers, in het bijzonder wanneer er rechtszaken lopen over gezag en omgang.

      Trocmé & Bala schrijven echter dat er een groter probleem is dan de meldingen die duidelijk intentioneel vals zijn. Dat is het gegeven dat de meeste meldingen van kindermishandeling in Canada niet leiden tot zekerheid over wat er wel of niet waar is van de gemelde vermoedens of beschuldigingen. Zij maken een onderscheid tussen: mishandeling onderbouwd (substantiated), verdenking blijft na onderzoek bestaan (suspected), niet onderbouwd, maar melding waarschijnlijk te goeder trouw (unsubstantiated ‘good faith’) en intentioneel valse melding.Deze indeling leidt voor de hele steekproef tot de volgende uitkomsten:

      Alle meldingen van kindermishandeling

      Substantiated 42%
      Suspected 23%
      Unsubstantiated ‘good faith’ 31%
      Intentionally false 4%

      Als we zouden aannemen, dat substantiated en intentionally false zeker zijn, dan is in deze steekproef 54% van alle meldingen onzeker gebleven na onderzoek. De bron van deze indeling is echter verre van zeker. Trocmé & Bala wijzen daar terecht op:

      “It is important to note that in this study the finding of a false allegation is a clinical judgment made by the investigating child welfare worker. Despite their best intentions, an error in clinical judgment may occur both with respect to the worker’s perception of the reporter’s intentionality, and also in terms of verifying that the allegation is indeed false.” (pag. 1343).

      Welke zekerheid of waarschijnlijkheid geeft de registratie door de maatschappelijk werker van de kinderbescherming?

      De meeste meldingen bij de kinderbescherming leiden niet tot een rechtszaak en dan is er geen civiel- of strafrechtelijk bewijs. Het artikel rept niet over eventueel medisch bewijs. Er is geen verificatie gedaan buiten het oordeel van de maatschappelijk werker. Dit betrof meldingen van alle vormen van kindermishandeling en verwaarlozing, onder een brede definitie van deze begrippen. De meeste meldingen gingen over emotionele verwaarlozing. Wanneer is dat ‘onderbouwd’? De breedte van de begrippen kan ertoe leiden, dat er bijvoorbeeld een beschuldiging is van seksueel misbruik die niet wordt bevestigd, maar waar de maatschappelijk werker concludeert, dat er wel ‘sprake is van’ emotionele verwaarlozing. Dan komt het kruisje in de registratie bij ‘substantiated’.

      Op basis waarvan maakt de maatschappelijk werker de keuze tussen ‘good faith’ en ‘intentionally false’? Het artikel van Trocmé & Bala geeft daar geen informatie over. Hierbij moet worden bedacht dat de maatschappelijk werker nu eenmaal een van de categorieën in het registratiesysteem moet aankruisen. Dit betekent dat in de werkelijkheid minder dan 42% van alle meldingen op waarheid kan berusten en evenzeer dat meer dan 42% op waarheid kan berusten. En dat in de werkelijkheid meer dan 4% bewust vals kan zijn en evenzeer dat minder dan 4% vals kan zijn.

      Trocmé & Bala concluderen dat de onzekerheid in heel veel meldingen een groter probleem is dan de evident intentioneel valse meldingen. “However, the data also reveal that the issue of unsubstantiated and suspected allegations is significant, especially in the context of parental separation. Custody disputes represent a significant portion of all child protection investigations and this is a context in which there is a high rate of unsubstantiated allegations.” (p. 1343).

    • Verkeerde conclusies uit onderzoek Trocmé & Bala

      Het grootste onderzoek waar De Ruiter en Van Pol naar verwijzen is van Trocmé & Bala. Trocmé & Bala (2005) onderzochten 7.672 dossiers van kinderbeschermingsinstellingen in Canada uit het jaar 1998. Dit betrof meldingen bij de kinderbescherming van alle vormen van kindermishandeling en verwaarlozing. In meer dan een derde van alle meldingen concludeerden de kinderbeschermers dat de melding ‘unsubstantiated’ was. Van alle meldingen was 4% volgens de kinderbeschermers ‘intentionally fabricated’.

      Vervolgens keken Trocmé & Bala naar de meldingen binnen deze grote steekproef waar een rechtszaak liep over gezag of omgang. In deze substeekproef was volgens de kinderbeschermers 12% ‘intentionally fabricated’. Dus: de kinderbeschermers zagen meldingen van kindermishandeling in deze steekproef drie keer zo vaak als intentioneel vals wanneer er een scheidingsrechtzaak loopt dan in alle meldingen van kindermishandeling. Daarmee is de mogelijkheid van een intentioneel valse melding volgens de onderzoekers een belangrijk aandachtspunt voor kinderbeschermers, in het bijzonder wanneer er rechtszaken lopen over gezag en omgang.

      Trocmé & Bala schrijven echter dat er een groter probleem is dan de meldingen die duidelijk intentioneel vals zijn. Dat is het gegeven dat de meeste meldingen van kindermishandeling in Canada niet leiden tot zekerheid over wat er wel of niet waar is van de gemelde vermoedens of beschuldigingen. Zij maken een onderscheid tussen: mishandeling onderbouwd (substantiated), verdenking blijft na onderzoek bestaan (suspected), niet onderbouwd, maar melding waarschijnlijk te goeder trouw (unsubstantiated ‘good faith’) en intentioneel valse melding.Deze indeling leidt voor de hele steekproef tot de volgende uitkomsten:

      Alle meldingen van kindermishandeling

      Substantiated 42%
      Suspected 23%
      Unsubstantiated ‘good faith’ 31%
      Intentionally false 4%

      Als we zouden aannemen, dat substantiated en intentionally false zeker zijn, dan is in deze steekproef 54% van alle meldingen onzeker gebleven na onderzoek. De bron van deze indeling is echter verre van zeker. Trocmé & Bala wijzen daar terecht op:

      “It is important to note that in this study the finding of a false allegation is a clinical judgment made by the investigating child welfare worker. Despite their best intentions, an error in clinical judgment may occur both with respect to the worker’s perception of the reporter’s intentionality, and also in terms of verifying that the allegation is indeed false.” (pag. 1343).

      Welke zekerheid of waarschijnlijkheid geeft de registratie door de maatschappelijk werker van de kinderbescherming?

      De meeste meldingen bij de kinderbescherming leiden niet tot een rechtszaak en dan is er geen civiel- of strafrechtelijk bewijs. Het artikel rept niet over eventueel medisch bewijs. Er is geen verificatie gedaan buiten het oordeel van de maatschappelijk werker. Dit betrof meldingen van alle vormen van kindermishandeling en verwaarlozing, onder een brede definitie van deze begrippen. De meeste meldingen gingen over emotionele verwaarlozing. Wanneer is dat ‘onderbouwd’? De breedte van de begrippen kan ertoe leiden, dat er bijvoorbeeld een beschuldiging is van seksueel misbruik die niet wordt bevestigd, maar waar de maatschappelijk werker concludeert, dat er wel ‘sprake is van’ emotionele verwaarlozing. Dan komt het kruisje in de registratie bij ‘substantiated’.

      Op basis waarvan maakt de maatschappelijk werker de keuze tussen ‘good faith’ en ‘intentionally false’? Het artikel van Trocmé & Bala geeft daar geen informatie over. Hierbij moet worden bedacht dat de maatschappelijk werker nu eenmaal een van de categorieën in het registratiesysteem moet aankruisen. Dit betekent dat in de werkelijkheid minder dan 42% van alle meldingen op waarheid kan berusten en evenzeer dat meer dan 42% op waarheid kan berusten. En dat in de werkelijkheid meer dan 4% bewust vals kan zijn en evenzeer dat minder dan 4% vals kan zijn.

      Trocmé & Bala concluderen dat de onzekerheid in heel veel meldingen een groter probleem is dan de evident intentioneel valse meldingen. “However, the data also reveal that the issue of unsubstantiated and suspected allegations is significant, especially in the context of parental separation. Custody disputes represent a significant portion of all child protection investigations and this is a context in which there is a high rate of unsubstantiated allegations.” (p. 1343).

    • Brown c.s.

      Dit onderzoek werd in 2000 gepubliceerd en betrof een onderzoek naar 149 zaken bij de Australische familierechter waar een van de ouders was beschuldigd van kindermishandeling. Het betrof alle vormen van kindermishandeling: lichamelijke mishandeling, seksuele kindermishandeling, emotionele mishandeling en verwaarlozing.

      Volgens de onderzoekers was 9% van de beschuldigingen vals. Uit de publicatie valt niet op te maken hoe de onderzoekers dit hebben gemeten. Zij geven geen overzicht van het aantal zaken dat door de familierechter gezien werd als ‘onderbouwd’ (substantiated). De auteurs merken het onderzoek zelf aan als verkennend (exploratory). Zij waren niet alleen geïnteresseerd in het aantal valse beschuldigingen, maar wilden onderzoeken hoe de speciale familierechter functioneerde en in welke mate deze rechtbank te maken kreeg met (beschuldigingen van) kindermishandeling.

      Een van de problemen in het functioneren van het systeem was volgens de onderzoekers de samenwerking tussen de familierechtbank en de kinderbescherming. De familierechtbank stuurde de zaken waar een beschuldiging van kindermishandeling was naar de kinderbescherming en hield de zaak aan totdat er een uitslag kwam van de kinderbescherming. Dit verliep niet optimaal. In 77,6% van de zaken ondernam de kinderbescherming geen actie. Het artikel meldt niet wat daarvan de oorzaak was. Vermeld wordt slechts, dat “…the state service did not substantiate many notifications, 22.5% in Melbourne…” (p. 855).

      Hiermee geeft deze studie geen grond voor stellige conclusies over het aantal valse beschuldigingen van kindermishandeling in echtscheidingsconflicten. Er wordt geen enkele indicatie gegeven hoe de conclusie dat 9% vals was tot stand is gekomen. Omdat de meerderheid van de zaken niet door de kinderbescherming werd onderbouwd, moet worden geconcludeerd dat het in 77,6% van de zaken onzeker is gebleven of de beschuldigingen op waarheid berusten.

    • Brown c.s.

      Dit onderzoek werd in 2000 gepubliceerd en betrof een onderzoek naar 149 zaken bij de Australische familierechter waar een van de ouders was beschuldigd van kindermishandeling. Het betrof alle vormen van kindermishandeling: lichamelijke mishandeling, seksuele kindermishandeling, emotionele mishandeling en verwaarlozing.

      Volgens de onderzoekers was 9% van de beschuldigingen vals. Uit de publicatie valt niet op te maken hoe de onderzoekers dit hebben gemeten. Zij geven geen overzicht van het aantal zaken dat door de familierechter gezien werd als ‘onderbouwd’ (substantiated). De auteurs merken het onderzoek zelf aan als verkennend (exploratory). Zij waren niet alleen geïnteresseerd in het aantal valse beschuldigingen, maar wilden onderzoeken hoe de speciale familierechter functioneerde en in welke mate deze rechtbank te maken kreeg met (beschuldigingen van) kindermishandeling.

      Een van de problemen in het functioneren van het systeem was volgens de onderzoekers de samenwerking tussen de familierechtbank en de kinderbescherming. De familierechtbank stuurde de zaken waar een beschuldiging van kindermishandeling was naar de kinderbescherming en hield de zaak aan totdat er een uitslag kwam van de kinderbescherming. Dit verliep niet optimaal. In 77,6% van de zaken ondernam de kinderbescherming geen actie. Het artikel meldt niet wat daarvan de oorzaak was. Vermeld wordt slechts, dat “…the state service did not substantiate many notifications, 22.5% in Melbourne…” (p. 855).

      Hiermee geeft deze studie geen grond voor stellige conclusies over het aantal valse beschuldigingen van kindermishandeling in echtscheidingsconflicten. Er wordt geen enkele indicatie gegeven hoe de conclusie dat 9% vals was tot stand is gekomen. Omdat de meerderheid van de zaken niet door de kinderbescherming werd onderbouwd, moet worden geconcludeerd dat het in 77,6% van de zaken onzeker is gebleven of de beschuldigingen op waarheid berusten.

    • Hume

      De studie van Hume is een masterthesis uit 1997. Hume analyseerde 50 zaken van de Family Court in Australië betreffende geschillen over zorgregelingen en omgang, waarbij een beschuldiging van seksueel misbruik was geuit. Haar conclusie voor deze 50 zaken luidde: “The results of the investigations into the child sexual abuse allegations in the 50 cases in this study show that the confirmation rate of child sexual abuse allegations is 42%.” (pag. 11). De zaken werden als volgt beoordeeld:

      Outcome of InvestigationsFrequencyPercent
      Confirmed child sexual abuse 21 42%
      Inconclusive 8 16%
      No abuse 4 8%
      No Investigation 17 34%
      Total 50 100%

      De 16% ‘inconclusive’ en de 34% ‘no investigation’ kunnen niet worden geteld alsof de beschuldigingen waar zijn. Over deze 50% kan niets anders gezegd worden dan: we weten het niet en de rechters weten het ook niet.

      Uit de studie wordt niet duidelijk wat ‘confirmed’ betekent. Het gaat hier niet om een strafrechtelijke veroordeling, waar een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vereist is. In het civiele recht kan ‘confirmed’ betekenen, dat de rechter het meer aannemelijk vindt, dat het wel is gebeurd, dan dat het niet is gebeurd. Bovendien kan een rol spelen, dat de rechters bij twijfel soms kiezen voor het beschermen van het kind tegen het risico of de mogelijkheid dat er seksuele kindermishandeling plaatsvindt. Hume zegt, dat zij ervan uitgaat, dat de rechters vanuit die positie naar de zaken hebben gekeken: “…these figures suggests that the Family Court outcomes in these 50 cases reflect a position of protection of children from the possible harm of child sexual abuse” (pag. 14). Hieruit volgt dat er ook voor de 42% van de beschuldigingen die de familierechter als ‘confirmed’ heeft aangemerkt geen zekerheid is over de waarheid van de beschuldigingen.

      De studie van Hume levert geen wetenschappelijke kennis op dat 10% of minder van alle beschuldigingen van kindermishandeling in scheidingsconflicten vals is, laat staan dat er iets geconcludeerd zou kunnen worden met de suggestie, dat 90% op waarheid berust.

    • Hume

      De studie van Hume is een masterthesis uit 1997. Hume analyseerde 50 zaken van de Family Court in Australië betreffende geschillen over zorgregelingen en omgang, waarbij een beschuldiging van seksueel misbruik was geuit. Haar conclusie voor deze 50 zaken luidde: “The results of the investigations into the child sexual abuse allegations in the 50 cases in this study show that the confirmation rate of child sexual abuse allegations is 42%.” (pag. 11). De zaken werden als volgt beoordeeld:

      Outcome of InvestigationsFrequencyPercent
      Confirmed child sexual abuse 21 42%
      Inconclusive 8 16%
      No abuse 4 8%
      No Investigation 17 34%
      Total 50 100%

      De 16% ‘inconclusive’ en de 34% ‘no investigation’ kunnen niet worden geteld alsof de beschuldigingen waar zijn. Over deze 50% kan niets anders gezegd worden dan: we weten het niet en de rechters weten het ook niet.

      Uit de studie wordt niet duidelijk wat ‘confirmed’ betekent. Het gaat hier niet om een strafrechtelijke veroordeling, waar een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vereist is. In het civiele recht kan ‘confirmed’ betekenen, dat de rechter het meer aannemelijk vindt, dat het wel is gebeurd, dan dat het niet is gebeurd. Bovendien kan een rol spelen, dat de rechters bij twijfel soms kiezen voor het beschermen van het kind tegen het risico of de mogelijkheid dat er seksuele kindermishandeling plaatsvindt. Hume zegt, dat zij ervan uitgaat, dat de rechters vanuit die positie naar de zaken hebben gekeken: “…these figures suggests that the Family Court outcomes in these 50 cases reflect a position of protection of children from the possible harm of child sexual abuse” (pag. 14). Hieruit volgt dat er ook voor de 42% van de beschuldigingen die de familierechter als ‘confirmed’ heeft aangemerkt geen zekerheid is over de waarheid van de beschuldigingen.

      De studie van Hume levert geen wetenschappelijke kennis op dat 10% of minder van alle beschuldigingen van kindermishandeling in scheidingsconflicten vals is, laat staan dat er iets geconcludeerd zou kunnen worden met de suggestie, dat 90% op waarheid berust.

    • Conclusie

      De stelling van De Ruiter en Van Pol is theoretisch gezien onmogelijk, omdat een groot deel van alle zaken ook na onderzoek en rechtszaken onbeslist blijft. Zij hebben verzuimd om de kernbegrippen vals en beschuldiging te definiëren en om te definiëren over welke vormen van kindermishandeling zij conclusies willen trekken. De onderzoeken waar zij zich op beroepen kunnen de stelling niet dragen en de onderzoekers uit Canada en Australië geven een ander beeld dan De Ruiter en Van Pol beschrijven. Daarbij komt dat het gaat om onderzoeken van ongeveer 20 jaar geleden in Angelsaksische landen, gebaseerd op registratiesystemen die niet vergelijkbaar zijn met de actuele situatie in Nederland. Er is geen enkele grond om te extrapoleren naar een soort natuurwet, inhoudende dat 10% of minder van alle beschuldigingen van kindermishandeling in echtscheidingsprocedures altijd en overal ter wereld vals zijn, ongeacht hoe we de cruciale begrippen definiëren en de populaties afbakenen.

      Juridische en sociale professionals moeten bij beschuldigingen van kindermishandeling werken met onzekerheid over wat er precies is gebeurd en nog gebeurt in het gezin. Iedere beschuldiging moet serieus onderzocht worden. Door goed multidisciplinair onderzoek worden de feiten in een deel van alle meldingen duidelijk. Zelfs met het best mogelijke onderzoek en met inzet van hulpverlening, civiele, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke acties blijven essentiële feiten in een substantieel deel van alle meldingen onduidelijk en omstreden. Dan moeten er toch beslissingen genomen worden en die worden dan genomen met een aanzienlijke kans dat ten onrechte wel of ten onrechte niet wordt ingegrepen. Wanneer later blijkt dat ten onrechte niet is ingegrepen, of dat ten onrechte wel is ingegrepen, dan wordt te vaak zonder meer aangenomen dat de professionals het fout gedaan hebben. Met de wijsheid achteraf is het moeilijker om de onzekerheid die vooraf bestond nog te zien. Wetenschappers en onderzoekers moeten aansluiten bij deze realiteit en niet de suggestie wekken dat ‘we’ uit buitenlands onderzoek kunnen afleiden hoe groot de kans is dat beschuldigingen van kindermishandeling op waarheid berusten.

      Ten slotte verwijs ik nog naar het artikel van Smit c.s. in Family & Law van juli 2017. Zij concluderen dat in Nederland in recente zaken van beschuldigingen van seksuele kindermishandeling tijdens een civiele rechtszaak het volgens de Raad voor de Kinderbescherming in 80% van de onderzochte gevallen onduidelijk is of de mishandeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat is de werkelijkheid waar sociale en juridische professionals in moeten werken.

    • Literatuur
    • Brown, T., Frederico, M., Hewitt, L. & Sheenan, R. (2000). Revealing the existence of child abuse in the context of marital breakdown and custody and access disputes. Child Abuse & Neglect 24, 849–859.

    • Hume, M. (1997). Child sexual abuse allegations and the family court. Master Thesis, University of South Australia.

    • Ruiter, C. de & Pol, B. van (2017). Mythen over conflictscheidingen: een onderzoek naar de kennis van juridische en sociale professionals. Family & Law, May 2017, DOI: 10.5553/FenR/.000032.

    • Smit, A., Antokolskaia & Bijleveld, C. (2017). Beschuldigingen van seksueel kindermisbruik tijdens een civielrechtelijk geschil over kinderen: aard, context en afhandeling. Family & Law, July 2017, DOI: 10.5553/FenR/.000033.

    • Trocmé, N. & Bala, N. (2005). False allegations of abuse and neglect when parents separate. Child Abuse & Neglect 29, 1333–1345.

    • Conclusie

      De stelling van De Ruiter en Van Pol is theoretisch gezien onmogelijk, omdat een groot deel van alle zaken ook na onderzoek en rechtszaken onbeslist blijft. Zij hebben verzuimd om de kernbegrippen vals en beschuldiging te definiëren en om te definiëren over welke vormen van kindermishandeling zij conclusies willen trekken. De onderzoeken waar zij zich op beroepen kunnen de stelling niet dragen en de onderzoekers uit Canada en Australië geven een ander beeld dan De Ruiter en Van Pol beschrijven. Daarbij komt dat het gaat om onderzoeken van ongeveer 20 jaar geleden in Angelsaksische landen, gebaseerd op registratiesystemen die niet vergelijkbaar zijn met de actuele situatie in Nederland. Er is geen enkele grond om te extrapoleren naar een soort natuurwet, inhoudende dat 10% of minder van alle beschuldigingen van kindermishandeling in echtscheidingsprocedures altijd en overal ter wereld vals zijn, ongeacht hoe we de cruciale begrippen definiëren en de populaties afbakenen.

      Juridische en sociale professionals moeten bij beschuldigingen van kindermishandeling werken met onzekerheid over wat er precies is gebeurd en nog gebeurt in het gezin. Iedere beschuldiging moet serieus onderzocht worden. Door goed multidisciplinair onderzoek worden de feiten in een deel van alle meldingen duidelijk. Zelfs met het best mogelijke onderzoek en met inzet van hulpverlening, civiele, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke acties blijven essentiële feiten in een substantieel deel van alle meldingen onduidelijk en omstreden. Dan moeten er toch beslissingen genomen worden en die worden dan genomen met een aanzienlijke kans dat ten onrechte wel of ten onrechte niet wordt ingegrepen. Wanneer later blijkt dat ten onrechte niet is ingegrepen, of dat ten onrechte wel is ingegrepen, dan wordt te vaak zonder meer aangenomen dat de professionals het fout gedaan hebben. Met de wijsheid achteraf is het moeilijker om de onzekerheid die vooraf bestond nog te zien. Wetenschappers en onderzoekers moeten aansluiten bij deze realiteit en niet de suggestie wekken dat ‘we’ uit buitenlands onderzoek kunnen afleiden hoe groot de kans is dat beschuldigingen van kindermishandeling op waarheid berusten.

      Ten slotte verwijs ik nog naar het artikel van Smit c.s. in Family & Law van juli 2017. Zij concluderen dat in Nederland in recente zaken van beschuldigingen van seksuele kindermishandeling tijdens een civiele rechtszaak het volgens de Raad voor de Kinderbescherming in 80% van de onderzochte gevallen onduidelijk is of de mishandeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat is de werkelijkheid waar sociale en juridische professionals in moeten werken.

    • Literatuur
    • Brown, T., Frederico, M., Hewitt, L. & Sheenan, R. (2000). Revealing the existence of child abuse in the context of marital breakdown and custody and access disputes. Child Abuse & Neglect 24, 849–859.

    • Hume, M. (1997). Child sexual abuse allegations and the family court. Master Thesis, University of South Australia.

    • Ruiter, C. de & Pol, B. van (2017). Mythen over conflictscheidingen: een onderzoek naar de kennis van juridische en sociale professionals. Family & Law, May 2017, DOI: 10.5553/FenR/.000032.

    • Smit, A., Antokolskaia & Bijleveld, C. (2017). Beschuldigingen van seksueel kindermisbruik tijdens een civielrechtelijk geschil over kinderen: aard, context en afhandeling. Family & Law, July 2017, DOI: 10.5553/FenR/.000033.

    • Trocmé, N. & Bala, N. (2005). False allegations of abuse and neglect when parents separate. Child Abuse & Neglect 29, 1333–1345.

    Noten

    • 1 De Ruiter, C., Öry, F. & Fransen, T. Divorce challenge, november 2016.

    • 2 De Ruiter, C., Öry, F. & Fransen, T. Divorce challenge, november 2016.

    • 3 Waarom ze precies 10% noemen en niet bijvoorbeeld 12% is onduidelijk, maar dat is een detail.

    • 4 Waarom ze precies 10% noemen en niet bijvoorbeeld 12% is onduidelijk, maar dat is een detail.