DOI: 10.5553/NJLP/221307132019048002003

Netherlands Journal of Legal PhilosophyAccess_open

Article

Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts

Keywords oprichting, doelstelling, band met de rechtspraktijk, rechtsfilosofie en rechtstheorie, internationalisering (van Duits naar Engels)
Authors
DOI
Show PDF Show fullscreen
Author's information Statistics Citation
This article has been viewed times.
This article been downloaded 0 times.
Suggested citation
Corjo Jansen, "Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts", Netherlands Journal of Legal Philosophy, 2, (2019):165-184

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Inleiding: de oprichting

      1918 was een bewogen jaar. In de late herfst van 1918 kwam het einde van de Eerste Wereldoorlog.1xZie P. Moeyes, Buiten schot. Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog 1914-1918, geheel herziene en uitgebreide editie, Utrecht/Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers 2014. Nederland was ontsnapt aan de verwoestingen van het slagveld. Toch waren de gevolgen van de oorlog desastreus voor de Nederlandse bevolking, de Nederlandse industrie, de Nederlandse handel en het Nederlandse geld- en bankwezen. E.M. Meijers (1880-1954) en P. Scholten (1875-1946) schreven al op 22 augustus 1914 in een artikel in het WPNR dat de wet ieder gezag verloren scheen te hebben. ‘Met het tooverwoord “force majeure” meent men van al zijn verplichtingen bevrijd te zijn.’ Zij spraken zelfs over ‘de heerschende anarchie’. Partijen verbraken eenzijdig leveringscontracten zonder enige motivering. Banken weigerden toegezegde kredieten met de mededeling dat de tijd en de omstandigheden de nakoming niet toelieten. Rechteloosheid verdrong de wet en dit verschijnsel kwam voor in alle rangen en standen van de samenleving. ‘Te vergeefs tracht men de kwaadwilligen wederom in het gareel van het recht te brengen door voortdurend in de dagbladen op hun plicht te wijzen hun schulden te betalen.’2xE.M. Meijers en P. Scholten, ‘Het recht tegenover de huidige crisis’, WPNR 1914/2330, p. 389-390. Recht was synoniem geworden met rechteloosheid.

      Ook andere rechtsgebieden dan het privaatrecht ondergingen grote veranderingen, zoals het volkerenrecht, het administratief recht (zoals dit rechtsgebied toen heette) en het strafrecht. De hoofdredacteur van het Weekblad van het Recht, D. Simons (1860-1930), stelde openlijk de vraag of het volkenrecht nog wel recht was. Oude regels hadden namelijk afgedaan, de oorlogsvoerende landen maakten telkens nieuwe, naar eigen willekeur. ‘Kan nog recht heeten, wat naar diegenen, die er naar onderworpen zouden zijn, bindend gezag blijkt te missen?’3x[D. Simons], ‘Na twee jaar’, W. 1916/9965, p. 1. Zie C.J.H. Jansen, ‘De impact van de Eerste Wereldoorlog op het Nederlandse privaatrecht’, NJB 2014, p. 1491 e.v. en W.H. van Boom, ‘The Great War and Dutch Contract Law – resistance, responsiveness and neutrality’, Comparative Legal History 2014 (2) 2, p. 303 e.v. Op het gebied van het strafrecht verwijs ik slechts naar de uitvoerige ‘smokkelwetgeving’ in de oorlogsjaren. De smokkelhandel en de verboden uitvoer van goederen hadden in Nederland een verontrustende en ontwrichtende omvang aangenomen.4xWetten van 3 Augustus 1914 (Stb. 344) en 31 December 1915 (Stb. 532 en 533); Wet van 22 Februari 1917, ter vaststelling in de tegenwoordige buitengewone omstandigheden van bepalingen in het belang van eene meer afdoende beteugeling van den smokkelhandel (Stb. 225). Vgl. W. 1917/10.040, p. 1. Zie over deze wet: ‘Beteugeling van den smokkelhandel’, W. 1917/10.048, p. 1-3. In de oorlogsjaren zagen tal van maatregelen het licht die aan ‘de administratie’ (het bestuur) ‘tal van diep-ingrijpende’ bevoegdheden toekenden. De bekendste wet is de Distributiewet van 1916.5xWet van 19 Augustus 1916, tot vaststelling van bepalingen in het belang van de volksvoeding en van eene doelmatige distributie van goederen (Stb. 416). De wet werd uitgebreid en aangevuld in 1918, onder meer met een bijzondere rechtsprekende instantie.6xWet van 26 Juli 1918, tot instelling eener bijzondere rechtspraak in distributie- en andere crisiszaken (Stb. 494). Zie ‘Distributie en rechtsbescherming’, W. 1918/10.216, p. 1 en ‘Rechtspraak in crisiszaken’, W. 1918/10.244, p. 1. Simons verzuchtte naar aanleiding van de aanpassing van de Distributiewet in 1918 dat de redding uit de nood steeds nieuwe dwangmaatregelen bracht en steeds verder reikende beperkingen. ‘Elk zweempje van vrijheid, dat nog aan het economische leven gelaten was, moet verdwijnen.’7x[D. Simons], ‘Crisis-strafrecht’, W. 1918/10.245, p. 1.

      Met het einde van de Eerste Wereldoorlog keerde de rust in veel Europese landen allerminst terug. In Rusland woedde een burgeroorlog. Duitsland verkeerde in een chaos. De marine in Kiel was aan het muiten geslagen. Raden van soldaten en arbeiders hadden in sommige Duitse steden de macht overgenomen. Tegen dit internationale decor meende de Nederlandse leider van de socialisten, P.J. Troelstra (1860-1930), eveneens een duit in het zakje te moeten doen. Op 11 november 1918, de dag waarop de oorlogvoerende partijen een wapenstilstand sloten, riep hij tijdens een bijeenkomst van socialisten in Rotterdam de revolutie uit. De meeste aanwezigen gingen daarna rustig naar huis. Een dag later hield Troelstra een uren durend, vlammend betoog in de Tweede Kamer dat (opnieuw) eindigde in een oproep tot – een niet-bloedige – omwenteling. Een deel van zijn partijgenoten nam onmiddellijk afstand van deze oproep. Deze kwam bekend te staan als de ‘vergissing’ van Troelstra. Ook een niet veel later gehouden partijcongres van de SDAP distantieerde zich van zijn leider. Troelstra zou met deze poging tot revolutie zijn partij decennialang politiek buitenspel zetten.8xF. Verhagen, Toen de katholieken Nederland veroverden. Charles Ruijs de Beerenbrouck 1873-1936, Amsterdam: Boom 2015, p. 153 e.v.; J.S. Wijne, De ‘vergissing’ van Troelstra, Hilversum: Verloren 1999.

      Hoe reageerden de Nederlandse rechtsfilosofen op deze woelige dagen? De hachelijke tijdsomstandigheden waren voor Willem van der Vlugt (1853-1928), hoogleraar in de rechtsfilosofie en de encyclopedie van het recht in Leiden, de directe aanleiding tot de oprichting van een vereniging, gericht op theoretische bezinning. Theorie, zo zei hij op een door hem uitgeschreven vergadering op 28 december 1918 in Grand Hotel Krasnapolsky te Amsterdam, is niet zonder praktische betekenis. Schreef Plato zijn Dialogen niet eveneens in oorlogstijd? Wie weet nu nog of dat de Thebaanse of de Korinthische oorlog was, terwijl zijn Dialogen tot de dag van vandaag voortleven? Was het daarom niet nu, in december 1918, na afloop van de alles vernietigende oorlog, meer dan ooit noodzakelijk om de grondslagen van recht en staat te doordenken?9xZie de Notulen van de Algemeene Vergaderingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (VWR), bijeenkomst op 28 december 1918 te Amsterdam. Een kort verslag van de bijeenkomst in W. 1919/10.348, p. 4. Een elftal aanwezigen beantwoordde die vraag positief. Onder hen bevonden zich I.A. Levy (1836-1920), een bekend Amsterdams advocaat, Van der Vlugts collega voor staats- en bestuursrecht, H. Krabbe (1857-1936), A. Anema (1872-1966), hoogleraar aan de VU, C.A.J. Hartzfeld (1873-1942), Amsterdams kantonrechter, Clara Wichmann (1885-1922), feministe van het eerste uur en strafrechtadvocate, en S.E.J.M. van Lier (1875-1938), op dat moment substituut Officier van Justitie te Rotterdam en in 1927 benoemd tot advocaat-generaal bij de Hoge Raad. Schriftelijk hadden Scholten, D.G. Rengers Hora Siccama (1876-1962), hoogleraar in Utrecht in onder meer de encyclopedie van het recht en het oudvaderlands recht, en zijn collega voor staats- en bestuursrecht, B.C. de Savornin Lohman (1883-1946), hun instemming betuigd. Volgens art. 3 van de oorspronkelijke Statuten gold als de oprichtingsdatum van de vereniging, die de naam Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (VWR) kreeg, 28 december 1918.10xDe VWR kreeg rechtspersoonlijkheid bij KB van 23 maart 1919, Stb. Nr. 31. Anema en Krabbe beklemtoonden op de Amsterdamse bijeenkomst de nauwe band tussen theorie en praktijk. Zij hamerden op het feit dat het streven van de nieuwe vereniging mede erop gericht moest zijn om voor de rechtspraktijk beginselen te verkrijgen. Andere leden van het eerste uur van de VWR waren de Amsterdamse advocaat H.L.A. Visser (1972-1943), eveneens filosoof, psycholoog en socioloog, R. Kranenburg (1880-1956), van 1914 tot 1917 hoogleraar in het staats- en bestuursrecht en rechtsfilosofie in Amsterdam, daarna – als opvolger van zijn promotor Krabbe – hoogleraar in dezelfde vakken te Leiden, L. Polak (1880-1941), hoogleraar in Groningen, H. Dooyeweerd (1894-1977), hoogleraar aan de VU, de Leidse hoogleraar in het volkenrecht en Hegeliaan B.M. Telders (1903-1945), G. Scholten (1883-1955), halfbroer van Paul en raadsheer in het Hof Den Haag, J.J. von Schmid (1895-1977), de Amsterdamse rechter en Hegeliaan N. de Beneditty (1883-1944), J.H. Valckenier Kips (1862-1942), hoogleraar in het staatsrecht in Delft, lid van het Zwart Front en nationaalsocialist, en J.H. Carp (1893-1979), staatsrechtjurist, een leerling van Krabbe, vanaf 1940 lid van de NSB en vanaf 1941 president van het Vredesgerechtshof.

      Het revolutionaire vuur was in 1918 onder de communisten – anders dan bij de socialisten – nog niet gedoofd. De oprichting van de VWR ontmoette bij hen wantrouwen. Van der Vlugts vereniging was geboren ‘uit den wil de Revolutie meester te worden met de politieke middelen der vrijzinnigen’. De vrijzinnigen waren de vrijzinnig-democraten van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB), de progressief liberalen van die tijd. Het verheugde de communisten dat de geestelijke voorhoede van de burgerklasse zich wierp op de doordenking van de actuele, moderne, grote, zedelijke wijsgerige vraagstukken van die tijd. ‘Maar hoe stumperig, hoe meelijdenswaardig, hoe onnoozel is deze aanvang!’ Het woord revolutie was niet één keer gevallen. ‘Men tracht op de oprichtingsvergadering bepalingen te vinden, die de Marxisten uitsluit; men oreert, zooals alleen juristen kunnen oreeren – maar men durft niet uit te spreken wat aller harten beroert. Men wil wijsgeerige verdieping van het recht, men wil Recht en Volk dichter bij elkaar brengen, maar men vraagt niet, waarom Recht en Volk vervreemd zijn en welk recht het volk verlangt.’ Waarom wankelde het recht? ‘Het oude rechtsgebouw wankelt, omdat de economische fundamenten vermolmd zijn, omdat de eigendomsmoraal, die ’t voortbracht en moet steunen, meer en meer zijn wortels verliest in het geestelijk en zedelijk krachtigst levend volksdeel. Het nieuwe rechtsgebouw, dat het revolutionnaire volkshart zal bouwen, is in die mate vreemd aan het burgerlijke rechtsgebouw, als onze eigendomsmoraal vreemd is aan de burgerlijke. Het gaat hier niet om wijsgeerige bespiegelingen of formeele verbeteringen; de Revolutie brengt en eischt een nieuw hart, een “wedergeboorte” tot een nieuw voelen van goed en kwaad.’ Hoe luidde de conclusie van het betoog? ‘Recht is nu eenmaal doen en willen doen en niet bespiegelen alleen. Deze rechtsfilosofen zijn te ver om tevreden te kunnen zijn met het oude recht-doen, maar zij zijn nog niet ver genoeg voor het nieuwe recht-doen. Tusschen beide ligt het moeras van de “Wijsbegeerte des Rechts”.’11xA. Resink, ‘Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts’, De Tribune 11 September 1919, voorpagina. Zie ook: ‘Wij voelen geen redelijke gemeenschap meer met de burgerlijke juristen en rechtsfilosofen, die toch basis moet zijn van een wetenschappelijke gemeenschap. Wij beschouwen hun als zedelijk afgestompte, beklagenswaardige producten van het kapitalisme.’ Zie W. 1920/5290, p. 4-5. Het gebrek aan liefde was wederzijds. Leden van de VWR wensten de politiek – en vooral de communisten – buiten de VWR te houden. Zo merkte G. Scholten in 1922 op: ‘Wat heeft de wijsbegeerte des rechts te maken met bepaalde politieke vraagstukken, die op het oogenblik zich toevallig voordoen in ons volkje van 7 millioen zielen?’12xG. Scholten, HVWR VII (1922), p. 67. Zie ook J.J. Boasson, HVWR VII (1922), p. 53.

    • De doelstelling van de VWR in de context van haar tijd

      De oprichters van de VWR zagen voor haar een breed werkterrein. Zij lieten via het Weekblad van het Recht weten dat niet alleen de ‘enge kring’ van de rechtsfilosofie binnen haar aandachtsgebied viel, maar ook rechtsgeleerde vragen die verband hielden met de algemene wijsbegeerte, ethiek, psychologie, sociologie en economie (de Wirtschaftsphilosophie).13x W. 1919/10.401, p. 4. Op de vergadering van 21 juni 1919, in het Klein Auditorium te Leiden, stelden de aanwezigen de doelstelling van de jonge vereniging vast. Zij luidde als volgt: ‘De Vereeniging voor de Wijsbegeerte des Rechts stelt zich ten doel de beoefening van de Wijsbegeerte van het Recht en het maatschappelijke leven, in uitgebreiden zin.’14x W. 1919/10.420, p. 3. Van der Vlugt verschafte in een toespraak op diezelfde 21 juni 1919 een toelichting op het waarom van de oprichting. Hij constateerde dat ‘gedurende den onwijsgeerigen menschenleeftijd, die achter ons ligt’ nauwelijks een groep van geleerden zich verder van beginselvragen had gehouden dan de juristen. De rechtsfilosofie werd alleen nog gewaardeerd als slaapmiddel. Naar zijn mening was het kenmerk van de filosofie gedurende lange tijd de concentratie op de feiten, de feiten alleen of het ‘enkel feiten kennen en begrijpen’ geweest, terwijl de inhoud van de rechtsfilosofie als onfeitelijk werd afgedaan, als sterrenwichelarij, kabbala, goudmakerij en leerstellige godgeleerdheid. Van der Vlugt schreef deze dwaling toe aan de Utrechtse wijsgeer (en jurist) C.W. Opzoomer (1821-1892), die hij als een onversneden aanhanger van het positivisme beschouwde.15xW. van der Vlugt, ‘Openingswoord’, Handelingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (HVWR) I (1919), p. 2 e.v., p. 6. Van der Vlugt keerde zich tegen het rechtspositivisme als tegenhanger van het natuurrecht. De ‘onzalige’ wet op het hooger onderwijs van 1876 versterkte de marginale positie van de rechtsfilosofie door haar tot een niet-verplicht, ‘liefhebberij-college’ te maken, zo het vak bij voorbaat veroordelend tot een marginaal bestaan. De rechtsfilosofie was volgens Van der Vlugt vanaf het begin van de twintigste eeuw bezig zich te wreken op haar verachters. De groepen die achting hadden voor de rechtsfilosofie, aan de ene kant de confessionelen, aan de andere kant de marxisten, wonnen aan terrein. Feiten alleen leverden immers geen maatstaf voor menselijk handelen op.16xVan der Vlugt, ‘Openingswoord’, HVWR I (1919), p. 6 e.v.

      Heeft Van der Vlugt het gelijk aan zijn zijde met zijn observaties? Langemeijer constateerde voor de bestudering van de wijsbegeerte van het recht omstreeks 1880: ‘Men kan immers veilig zeggen, dat er in Nederland op dat moment geen rechtsfilosofie werd beoefend.’ Het positivisme was ook naar Langemeijers mening ‘de heersende rechtsbeschouwing’ aan het einde van de negentiende eeuw, hoewel een geharnaste bestrijding van het natuurrecht, zoals in Duitsland, in Nederland ontbrak.17xG.E. Langemeijer, ‘De wijsbegeerte des rechts en de encyclopaedie der rechtswetenschap sedert 1880’, in: Geschiedenis der Nederlandsche Rechtswetenschap VI, Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgevers Mij 1963, p. 6; over de VWR, p. 79-82. Langemeijer ging ook uit van het rechtspositivisme als tegenhanger van het natuurrecht. Van der Vlugt moest overigens weinig van het natuurrecht hebben: ‘Het geloof aan het bestaan van zulk een ‘natuurrecht’ acht ik een alleszins verklaarbare ziekte, op gezette tijden wederkeerende, maar eene ziekte altijd.’18xUB Leiden, BPL 2303: W. van der Vlugt, Encyclopaedie des regts (1880-1881), autograaf, p. 55. Dit nam niet weg dat het natuurrecht in de eerste helft van de twintigste eeuw in Frankrijk en in Nederland een behoorlijke populariteit genoot. De oprichting van de Katholieke Universiteit Nijmegen in 1923 droeg daar in belangrijke mate aan bij. De rectorale rede van de Nijmeegse hoogleraar E.J.J. van der Heijden (1885-1941) uit 1933, Natuurlijke normen in het positieve recht, vormde een van de welsprekendste uitdrukkingen van het natuurrechtelijke gedachtegoed in juridisch Nederland. De Leidse hoogleraar in het Romeinse recht, J.C. van Oven (1881-1963), schreef in het Nederlands Juristenblad naar aanleiding van deze rede: ‘Ja, zoo komt ’t mij voor te zijn: het natuurrecht bestaat, maar onze menschelijke onvolmaaktheid staat zijn realisering in den weg.’19xJ.C. van Oven, ‘Het natuurrecht in eere hersteld’, NJB 1933, p. 593 e.v. (p. 598). Zie ook J. Charmont, La renaissance du droit naturel (1910), G. Renard, La valeur de loi (1928) en J. Dabin, La philosophie de l’ordre juridique positif (1929), besproken door Van der Heijden, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 1931, p. 450 e.v. In het eerste bestuur van de VWR was de Utrechtse hoogleraar in de wijsbegeerte en katholiek J.Th. Beysens (1864-1945) een vertegenwoordiger uit natuurrechtelijke hoek.20xZie over Beysens en zijn grote inspiratiebron Thomas van Aquino (1225-1274): Langemeijer, ‘De wijsbegeerte des rechts en de encyclopaedie der rechtswetenschap sedert 1880’, p. 52 e.v. De Nijmeegse hoogleraar W.J.A.J. Duynstee (1886-1968) schreef in 1929 een preadvies voor de VWR over het natuurrecht.

      Langemeijer gaf Van der Vlugt de ‘credits’ dat hij als een van de eersten in Nederland weer de belangrijke rechtsfilosofische vragen naar de maatstaf voor de deugdelijkheid van het recht en naar de grondslagen van de gelding van het recht aan de orde had gesteld.21xLangemeijer, ‘De wijsbegeerte des rechts en de encyclopaedie der rechtswetenschap sedert 1880’, p. 7. Over Van der Vlugt: p. 8 e.v. Van der Vlugt stond niet alleen. Kranenburg viel hem bij in zijn preadvies voor de VWR uit 1921. Hij schreef – zoals Van der Vlugt – dat velen de rechtsfilosofie als een ‘vrij onschuldige liefhebberij voor ietwat divageerende geesten’ beschouwden. Ook hij meende dat het denken over de grondslagen van het recht was vastgelopen in zuiver machtsdenken, in het opvatten van het feitelijke gebeuren als normatief, in het kijken naar alleen de feiten. De teloorgang van de rechtsfilosofie was in zijn opvatting dus eveneens te wijten aan het positivisme.22xR. Kranenburg, ‘De rechtsphilosophie en de juridische vakwetenschappen’, HVWR IV (1921), p. 6 e.v. Ten aanzien van de wijze waarop Van der Vlugt en Kranenburg de rechtsfilosofie nieuw leven wensten in te blazen, stonden zij echter lijnrecht tegenover elkaar. Van der Vlugt vond aansluiting bij de Kantianen van zijn tijd, in het bijzonder R. Stammler (1856-1938), Kranenburg verfijnde – in het voetspoor van zijn promotor Krabbe en de Groninger hoogleraar in de geschiedenis der wijsbegeerte, de logica, de metafysica en de zielkunde G. Heymans (1857-1930) – het positivistische denken langs de empirisch-inductieve methode.23xZie vooral W. van der Vlugt, ‘R. Stammler’, De Gids 1926-I, p. 173-200 en R. Kranenburg, De grondslagen der rechtswetenschap. Juridische kennisleer en methodologie, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1946. Zie C.J.H. Jansen, De wetenschappelijke beoefening van het burgerlijke recht tussen 1940 en 1992, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 72.

      Ook in de juridische tijdschriften was de herleving van de rechtsfilosofie merkbaar. De kolommen van Themis en het Rechtsgeleerd Magazijn bevatten vanaf 1900 regelmatig bijdragen op het gebied van de wijsbegeerte van het recht.24xBijv. G. Scholten, ‘Wijsgeerige en juridische rechtsbeschouwing’, RM 1917, p. 209 e.v.; J. Coert, ‘Algemeene rechtsbeginselen in de practijk’, RM 1921, p. 173 e.v.; H.J.G. Janssen van Raay, ‘Is het mogelijk beginselen van gerechtigheid te doen heerschen?’, RM 1923, p. 93 e.v.; J.J. von Schmid, ‘John Milton als staatsleeraar (1608-1674)’, RM 1928, p. 454 e.v.; J. de Louter, ‘Recht en gerechtigheid’, Themis 1913, p. 264 e.v. (een doorlopende kritiek op Stammler); B.C. de Savornin Lohman, ‘Theorie en werkelijkheid’, Themis 1917, p. 37 e.v.; D.G. Rengers Hora Siccama, ‘Het “Rechtsgezag” van Mr. H. Krabbe’, Themis 1918, p. 270 e.v.; N. de Beneditty, ‘Het recht en de maatschappelijke drang naar gerechtigheid’, Themis 1924, p. 1 e.v. In het Tijdschrift voor Strafrecht stonden eveneens de nodige beschouwingen over de grondslagen van het strafrecht. Uit deze stukken komt naar voren dat vooral Stammler de aandacht trok van de meeste Nederlandse rechtsfilosofen uit de eerste decennia van de twintigste eeuw.25xZie vorige noot. Zie ook Langemeijer, ‘De wijsbegeerte des rechts en de encyclopaedie der rechtswetenschap sedert 1880’, p. 73 e.v. Zie voor Paul Scholten op basis van een analyse van zijn collegedictaten: C.J.H. Jansen en E. Poortinga, ‘Het onderwijs in de rechtsfilosofie van Paul Scholten’, Recht en kritiek 19 (1993) 2, p. 191 e.v. Op 21 juni 1919 deelde Van der Vlugt mee dat het ledental van de VWR 195 bedroeg. Al spoedig drong zich de vraag op hoe dit aantal vast te houden. Opvallend was voorts de aantrekkingskracht van de VWR op internationale grootheden. Zij wist een aantal Duitstalige kopstukken naar Nederland te halen. Op 13 oktober 1922 sprak Rudolf Stammler – op dat moment emeritus hoogleraar – in Amsterdam over ‘Die Romantik im Recht’ en op 20 oktober in Den Haag over het ‘richtige Recht’. De bekende ‘Freirechtler’ Hermann Kantorowicz (1877-1940), hoogleraar in Freiburg, trad op 14 maart 1923 op in Amsterdam en op 17 maart 1923 in Den Haag over ‘Die Idee des freien Rechts’. Op 19 en 22 maart 1923 hield de in zijn tijd bekende Weense hoogleraar in de politieke economie, Othmar Spann (1878-1950), in de Handelshoogeschool te Rotterdam een lezing. Zijn voordrachten gingen over hetzelfde onderwerp: ‘Individualismus und Universalismus in ihrer methodischen Bedeutung für die Volkswirtschaftslehre’. Hans Kelsen (1881-1973) ten slotte sprak op 25 november 1931 over het soevereiniteitsbegrip. De vergaderingen in Den Haag vonden overigens plaats in de kleine zittingszaal van de Hoge Raad. Voor de oorlog bevonden zich regelmatig raadsheren uit dit college onder de bezoekers van de vergaderingen van de VWR, zoals B.C.J. Loder (1849-1935), H. Hesse (1855-1944), S. Gratama (1858-1923), L.E. Visser (1871-1942) en B.M. Taverne (1874-1944). Ook na de Tweede Wereldoorlog zou de VWR regelmatig vergaderen in de kleine zittingszaal van de Hoge Raad.

    • Onderwerpen voor preadviezen en voordrachten binnen de VWR voor WO II

      Gelet op de positiefrechtelijke achtergrond van veel leden van de VWR – onder te verdelen naar een strafrechtelijke, staatsrechtelijke en privaatrechtelijke belangstelling – kwamen hoofdzakelijk drie typen van onderwerpen ter sprake. Op staatsrechtelijk gebied was er veel aandacht voor soevereiniteit en staatsgezag, de houdbaarheid van de parlementaire democratie, politieke theorieën over staatsrecht, en dergelijke. Deze aandacht voor de grondslagen van het staatsrecht is niet verwonderlijk in een tijd waarin parlementaire democratieën onder druk stonden en waarin politieke bewegingen als het fascisme, het nationaalsocialisme en het communisme furore maakten. De traagheid van de wetgever en het gebrek aan vertrouwen in de democratie deden het staatsrecht in zijn voegen kraken. Hoe moest het Nederlandse staatsrecht omgaan met nieuwe begrippen en rechtsfiguren als volksovertuiging, rechtsbewustzijn, lekenrechters en volksraadplegingen? Ik verwijs bij wijze van voorbeeld naar preadviezen van Valckenier Kips over de staatsidee (1921), Ph. Kohnstamm (1875-1951) over democratie (1925), C.W. van der Pot (1880-1960) over het parlementarisme als staatsvorm (1925), Carp over tijdgeest en staatsrechtswetenschap (1926), F.G. Scheltema (1891-1939) over het begrip ‘positief recht’ in verband met de leer der rechtssoevereiniteit (1930), J. Valkhoff (1897-1975) over de wijsgerige grondslagen van de marxistische rechts- en staatsleer (1933) en P.W. Kamphuisen (1897-1961) over de rechtsstaat (1939).

      Op strafrechtelijk gebied stonden sinds de opkomst van de moderne richting in de jaren tachtig van de negentiende eeuw en de gestage groei van het autoritaire strafrecht vanaf het einde van de jaren twintig, het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw de grondslagen van het strafrecht en het straffen ter discussie. Ik geef twee voorbeelden van strafrechtelijke preadviezen: Polak over de fundering van het strafrecht (1921) en ‘Vergeldende gerechtigheid verbiedt de doodstraf’ (1928).

      Op privaatrechtelijk gebied was een belangrijk thema de inbreuk op de contractsvrijheid, de vrijheid van de eigenaar, de vrijheid van de ondernemer en dergelijke door het publiekrecht (in het bijzonder het bestuursrecht). De doordringing van het publiekrecht in het privaatrecht bracht een andere visie op het privaatrecht in zwang. Ik behandel kort de preadviezen op dit gebied in een zelfstandige paragraaf, omdat de doordringing van het publiekrecht in het privaatrecht tot in de moderne tijd doorloopt en het de beoefening van het privaatrecht ingrijpend heeft beïnvloed en beïnvloedt.26xZie W.H. van Boom, ‘De Nederlandse privaatrechtswetenschap en de wetgever (1992-2012)’, RegelMaat 2012 (27) 5, p. 280 en Jansen, De wetenschappelijke beoefening van het burgerlijke recht tussen 1940 en 1992, p. 35 e.v., 84 e.v. en 160.

      ‘Puur’ rechtsfilosofische onderwerpen van preadviezen waren tamelijk zeldzaam in de eerste periode van de VWR, bijvoorbeeld het al genoemde preadvies van Duynstee over het natuurrecht uit 1929 (waarin overigens Duynstee met klem de praktische waarde van het natuurrecht beklemtoonde27xUitgewerkt in W.J.A.J. Duynstee, Burgerlijk recht en zielzorg, eerste druk, ’s-Hertogenbosch: L.G.C. Malmberg 1919, vele drukken.), van Dooyeweerd over de bronnen van het stellig recht in het licht der wetsidee (1932) en het preadvies van de Belgische advocaat René Victor (1897-1984) over het wezen van het recht in 1935. Het meest opvallend is wellicht de grote belangstelling van beoefenaren van het positieve recht – geheel in overeenstemming met de doelstelling van de VWR – voor rechtsfilosofische vraagstukken.

    • De doordringing van het privaatrecht door het publiekrecht als thema binnen de VWR

      De snelle technologische ontwikkelingen, de crises waarin Nederland als gevolg van de Eerste Wereldoorlog en de inflatie van de jaren dertig verkeerde, de opkomst van massaconsumptie en massaproductie, nieuwe sociologische inzichten en dergelijke zorgden ervoor dat de wetgever op privaatrechtelijk gebied tekortschoot (met als twee uitzonderingen de Faillissementswet van 1893/1896 en de Wet op de arbeidsovereenkomst van 1907/1909). Ook de rechter had vaak het nakijken. Een uitzondering vormde het beroemde arrest-Lindenbaum/Cohen (1919) van de Hoge Raad.28xHR 31 januari 1919, NJ 1919, p. 161 e.v. en W. 1919/10.365 (met noot Molengraaff). Het college legde de individuele vrijheid op het gebied van de mededinging (de mogelijkheid tot onbeperkte concurrentie) aan banden ten behoeve van de belangen van de gemeenschap door de introductie van de formule ‘strijd met de goede zeden, de openbare orde en de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt’. De rechter kon echter de maatschappelijke en technologische ontwikkelingen vaak niet bijhouden. Er kwam daardoor steeds meer publiekrechtelijke wetgeving op privaatrechtelijk terrein die met behulp van bestuursrechtelijke instrumenten, zoals vergunningen en boetes, ingreep in het privaatrecht ten behoeve van de belangen van de gemeenschap. Een exemplarisch voorbeeld is de Geldschieterswet (1932), die met publiekrechtelijke sancties het privaatrechtelijke kwaad van de woeker te lijf ging.29xZie C.J.H. Jansen, ‘De Geldschieterswet van 28 januari 1932 (Stb. 19)’, NTBR 2015/6, p. 180 e.v.
      Een uitvloeisel van deze nieuwe regelgeving was dat in de jaren dertig van de vorige eeuw de liberale of individualistische visie op het recht werd verdrongen door een meer – wat men noemde – organische of universalistische opvatting. In laatstgenoemde zienswijze werd de gemeenschap belangrijker ten koste van het individu. Deze opvatting won overigens aan invloed op alle rechtsgebieden, ook op het gebied van het straf- en staatsrecht. Zo kwam het nulla poena- of legaliteitsbeginsel, dat een staatsvrij gebied aan het individu garandeerde, onder vuur te liggen. Van een recht van het individu om pas gestraft te worden als de bevoegdheid uitdrukkelijk bij wet aan de staat was toegekend, kon volgens aanhangers van de universalistische visie geen sprake zijn.30xC.J.H. Jansen, Doorgaan of stoppen? Enkele beschouwingen over recht en rechtsbeoefening in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2006, p. 1 e.v. (het gemeenschapsdenken in het recht in de jaren dertig). De nationaalsocialistische visie op het recht vormde een verabsolutering van de universalistische visie op het recht. Zij verwierp het nulla poena-beginsel. Het individu mocht op privaatrechtelijk gebied zijn subjectieve bevoegdheden alleen gebruiken ten gunste van de gemeenschap. Met een beroep op dit uitgangspunt werd de privaatautonomie (de contractsvrijheid, de eigendomsvrijheid en de vrijheid van de ondernemer) ingrijpend beperkt ten gunste van de collectiviteit.31xZie J. Valkhoff, Een eeuw rechtsontwikkeling. De vermaatschappelijking van het Nederlandse Privaatrecht sinds de codificatie (1838-1938), Amsterdam: De Arbeiderspers, 1938, p. 17 e.v. (De uitholling van de eigendom), p. 68-70, 240 e.v. Zie eveneens zijn rede Ontwikkeling van het eigendomsrecht in oorlogstijd, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink, 1945. Zoals M.J.C. Vrij het kort maar krachtig formuleerde in zijn beschouwing over de verbindende kracht van ondernemersovereenkomsten: ‘De strijd tusschen vrijheid en gebondenheid duurt voort.’ Ook op privaatrechtelijk gebied kwam meer en meer de nadruk te liggen op het belang van de gemeenschap of de ander, en vond er een steeds verdergaande doordringing plaats van het verbintenissenrecht met dwingende regels.32xM.J.C. Vrij, ‘De verbindende kracht van ondernemersovereenkomsten’, W. 1934/12776, p. 1-2. Vgl. eveneens J.C. van Oven, ‘Ondernemersovereenkomsten’, NJB 1934, p. 533 e.v. en N. de Beneditty, ‘De overeenkomst voorheen en in de toekomst’, NJB 1935, p. 445 e.v. Zie verder Corjo Jansen, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog. Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950, met medewerking van Derk Venema, Amsterdam: Boom 2011, p. 65-73. De sociale wetgeving, de Eerste Wereldoorlog en de crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw droegen daarmee sterk bij aan een andere conceptie van privaatrecht: minder vrijheid, meer gebondenheid. P. Scholten zag in 1925 de weerstand tegen gebondenheid die uitging van het wetsvoorstel op de naamloze vennootschappen (uiteindelijk in 1928 wet geworden en in 1929 in werking getreden) als een uitdrukking van de onvrede over de beperking van de bewegingsvrijheid die normaal gesproken op privaatrechtelijk gebied bestond. ‘Dit verschil in houding is stellig voor een groot deel gevolg van een wijziging in de publieke opinie in het algemeen, die door het te veel aan overheidsbemoeiing en dwingende regelen dat de oorlogstijd bracht, thans in reactie huiverig staat tegen iedere vrijheidsbeperking (…).’33xP. Scholten, ‘Nieuwe Geschriften over het Wetsontwerp op de Naamlooze Vennootschappen’, WPNR 1926/2966, p. 566 (linkerkolom). Binnen de VWR was er voor deze thematiek de nodige aandacht. Ik verwijs naar de preadviezen van G. Scholten over staatsbemoeiing en individuele vrijheid (1922), de voordrachten van G.J. Heering (1879-1955) en A.C. Josephus Jitta (1887-1958) over overheidsbevel en individueel geweten (1924) en ook het preadvies van Carp over tijdgeest en staatsrechtswetenschap (1926).34xZie ook N. de Beneditty, ‘Evolutie van de ‘autonome’ naar ‘heteronome’ overeenkomst?’, WPNR 1934/3379, p. 412 e.v. en 1934/3380, p. 433 e.v. en C.M.O. van Nispen tot Sevenaer, ‘Gemeenschapsrecht of de verrassende opgang van nieuwe rechtsbeschouwingen’, Themis 1935, p. 313 e.v.

    • Na de Tweede Wereldoorlog

      De Nederlandse regering in Londen had in april 1944 in een serie uitzendingen voor Radio Oranje uiteengezet welke plannen zij had voorbereid voor het tijdperk na de bevrijding. De maatregelen betroffen onder meer de berechting en de bestraffing van landverraders, de zuivering van de overheidsorganen (inclusief de rechterlijke macht), het rechtsherstel en allerlei kwesties van sociaal- en financieel-economische aard.35x‘Na de bevrijding’, VODOC 9 mei 1944, p. 1 e.v. Over het moeizame proces van bestraffing van landverraders P. Romijn, Snel, streng en rechtvaardig. Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van ‘foute’ Nederlanders 1945-1955 [1989]. De eerste jaren na de bevrijding stonden voor veel redacties van juridische tijdschriften en besturen van juridische verenigingen in het teken van het afleggen van verantwoording over het beleid tijdens de bezetting. Het bestuur van de VWR was op 30 september 1939 nog van oordeel geweest dat er voor de Vereeniging (weer) een bijzondere taak was weggelegd, omdat recht en gerechtigheid zo veel leden. De VWR heeft in januari 1941 haar activiteiten gestaakt. Zij was daarmee een van de eerste juridische verenigingen – naast bijvoorbeeld de Nederlandse Juristen-Vereniging – die weigerde te dansen naar de wensen van de bezetter (zoals het verlenen van medewerking aan het weren van Joodse leden van vergaderingen of het weren van Joodse preadviseurs). Vooral de redacties van de juridische tijdschriften, zoals het NJB, het WPNR en RM Themis, hebben pas diep in de oorlog besloten op te houden te verschijnen. De VWR verloor in de oorlog een tiental leden, onder wie de Joodse juristen De Beneditty en Polak en de strijdvaardige Leidse hoogleraar Telders. Zij werden kort herdacht. De VWR herleefde weer in oktober 1945, onder meer dankzij een legaat van duizend gulden van de bioloog, filosoof en privaatgeleerde te Leiden, C.J. Wijnaendts Francken (1863-1944).36xNotulen van de (dagelijkse) Bestuursvergaderingen van de VWR, 27 oktober 1945. C.M.O. van Nispen van Sevenaer heeft in 1947 nog een preadvies geschreven over het gezag van de Duitse bezetter en de rechtswaarde van zijn verordeningen. Zie al zijn eerdere geschrift: Waarom de Hooge Raad faalde. Een beschouwing naar aanleiding van Mr. van den Dries’ pleidooi voor de ‘Hooge Raad tijdens de bezetting’ [1945]. Van Nispen hekelde het feit dat de Hoge Raad de maatregelen van de bezetter had gekwalificeerd als een wet (in formele zin). De bezetter was weliswaar op grond van het Landoorlogreglement (1907) bevoegd tot regelgeving, maar de Hoge Raad had zich (zij het beperkt) toetsingsbevoegd moeten verklaren.

      Voorzitter Kranenburg hield op de eerste vergadering in 1946 een bewogen verhaal. Hij sprak over de betekenis van de rechtsfilosofie voor zijn tijd. Zijn betoog kwam – evenals dat van twee decennia daarvoor – neer op een veroordeling van het positivisme.

      ‘Wel nimmer toch is de zelf-verzekerdheid van het zuivere positivisme zóó aan het wankelen gebracht als thans; wel nimmer is het zich terugtrekken op eigen positiefrechtelijk terrein voor de beoefenaars zóó onbevredigend geweest als in het huidige tijdsgewricht.’37xR. Kranenburg, HVWR XXVIII 1946 (tweede gedeelte), p. 4. De suggestie van Kranenburg overigens dat het rechtspositivisme (met zijn blinde wetaanbidding) verantwoordelijk was voor de verloedering van de Duitse rechtsstaat, klopt niet. Zie B. Rüthers, Die unbegrenzte Auslegung. Zum Wandel der Privatrechtsordnung im Nationalsozialismus, 1. Aufl., Heidelberg: C.F. Müller Juristischer Verlag 1968.

      Daarnaast verwees hij Stammlers ‘Lehre von dem richtigen Rechte’ naar de prullenmand. Diens grote fout was dat hij een onbruikbare methodologie had omarmd door de verwerping van de empirie. De enige theorie die de vraag kon beantwoorden of het positieve recht een ‘richtig’ middel tot het ‘gerechte’ doel was, was Kranenburgs leer met betrekking tot de wetmatigheid van het rechtsbewustzijn. De maatstaf voor rechtvaardig recht vroeg niet om een waardering uit de waarneming zonder meer, een a-priorimaatstaf (zoals in het natuurrecht) of een analytisch oordeel, maar om de aanvaarding van het evenredigheidspostulaat. De menselijke psyche reageerde op de verschijnselen in de werkelijkheid volgens het richtinggevende element in onze geest, het evenredigheidsbeginsel. Dat luidde als volgt:

      ‘Elk lid der rechtsgemeenschap is ten aanzien der verdeeling van de voorwaarden voor lust en onlust gelijk en gelijkwaardig, voor zoover hij niet zelve de voorwaarden voor het ontstaan voor bizonderen lust en onlust heeft geschapen; zooveel lust en onlust, als waarvoor elk de voorwaarden heeft gecreëerd, komen aan hem toe.’38xKranenburg, HVWR XXVIII 1946 (tweede gedeelte), p. 6-10. Zie al eerder R. Kranenburg, Positief recht en rechtsbewustzijn, Groningen: J.B. Wolters 1912, p. 84 en Kranenburg, De grondslagen der rechtswetenschap, vijfde druk (1955), p. 14 e.v. (p. 23).

      De VWR begon aan haar tweede leven. Dat leven leek in een aantal opzichten op het eerste, maar toch waren er enkele grote verschillen aan te wijzen met de beginperiode van de VWR. De wens van de oprichters om de rechtspraktijk bij de activiteiten van de VWR te betrekken, leek zo goed als prijsgegeven. De rechtsfilosofie voer een eigen koers ten opzichte van de ontwikkelingen in het positieve recht. De onderwerpen voor de preadviezen werden daarmee steeds meer (rechts)filosofisch en meer beschouwelijk van aard. De sociologie en psychologie kregen weinig aandacht meer. Privaatrechttheoretische onderwerpen werden zeldzaam (een schaars voorbeeld was het preadvies van Duynstee en G. Verburg over misbruik van recht door de burgerlijke eigenaar) en strafrechtstheoretische preadviezen verdwenen eveneens bijna helemaal uit beeld (zie nog het preadvies van G.E. Mulder over strafrechtelijke schuld in 1968). Onderwerpen voor preadviezen waren bijvoorbeeld Ethische rechtstheorie (1948), Ethiek en recht (1949), Het gezag van het recht tegenover de macht van het onrecht (1951), de bruikbaarheid van de zogenaamde empirisch analytische methode voor de rechtswetenschap (1959/1960), de waarde van de Grondwet (1962), recht en logica (1964) en rechtsvinding (1965). De VWR raakte in het begin van de jaren zestig in een kommervol bestaan. Aan het einde van de jaren zestig veranderde dat echter bijna radicaal. Toen startte het derde leven van de VWR.

    • Nieuwe bloei van de VWR: de start van het Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie in 1972

      1968 was niet alleen het jaar van het halve eeuwfeest van de VWR, maar ook het begin van onrust en rumoer op de universiteiten (de zogeheten studentenrevolte of ‘de gebeurtenissen van mei 1968’) en de aankondiging van een ‘revolutie’ in de wetenschap, kunsten (muziek, toneel) en politiek. De bloei van de VWR aan het einde van de jaren zestig van de vorige eeuw hing dus sterk samen met de talloze veranderingen in de samenleving, de politiek, de kunstwereld, de universiteiten, et cetera uit die tijd. De traditionele gezagsdragers, van overheid tot kerk en van burgemeester tot professor, verloren hun gezag. Het waren echter niet alleen tijden van revolte, maar – zoals op het moment van de oprichting van de VWR – tegelijkertijd ook tijden van bezinning op de grondslagen en het ‘wezen’ van het recht. De wereld – inclusief de wereld van het recht – moest ‘beter’ worden. R.A.V. baron van Haersolte (1919-2002) sprak in zijn preadvies voor de VWR uit 1970 over een nieuw rechtstheoretisch klimaat. De voornaamste aanjagers van de nieuwe ontwikkelingen in de rechtsfilosofie waren J.F. Glastra van Loon (1920-2001), hoogleraar, partijvoorzitter, staatssecretaris en senator namens D66, en J. ter Heide (1923-1988), hoogleraar in Rotterdam.39xZie voor aan analyse van het werk van deze beide rechtsfilosofen de dissertatie van F.J.C. van Ree, Over het vrije verkeer tussen individu, maatschappij en staat. Een analyse van de functionele rechtsopvattingen van J.F. Glastra van Loon en J. ter Heide (1998). Over Ter Heide: H. Franken, ‘J. ter Heide (1923-1988)’, in: C.J.H. Jansen, J.M. Smits en L.C. Winkel (red.), 16 juristen en hun filosofische inspiratie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2004, p. 213 e.v. Samen met G.E. Langemeijer (1903-1990), de nestor onder de rechtsfilosofen, van 1947 tot 1957 advocaat-generaal en van 1957 tot 1973 procureur-generaal bij de Hoge Raad, hoogleraar te Leiden (1946-1958) en later te Amsterdam (1960-1977),40xZie over hem: C.W. Maris van Sandelingenambacht, ‘G.E. Langemeijer (1903-1990)’, 16 juristen en hun filosofische inspiratie, p. 155 e.v. een generatie ouder dan Glastra van Loon en Ter Heide, vormden zij het gezicht van rechtsfilosofisch Nederland. Als een van de weinige rechtsfilosofen van zijn generatie was Langemeijer nog in staat om overtuigend een brug te slaan tussen de wijsbegeerte van het recht en de rechtspraktijk (en het positieve recht).41xZie G.E. Langemeijer, De gerechtigheid in ons burgerlijk vermogensrecht, eerste druk, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1976 (als studiepocket privaatrecht, nr. 14). Vgl. G.E. Langemeijer, Inleiding tot de studie van de wijsbegeerte des rechts, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1956.

      De Handelingen van de VWR lieten in 1972 het leven. Zij waren van 1919 tot 1927 en van 1933 tot 1939 bij wisselende uitgeverijen verschenen. In de tussenperiode publiceerde na aandrang van Leo Polak het tijdschrift Mensch en Maatschappij de preadviezen. Hij schreef hierover het volgende:

      ‘Tweeledig en tweezijdig voordeel zagen Red. en Bestuur in deze vaste band tussen Tijdschrift en Vereniging. Vooreerst de waarschijnlikheid, dat daardoor ook in “M. en Mij.” de wijsbegeerte van het recht beter tot haar recht zal komen, dan tot dusver (…) mogelik is geweest, wat zowel aan het tijdschrift als aan de wetenschap ten goede zal komen. Vervolgens de tans geschapen gelegenheid, aan de Vereniging en haar arbeid – en daardoor weder aan de rechtsfilosofie – meer bekendheid en invloed in ons land te verschaffen. Haar “Handelingen” toch (…) waren tot nog toe een vrijwel dood materiaal (…).’42xDe ondertitel van Mensch en Maatschappij luidde: Driemaandelijksch tijdschrift voor anthropologie, psychologie, erfelijkheidsleer (…), ethiek en rechtsfilosofie. Zie L. Polak, ‘Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts’, Mensch en Maatschappij 3 (1927), p. 257. Uitgeverij Noordhoff van Mensch en Maatschappij vroeg in 1933 echter zo veel geld voor een nieuw contract dat de VWR de banden met de uitgeverij verbrak.

      In de plaats van de Handelingen van de VWR kwam een tijdschrift: Wijsbegeerte des Rechts en Rechtstheorie, een jaar later Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie geheten. Aanvankelijk luidde de ondertitel van het blad: 4-Maandelijks tijdschrift van de Vereniging voor Wijsbegeerte des Rechts. Die ondertitel werd later: ‘tevens orgaan van de Vereniging voor Wijsbegeerte van het Recht’.43xDe uitgeverij van de Handelingen van de VWR vanaf 1946 en van het nieuwe tijdschrift was W.E.J. Tjeenk Willink in Zwolle. De VWR had in 1983 vierhonderd leden, het aantal abonnees op het Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie was in hetzelfde jaar ruim zevenhonderd. De overgang van Handelingen naar een tijdschrift was dus succesvol verlopen. Zie voor de cijfers: H.Ph. Visser ’t Hooft, ‘Over rechtsfilosofie in de jaren zeventig’, Recente rechtsontwikkelingen (1970-1980), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1983, p. 141. Een tijdschrift deed meer recht aan de opgebloeide belangstelling voor de rechtsfilosofie. Langemeijer schreef daarover in een ‘Ter introductie’ bij het nieuwe blad. Hij opende zijn beschouwingen als volgt:

      ‘Rechtsfilosofie en rechtstheorie, met hun grensgebieden onderling en naar buiten – rechtssociologie, jurimetrie e tutti quanti – genieten thans een belangstelling, die duidelijk vele malen groter is dan nog slechts een tiental jaren geleden het geval was. De Vereniging voor de Wijsbegeerte des Rechts trekt sinds enkele jaren op haar vergaderingen een veelvoud van het aantal bezoekers waaraan men nog kort geleden gewoon was. (…) Dat dit alles tevens een sterke impuls ondervindt van beklemmende maar boeiende tijdsomstandigheden en een daarmee ook weer samenhangende alles omwoelende tijdgeest behoeft wel niet te worden gezegd.’44xG.E. Langemeijer, ‘Ter introductie’, Wijsbegeerte des Rechts en Rechtstheorie 1 (1972), p. 1. De redacteuren van het nieuwe tijdschrift waren Glastra van Loon, Van Haersolte, Ter Heide en Langemeijer.

      In dit nieuwe tijdschrift kwam een nieuwe rubriek ‘Handelingen’, die de preadviezen van de VWR zou gaan bevatten. Redacteuren van het tijdschrift hoefden niet noodzakelijkerwijs bestuursleden van de VWR te zijn. De tijd was volgens Langemeijer rijp voor een gespecialiseerde periodiek. Dit opende mogelijkheden voor een verdere groei en bloei van de rechtsfilosofie. Volgens Langemeijer hadden de bestaande tijdschriften meer dan voldoende aanbod van juridische artikelen. Artikelen van rechtsfilosofische of rechtstheoretische strekking bleven daardoor wel eens lang liggen. Praktijkjuristen betwistten bovendien hun plaats in de positiefrechtelijke bladen (of deze bewering juist is, is lastig te achterhalen). Dit rechtvaardigde naar zijn mening de oprichting van een nieuwe periodiek. De rechtsfilosofie en aanverwante terreinen kregen zo een ruimere gelegenheid zich te uiten, ‘juist nu zij in een fase van hun ontwikkelingsgang verkeerden, waarin het kan lijken of zij aan de juristen in het algemeen minder te bieden hebben dan zij vroeger wel pretendeerden, of zij hem meer zekerheden ontnemen dan verschaffen’.45xLangemeijer, ‘Ter introductie’, p. 2. Langemeijer schreef in 1983 – vooruitkijkend naar het pas net begonnen laatste kwart van de twintigste eeuw – over het succes van het toen voorbije decennium van de jaren zeventig:

      ‘De Vereniging voor Wijsbegeerte des Rechts is in de tijd waarover ik schrijf in ledental sterk toegenomen. Zij is een eigen tijdschrift gaan uitgeven, Rechtsfilosofie en Rechtstheorie, dat aan kopij van hoog gehalte geen tekort heeft, en waarnaast een nog iets jongere periodiek, Recht en Kritiek, met ere althans voor een deel hetzelfde terrein bestrijkt.’46xG.E. Langemeijer, ‘Rechtsbeschouwing in Nederland in het laatste kwart van de twintigste eeuw’, in: J.M. Polak (red.), Vooruitzichten van de rechtswetenschap/2, Deventer: Kluwer 1983, p. 9.

      Het door Langemeijer ‘met ere’ vermelde Recht en kritiek was opgericht in 1975. Het blad had aanvankelijk een uitgesproken polemisch karakter en een progressief-‘linkse’ kleur (behept met een groot ‘engagement’ met sociaal en politiek ‘misdeelden’). Het richtte zich vooral op de maatschappijkritische (‘kritiese’), ideologische en politieke context van het recht. Recht & kritiek ruimde plaats in voor marxistische (‘marxistiese’) en anarchistische stromingen in het recht, maar ook voor de ideeën van de Frankfurter Schule en het ‘strukturalisme’.47xZie Langemeijer, ‘Rechtsbeschouwing in Nederland in het laatste kwart van de twintigste eeuw’, p. 8-12. Tijden veranderen. Geestig is bijvoorbeeld dat Jos Silvis als redacteur van Recht en kritiek in 1984 zijn onverbloemde afkeer van ‘la société d’admiration mutuelle’ onder juristen niet onder stoelen of banken stak en zelfs voelde voor een ‘Rogues gallery’ (een serie van juridische boevenportretten), terwijl hij thans als procureur-generaal bij de Hoge Raad bij de installatie van een raadsheer in dit college zonder gêne minutenlang de loftrompet afsteekt over iedere nieuw benoemde raadsheer.48xJ. Silvis, ‘Redaktioneel. La société d’admiration mutuelle’, Recht en kritiek 10 (1984) 4, p. 363. 1987 was het geboortejaar van de zustervereniging van de VWR: de Vereniging voor de Sociaal-Wetenschappelijke Bestudering van het Recht (VSR). Het orgaan van deze vereniging is Recht der Werkelijkheid, een verwijzing naar de in 1910 gehouden oratie van de Amsterdamse hoogleraar I.H. Hijmans (1869-1937). Dit blad beschouwt zich als een interdisciplinair forum voor reflectie op het gebied van de rechtssociologie, bestuurskunde, rechtseconomie en rechtspsychologie.

      Op 6 oktober 1977 liet de VWR het doel van de vereniging in de Statuten omschrijven als de beoefening van de Wijsbegeerte van het recht en de rechtstheorie. Daarmee liet zij de bestudering van het maatschappelijke leven (de sociologie en de Wirtschaftstheorie) – anders dan het Duitse zusterblad Rechtstheorie. Zeitschrift für Logik, Methodenlehre, Kybernetik und Soziologie (opgericht in 1970) – als studieobject los. De focus viel op de rechtsfilosofie en rechtstheorie in de breedste zin van het woord. Binnen de VWR bleef aandacht bestaan voor de staatstheorie en de algemene staatsleer. De strafrechttheorie vocht zich terug in de belangstelling. Preadviezen over privaatrechttheoretische onderwerpen waren – zoals eerder al gezegd – verdwenen (op één uitzondering na: de adviezen uit 1974 en 1984 over de aard en de methoden van de rechtsdogmatiek). Wetenschapsleer en argumentatietheorie (logica en taal), internationale juridische ontwikkelingen, de rechtsmethodologie, het rechterlijke redeneren, de functionele rechtsleer, Hegel, rationaliteit, systeemtheorie, recht en ethiek en dergelijke waren nieuwe onderwerpen. Zij trokken (opnieuw) gedurende een paar decennia een groter ‘publiek’ dan alleen rechtsfilosofen en rechtstheoretici, zoals eveneens in de beginperiode van de VWR het geval is geweest.49xIk geef slechts een (onvolledige) opsomming van juristen die betrokken waren bij de VWR en haar blad (als lid van de redactieraad en de Vereniging, als schrijver): I. Kisch, J.J.M. van der Ven, A. Heijder, E.H. ’s Jacob, A.P.J. Tammes, J.C.M. Leijten, H.U. Jessurun d’Oliveira, M.C. Burkens, T. Koopmans, J.M. van Dunné, J. van Schellen en H.C.F. Schoordijk (daarnaast ook de Belgische hoogleraar W. van Gerven). Over Kisch: L.C. Winkel, ‘I. Kisch (1905-1980)’, 16 juristen en hun filosofische inspiratie, p. 173 e.v. Vader H. Winkel (1909-1986) had grote belangstelling voor de rechtsfilosofie: Zie ‘Revolutie en rechtswetenschap’, Themis 1935, p. 373 e.v. en ‘Existentie als rechtsfiguur, Themis 1938, p. 151 e.v. en zijn VWR-preadvies ‘Vrijheid en gelijkheid door broederschap’ (1948). Over hem: L.C. Winkel, Pro Memorie 18.1 (2016), p. 106-109. De motor achter de belangstelling van positiefrechtelijk ingestelde juristen was vaak het thema van de rechtsvinding.50xJ.H. Nieuwenhuis, ‘Legitimatie en heuristiek van het rechterlijk oordeel’, RM Themis 1976/6, p. 494 e.v. Zie vooral echter deel 2.2. in: ‘Een beeld van recht’, Ars Aequi 28 (1979) 11, p. 637 e.v., 647-649 en 819 e.v. (met aandacht voor de hermeneutiek, argumentatieleer, de rationaliteit van het rechterlijke beslissingsproces, e.d.). J. ter Heide schreef aan het begin van zijn carrière in Ars Aequi (16 (1967) 1) het veel opzien barende artikel ‘Iudex Viator’. Katholieke filosofen zoals Van der Ven, D.F. Scheltens (1919-2009) en W.A.M. Luijpen (1922-1980), maar ook een protestants-christelijke denker als H.J. Eikema Hommes (1930-1984), bleven natuurrechtelijk geïnspireerd. In het werk van de katholieke hoogleraren stond vooral het gezichtspunt van de menselijke waardigheid centraal.

    • VWR en de universitaire leeropdrachten

      Vanaf de jaren zeventig van de twintigste eeuw gingen universiteiten er steeds vaker toe over de rechtsfilosofie (soms samen met de rechtsmethodologie of een verwant vakgebied) tot een aparte leeropdracht (met een eigen staf van medewerkers) te maken. Dit gold bijvoorbeeld voor Glastra van Loon, Van Haersolte, Eikema Hommes en H.Ph. Visser ’t Hooft (geb. 1930). Dit was een verschil met de beginjaren van de VWR. Tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw behoorde de rechtsfilosofie meestal tot de leeropdracht van een hoogleraar die als hoofdtaak had het doceren van een positiefrechtelijk vak. In Utrecht bijvoorbeeld was de rechtsfilosofie toevertrouwd aan J. de Louter (1847-1932) en De Savornin Lohman. De eerste was hoogleraar in het staats-, bestuurs- en volkenrecht (tot 1912), de tweede in het staats- en bestuursrecht (van 1912 tot 1942).51xRengers Hora Siccama mocht vanaf 1919/1920 naast de encyclopedie van het recht en het oudvaderlands recht doceren over de wijsbegeerte des rechts, in het bijzonder de algemene rechtsleer. De Savornin Lohman kon zich daardoor beperken tot de algemene staatsleer. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de hoogleraar in het arbeidsrecht, J.J.M. van der Ven (1907-1988), de rechtsfilosofie in zijn leeropdracht. Aan de Gemeentelijke Universiteit Amsterdam was de wijsbegeerte van het recht aanvankelijk toevertrouwd aan Struycken, hoogleraar in het staats- en bestuursrecht. Hij zag het als zijn taak tijdens de colleges de filosofische wortels van ‘praktische’ vragen bloot te leggen, hopend ‘de dorre en afgetrokken stof’ zo aantrekkelijk te maken voor studenten.52xOntleend aan de Almanak van het Amsterdamsch Studenten-Corps (soms ook de Amsterdamsche Studenten-Almanak). Struyckens opvolger in de rechtsfilosofie was Paul Scholten, die eerst en vooral hoogleraar in het burgerlijk recht was. In Groningen waren de hoogleraren in het strafrecht, J. Domela Nieuwenhuis (1836-1924), J. Simon van der Aa (1861-1944) en M.P. Vrij (1895-1955), belast met de wijsbegeerte van het recht. Voor al de genoemden hingen de wetenschappelijke studie naar en het onderwijs in de wijsbegeerte van het recht nauw samen met de maatschappelijke, politieke of sociale problemen die speelden op hun vakgebied, zoals het arbeidersvraagstuk, de oorzaken van misdadigheid en de grondslag van straffen, de grenzen aan de staatsbemoeiing en het wezen van het staatsgezag. Dat de oorspronkelijke Statuten van de VWR rechtsfilosofie en maatschappelijk leven in één adem noemden, was dus niet zo opmerkelijk. Vanaf het einde van de jaren zestig van de twintigste eeuw verdween langzaam maar zeker de ruime (mede op het positieve recht betrokken) belangstellingssfeer van de VWR.53xOok het aantal hoogleraren met een positiefrechtelijke leeropdracht dat zich betrokken voelde bij de VWR, verminderde vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw. Uitzonderingen waren E.M.H. Hirsch Ballin, S.W. Couwenberg, H. Franken, J.L.M. Elders en de al genoemde J.M. van Dunné. De filosofie en de methodologie drukten steeds meer hun stempel op de beoefening van de rechtsfilosofie. Dit had veel te maken met de specialisatie die zich in deze periode aan de universiteiten voltrok. Zij had op haar beurt consequenties voor de werkzaamheden van de VWR.

    • Preadviezen van de VWR na de jaren zeventig54xIn de loop van de jaren tachtig van de vorige eeuw liet het bestuur van de VWR coreferaten houden bij de preadviezen om het debat op gang te helpen.

      Een aantal lange lijnen ten aanzien van de keuze van onderwerpen voor een preadvies bleef vanaf de oprichting van de VWR tot diep in de twintigste eeuw zichtbaar.55xIk heb de preadviezen van na 2000 niet meer in mijn beschouwingen betrokken. De schrijvers ervan leven (meestal) nog en een rechtshistoricus moet grenzen trekken. De vernieuwing van het staatsrecht en de doordenking van de grondslagen van het staatsgezag keerden regelmatig terug op de agenda van de VWR. Ik wijs op preadviezen over Friedrich Hayeks opvatting van het liberalisme van zijn tijd (1981), de vraag hoe ver de staat kan gaan met het sturen van de samenleving (1983), de oorsprong en het doel van het constitutionele recht (1986), rechtsbeginselen en constitutionele rechtsvorming (1987), de reikwijdte van grondrechten (1977 en 1992), legaliteit en legitimiteit bij Carl Schmitt en Hans Kelsen (1996) en de vraag of de vrijheid van meningsuiting een grondrecht is (1997). Ook was er in 1986 met de preadviezen over de grondslagen van het recht van de Europese Gemeenschappen en de grondslagen van het Europees economisch recht enige aandacht voor de opkomst van Europa als ‘staat’ naast de Europese natiestaten. De strafrechttheorie verdween evenmin uit beeld bij de VWR, zie de preadviezen over het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid (1980), sanctiedifferentiatie in het strafrecht (1984), categorische beginselen van strafrecht (1991) en het slachtofferschap en de legitimatie van het recht (1998). Beschouwingen van en over de Neo-Utrechtse school op het gebied van het strafrecht (onder aanvoering van de Utrechtse hoogleraar A.A.G. Peters (1936-1994)) – met zijn hameren op de rechtspositie van de verdachte in het strafproces en de rechtspositie van de gedetineerde – stonden overigens vooral in het maatschappijkritische blad Recht en kritiek.

      Een van de steeds terugkerende onderwerpen van de VWR betrof de grondslag en de inhoud van het natuurrecht. Zelfs in jaren tachtig van de vorige eeuw en later raakte het niet buiten beeld (1985; 1998 (met een pleidooi van Westerman om het natuurrecht eindelijk maar eens uit het (rechts)filosofische discours te schrappen) en 1999). Ook de aandacht voor de relatie tussen recht en ethiek was een constante (1985; 1988 en 1993). Nieuwe filosofische stromingen werden eveneens onderwerp van preadvies, zoals hermeneutiek en rechtswetenschap (1980), systeemtheorie en rechtswetenschap (1982) en het kritisch instrumentalisme (1996). Ten slotte was er aandacht voor de rechtstheorie en de rechtsvinding (rechtspraak en rationaliteit, 1982; recht en dialectiek, 1985; over coherentie in het recht, 1992 en de rol van juridische begrippen, 1994).

      In de jaren tachtig van de vorige eeuw trad een nieuwe generatie van rechtsfilosofen en theoretici aan.56xIk noem namen als A. Soeteman, C.W. Maris, R. Foqué, G. van Roermund, Th. Mertens, P.W. Brouwer, M.A. Loth, P.B. Cliteur en P. Westerman. Een deel van hen is nog actief. Vooral academici, leden van de universitaire staven (rechts)filosofie, rechtstheorie, encyclopedie en inleiding tot het recht, werden in de eenentwintigste eeuw actief betrokkenen bij de VWR. Het bestuur van de vereniging was al gedurende enige decennia anders samengesteld dan de redactie van het Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie. Het tijdschrift gold – nog steeds – als het orgaan van de VWR, maar het was uitgegroeid tot een volwaardig wetenschappelijk publicatieorgaan. In 2007 constateerde de Tilburgse hoogleraar M. Adams, op dat moment voorzitter van de redactie van het Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie, dat het profiel van het blad ‘aan het veranderen is’. Hij schreef dat bij het publiek wellicht de gedachte had postgevat dat het tijdschrift meer en meer gevuld werd met bijdragen voor een incrowd. Een van de leden van de redactieraad haastte zich dit gevoelen te ontkennen. De redactie wilde uitdrukkelijk kiezen voor meer algemene bijdragen over de grondslagen van het recht alsook voor gespecialiseerde rechtsfilosofische stukken. De naam van het blad ging luiden zoals het in de volksmond al heette: Rechtsfilosofie en Rechtstheorie (R & R).57xMet mede als doel het creëren van een opening voor Nederlandstalige Belgische vakgenoten. De redactie wilde met het openstellen van het blad voor een ruimer, eveneens Belgisch lezerspubliek – een enigszins curieuze mededeling – niets afdoen aan de kwaliteit van het blad.58xM. Adams, ‘Voorwoord’, R & R 2007 (36) 1, p. 3-4. Hetzelfde gevoel dat Adams beschreef ten aanzien van de bijdragen aan R & R gold ook voor de preadviezen van de VWR.59xZie M. Hildebrandt, ‘Internationalisering en naamsverandering’, NJLP 2012 (41) 1, p. 3. Een eerste Engelstalige aflevering (issue) van R & R verscheen overigens al in 1994 (afl. 3) met als titel: Law, Rhetoric and Literature (met als drijvende kracht W.J. Witteveen) en niet, zoals de redactie in 2012 meldt, in 2006. Leden van de VWR waren in de twintigste eeuw al betrokken bij de International Association of the Philosophy of Law and Social Philosophy (IVR), opgericht onder Duitse naam in 1909. De VWR is bovendien een ondervereniging van de Algemene Nederlandse Vereniging voor Wijsbegeerte.

      In 2012 volgde opnieuw een naamsverandering: R & R werd Netherlands Journal of Legal Philosophy (NJLP). De naamsverandering was een weerspiegeling van de voortschrijdende internationalisering van het tijdschrift, ingezet door H. Lindahl. Het gevolg hiervan was geweest dat de band van het tijdschrift met de VWR steeds ‘losser’ werd. De internationale ambities werden – samen met het gebrek aan voldoende goede kopij – al snel de opmaat voor een fundamentele discussie over de koers van het tijdschrift en de VWR. Ik stip dit debat uit 2015/2016 slechts kort aan. Het volgende dilemma vormde mijns inziens de kern van deze discussie: voortgaan op de weg van de internationalisering (met een internationale redactie van het tijdschrift en een systeem van double blind peer review) of (weer) relevanter willen worden voor de nationale rechtswetenschap en rechtspraktijk en daarmee voor de brede achterban van de VWR. Eensgezindheid was ver te zoeken (maar misschien is dat wel kenmerkend voor de rechtsfilosofie). De redactie van de NJLP wenste het geschetste dilemma op te lossen door te kiezen voor de uitgave van twee tijdschriften: een internationaal peer reviewed periodiek en een nationaal, Nederlandstalig blad. Een aantal bestuursleden van de VWR bedacht een alternatief plan. Het tijdschrift moest elk jaar een speciale aflevering publiceren. Het ene jaar diende deze aflevering een Engelstalig issue te zijn met internationale thema’s en buitenlandstalige, hoog aangeschreven auteurs, het andere jaar behoorde zij de vorm te hebben van een Nederlandstalig themanummer dat ook interessant was voor de nationale rechtswetenschap en voor praktijkjuristen. Naast de speciale aflevering moest er jaarlijks een regulier nummer verschijnen. In 2016 heeft de meerderheid van de leden van de VWR dit laatste plan aanvaard.60xVoor de discussie over de koers: http://www.verenigingrechtsfilosofie.nl/toekomst-njlp/.

    • Slot

      De geschiedenis van de VWR is een boeiende. Zij vormt in hoofdlijnen een spiegel van de ontwikkelingen binnen de rechtsfilosofie zelf. De vooral Duitse oriëntatie van de VWR en van de rechtsfilosofie uit haar beginperiode is verdwenen en vervangen door een grotendeels Engelse (of Anglo-Amerikaanse). De VWR is vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw de band met de rechtspraktijk langzamerhand kwijtgeraakt. Zij heeft in 2016 besloten die weer te herstellen, onder meer door publicatie van Nederlandse themanummers van NJLP. Zo ging in 2017 de zomervergadering van de VWR over het strafrecht. Het is te vroeg om te beoordelen of de VWR in haar opzet zal slagen. De specialisatie is zowel binnen de VWR als binnen de rechtsfilosofie ver voortgeschreden. Beoefenaren van het positieve recht, die eveneens de rechtsfilosofie op hoog niveau beoefenen, zijn zeldzaam geworden.61xDit blijft een valkuil voor de VWR: zij moet niet te veel navel staren en zich niet al te zeer richten tot een incrowd. De internationale oriëntatie binnen de VWR en binnen de rechtsfilosofie is nog sterker geworden dan zij al was bij haar oprichting.
      De twee tijdschriften die de NJLP voorafgingen (Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie en R & R), waren uitgegroeid tot meer dan alleen het publicatieorgaan van de Handelingen van de VWR. De komst van de NJLP heeft dat niet veranderd. De expliciete doelstelling van de VWR is in de afgelopen eeuw onverminderd dezelfde gebleven: de beoefening van de ‘wijsbegeerte des rechts’. De impliciete doelstelling van de VWR heeft tijdens de afgelopen eeuw wel eens ter discussie gestaan, maar zij leefde en leeft onder vele leden onverminderd voort: het uitdagen van juristen na te denken over de grondslagen van het recht. De VWR mag wat mij betreft trouw blijven aan haar oorspronkelijke doelstellingen!

    Noten

    • * Corjo Jansen schreef in 1995 naar aanleiding van het 75-jarig bestaan van de Vereniging: ‘De oprichting van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts in historisch perspectief’, in: Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie & Rechtstheorie 1995/1, p. 26 e.v. Hij maakt in deze bijdrage gebruik van resultaten uit dit eerder verschenen artikel.
    • 1 Zie P. Moeyes, Buiten schot. Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog 1914-1918, geheel herziene en uitgebreide editie, Utrecht/Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers 2014.

    • 2 E.M. Meijers en P. Scholten, ‘Het recht tegenover de huidige crisis’, WPNR 1914/2330, p. 389-390.

    • 3 [D. Simons], ‘Na twee jaar’, W. 1916/9965, p. 1. Zie C.J.H. Jansen, ‘De impact van de Eerste Wereldoorlog op het Nederlandse privaatrecht’, NJB 2014, p. 1491 e.v. en W.H. van Boom, ‘The Great War and Dutch Contract Law – resistance, responsiveness and neutrality’, Comparative Legal History 2014 (2) 2, p. 303 e.v.

    • 4 Wetten van 3 Augustus 1914 (Stb. 344) en 31 December 1915 (Stb. 532 en 533); Wet van 22 Februari 1917, ter vaststelling in de tegenwoordige buitengewone omstandigheden van bepalingen in het belang van eene meer afdoende beteugeling van den smokkelhandel (Stb. 225). Vgl. W. 1917/10.040, p. 1. Zie over deze wet: ‘Beteugeling van den smokkelhandel’, W. 1917/10.048, p. 1-3.

    • 5 Wet van 19 Augustus 1916, tot vaststelling van bepalingen in het belang van de volksvoeding en van eene doelmatige distributie van goederen (Stb. 416).

    • 6 Wet van 26 Juli 1918, tot instelling eener bijzondere rechtspraak in distributie- en andere crisiszaken (Stb. 494). Zie ‘Distributie en rechtsbescherming’, W. 1918/10.216, p. 1 en ‘Rechtspraak in crisiszaken’, W. 1918/10.244, p. 1.

    • 7 [D. Simons], ‘Crisis-strafrecht’, W. 1918/10.245, p. 1.

    • 8 F. Verhagen, Toen de katholieken Nederland veroverden. Charles Ruijs de Beerenbrouck 1873-1936, Amsterdam: Boom 2015, p. 153 e.v.; J.S. Wijne, De ‘vergissing’ van Troelstra, Hilversum: Verloren 1999.

    • 9 Zie de Notulen van de Algemeene Vergaderingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (VWR), bijeenkomst op 28 december 1918 te Amsterdam. Een kort verslag van de bijeenkomst in W. 1919/10.348, p. 4.

    • 10 De VWR kreeg rechtspersoonlijkheid bij KB van 23 maart 1919, Stb. Nr. 31.

    • 11 A. Resink, ‘Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts’, De Tribune 11 September 1919, voorpagina. Zie ook: ‘Wij voelen geen redelijke gemeenschap meer met de burgerlijke juristen en rechtsfilosofen, die toch basis moet zijn van een wetenschappelijke gemeenschap. Wij beschouwen hun als zedelijk afgestompte, beklagenswaardige producten van het kapitalisme.’ Zie W. 1920/5290, p. 4-5.

    • 12 G. Scholten, HVWR VII (1922), p. 67. Zie ook J.J. Boasson, HVWR VII (1922), p. 53.

    • 13 W. 1919/10.401, p. 4.

    • 14 W. 1919/10.420, p. 3.

    • 15 W. van der Vlugt, ‘Openingswoord’, Handelingen van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (HVWR) I (1919), p. 2 e.v., p. 6. Van der Vlugt keerde zich tegen het rechtspositivisme als tegenhanger van het natuurrecht.

    • 16 Van der Vlugt, ‘Openingswoord’, HVWR I (1919), p. 6 e.v.

    • 17 G.E. Langemeijer, ‘De wijsbegeerte des rechts en de encyclopaedie der rechtswetenschap sedert 1880’, in: Geschiedenis der Nederlandsche Rechtswetenschap VI, Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgevers Mij 1963, p. 6; over de VWR, p. 79-82. Langemeijer ging ook uit van het rechtspositivisme als tegenhanger van het natuurrecht.

    • 18 UB Leiden, BPL 2303: W. van der Vlugt, Encyclopaedie des regts (1880-1881), autograaf, p. 55.

    • 19 J.C. van Oven, ‘Het natuurrecht in eere hersteld’, NJB 1933, p. 593 e.v. (p. 598). Zie ook J. Charmont, La renaissance du droit naturel (1910), G. Renard, La valeur de loi (1928) en J. Dabin, La philosophie de l’ordre juridique positif (1929), besproken door Van der Heijden, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 1931, p. 450 e.v.

    • 20 Zie over Beysens en zijn grote inspiratiebron Thomas van Aquino (1225-1274): Langemeijer, ‘De wijsbegeerte des rechts en de encyclopaedie der rechtswetenschap sedert 1880’, p. 52 e.v.

    • 21 Langemeijer, ‘De wijsbegeerte des rechts en de encyclopaedie der rechtswetenschap sedert 1880’, p. 7. Over Van der Vlugt: p. 8 e.v.

    • 22 R. Kranenburg, ‘De rechtsphilosophie en de juridische vakwetenschappen’, HVWR IV (1921), p. 6 e.v.

    • 23 Zie vooral W. van der Vlugt, ‘R. Stammler’, De Gids 1926-I, p. 173-200 en R. Kranenburg, De grondslagen der rechtswetenschap. Juridische kennisleer en methodologie, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1946. Zie C.J.H. Jansen, De wetenschappelijke beoefening van het burgerlijke recht tussen 1940 en 1992, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 72.

    • 24 Bijv. G. Scholten, ‘Wijsgeerige en juridische rechtsbeschouwing’, RM 1917, p. 209 e.v.; J. Coert, ‘Algemeene rechtsbeginselen in de practijk’, RM 1921, p. 173 e.v.; H.J.G. Janssen van Raay, ‘Is het mogelijk beginselen van gerechtigheid te doen heerschen?’, RM 1923, p. 93 e.v.; J.J. von Schmid, ‘John Milton als staatsleeraar (1608-1674)’, RM 1928, p. 454 e.v.; J. de Louter, ‘Recht en gerechtigheid’, Themis 1913, p. 264 e.v. (een doorlopende kritiek op Stammler); B.C. de Savornin Lohman, ‘Theorie en werkelijkheid’, Themis 1917, p. 37 e.v.; D.G. Rengers Hora Siccama, ‘Het “Rechtsgezag” van Mr. H. Krabbe’, Themis 1918, p. 270 e.v.; N. de Beneditty, ‘Het recht en de maatschappelijke drang naar gerechtigheid’, Themis 1924, p. 1 e.v. In het Tijdschrift voor Strafrecht stonden eveneens de nodige beschouwingen over de grondslagen van het strafrecht.

    • 25 Zie vorige noot. Zie ook Langemeijer, ‘De wijsbegeerte des rechts en de encyclopaedie der rechtswetenschap sedert 1880’, p. 73 e.v. Zie voor Paul Scholten op basis van een analyse van zijn collegedictaten: C.J.H. Jansen en E. Poortinga, ‘Het onderwijs in de rechtsfilosofie van Paul Scholten’, Recht en kritiek 19 (1993) 2, p. 191 e.v.

    • 26 Zie W.H. van Boom, ‘De Nederlandse privaatrechtswetenschap en de wetgever (1992-2012)’, RegelMaat 2012 (27) 5, p. 280 en Jansen, De wetenschappelijke beoefening van het burgerlijke recht tussen 1940 en 1992, p. 35 e.v., 84 e.v. en 160.

    • 27 Uitgewerkt in W.J.A.J. Duynstee, Burgerlijk recht en zielzorg, eerste druk, ’s-Hertogenbosch: L.G.C. Malmberg 1919, vele drukken.

    • 28 HR 31 januari 1919, NJ 1919, p. 161 e.v. en W. 1919/10.365 (met noot Molengraaff).

    • 29 Zie C.J.H. Jansen, ‘De Geldschieterswet van 28 januari 1932 (Stb. 19)’, NTBR 2015/6, p. 180 e.v.

    • 30 C.J.H. Jansen, Doorgaan of stoppen? Enkele beschouwingen over recht en rechtsbeoefening in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2006, p. 1 e.v. (het gemeenschapsdenken in het recht in de jaren dertig). De nationaalsocialistische visie op het recht vormde een verabsolutering van de universalistische visie op het recht. Zij verwierp het nulla poena-beginsel.

    • 31 Zie J. Valkhoff, Een eeuw rechtsontwikkeling. De vermaatschappelijking van het Nederlandse Privaatrecht sinds de codificatie (1838-1938), Amsterdam: De Arbeiderspers, 1938, p. 17 e.v. (De uitholling van de eigendom), p. 68-70, 240 e.v. Zie eveneens zijn rede Ontwikkeling van het eigendomsrecht in oorlogstijd, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink, 1945.

    • 32 M.J.C. Vrij, ‘De verbindende kracht van ondernemersovereenkomsten’, W. 1934/12776, p. 1-2. Vgl. eveneens J.C. van Oven, ‘Ondernemersovereenkomsten’, NJB 1934, p. 533 e.v. en N. de Beneditty, ‘De overeenkomst voorheen en in de toekomst’, NJB 1935, p. 445 e.v. Zie verder Corjo Jansen, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog. Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950, met medewerking van Derk Venema, Amsterdam: Boom 2011, p. 65-73.

    • 33 P. Scholten, ‘Nieuwe Geschriften over het Wetsontwerp op de Naamlooze Vennootschappen’, WPNR 1926/2966, p. 566 (linkerkolom).

    • 34 Zie ook N. de Beneditty, ‘Evolutie van de ‘autonome’ naar ‘heteronome’ overeenkomst?’, WPNR 1934/3379, p. 412 e.v. en 1934/3380, p. 433 e.v. en C.M.O. van Nispen tot Sevenaer, ‘Gemeenschapsrecht of de verrassende opgang van nieuwe rechtsbeschouwingen’, Themis 1935, p. 313 e.v.

    • 35 ‘Na de bevrijding’, VODOC 9 mei 1944, p. 1 e.v. Over het moeizame proces van bestraffing van landverraders P. Romijn, Snel, streng en rechtvaardig. Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van ‘foute’ Nederlanders 1945-1955 [1989].

    • 36 Notulen van de (dagelijkse) Bestuursvergaderingen van de VWR, 27 oktober 1945. C.M.O. van Nispen van Sevenaer heeft in 1947 nog een preadvies geschreven over het gezag van de Duitse bezetter en de rechtswaarde van zijn verordeningen. Zie al zijn eerdere geschrift: Waarom de Hooge Raad faalde. Een beschouwing naar aanleiding van Mr. van den Dries’ pleidooi voor de ‘Hooge Raad tijdens de bezetting’ [1945]. Van Nispen hekelde het feit dat de Hoge Raad de maatregelen van de bezetter had gekwalificeerd als een wet (in formele zin). De bezetter was weliswaar op grond van het Landoorlogreglement (1907) bevoegd tot regelgeving, maar de Hoge Raad had zich (zij het beperkt) toetsingsbevoegd moeten verklaren.

    • 37 R. Kranenburg, HVWR XXVIII 1946 (tweede gedeelte), p. 4. De suggestie van Kranenburg overigens dat het rechtspositivisme (met zijn blinde wetaanbidding) verantwoordelijk was voor de verloedering van de Duitse rechtsstaat, klopt niet. Zie B. Rüthers, Die unbegrenzte Auslegung. Zum Wandel der Privatrechtsordnung im Nationalsozialismus, 1. Aufl., Heidelberg: C.F. Müller Juristischer Verlag 1968.

    • 38 Kranenburg, HVWR XXVIII 1946 (tweede gedeelte), p. 6-10. Zie al eerder R. Kranenburg, Positief recht en rechtsbewustzijn, Groningen: J.B. Wolters 1912, p. 84 en Kranenburg, De grondslagen der rechtswetenschap, vijfde druk (1955), p. 14 e.v. (p. 23).

    • 39 Zie voor aan analyse van het werk van deze beide rechtsfilosofen de dissertatie van F.J.C. van Ree, Over het vrije verkeer tussen individu, maatschappij en staat. Een analyse van de functionele rechtsopvattingen van J.F. Glastra van Loon en J. ter Heide (1998). Over Ter Heide: H. Franken, ‘J. ter Heide (1923-1988)’, in: C.J.H. Jansen, J.M. Smits en L.C. Winkel (red.), 16 juristen en hun filosofische inspiratie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2004, p. 213 e.v.

    • 40 Zie over hem: C.W. Maris van Sandelingenambacht, ‘G.E. Langemeijer (1903-1990)’, 16 juristen en hun filosofische inspiratie, p. 155 e.v.

    • 41 Zie G.E. Langemeijer, De gerechtigheid in ons burgerlijk vermogensrecht, eerste druk, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1976 (als studiepocket privaatrecht, nr. 14). Vgl. G.E. Langemeijer, Inleiding tot de studie van de wijsbegeerte des rechts, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1956.

    • 42 De ondertitel van Mensch en Maatschappij luidde: Driemaandelijksch tijdschrift voor anthropologie, psychologie, erfelijkheidsleer (…), ethiek en rechtsfilosofie. Zie L. Polak, ‘Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts’, Mensch en Maatschappij 3 (1927), p. 257. Uitgeverij Noordhoff van Mensch en Maatschappij vroeg in 1933 echter zo veel geld voor een nieuw contract dat de VWR de banden met de uitgeverij verbrak.

    • 43 De uitgeverij van de Handelingen van de VWR vanaf 1946 en van het nieuwe tijdschrift was W.E.J. Tjeenk Willink in Zwolle. De VWR had in 1983 vierhonderd leden, het aantal abonnees op het Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie was in hetzelfde jaar ruim zevenhonderd. De overgang van Handelingen naar een tijdschrift was dus succesvol verlopen. Zie voor de cijfers: H.Ph. Visser ’t Hooft, ‘Over rechtsfilosofie in de jaren zeventig’, Recente rechtsontwikkelingen (1970-1980), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1983, p. 141.

    • 44 G.E. Langemeijer, ‘Ter introductie’, Wijsbegeerte des Rechts en Rechtstheorie 1 (1972), p. 1. De redacteuren van het nieuwe tijdschrift waren Glastra van Loon, Van Haersolte, Ter Heide en Langemeijer.

    • 45 Langemeijer, ‘Ter introductie’, p. 2.

    • 46 G.E. Langemeijer, ‘Rechtsbeschouwing in Nederland in het laatste kwart van de twintigste eeuw’, in: J.M. Polak (red.), Vooruitzichten van de rechtswetenschap/2, Deventer: Kluwer 1983, p. 9.

    • 47 Zie Langemeijer, ‘Rechtsbeschouwing in Nederland in het laatste kwart van de twintigste eeuw’, p. 8-12.

    • 48 J. Silvis, ‘Redaktioneel. La société d’admiration mutuelle’, Recht en kritiek 10 (1984) 4, p. 363.

    • 49 Ik geef slechts een (onvolledige) opsomming van juristen die betrokken waren bij de VWR en haar blad (als lid van de redactieraad en de Vereniging, als schrijver): I. Kisch, J.J.M. van der Ven, A. Heijder, E.H. ’s Jacob, A.P.J. Tammes, J.C.M. Leijten, H.U. Jessurun d’Oliveira, M.C. Burkens, T. Koopmans, J.M. van Dunné, J. van Schellen en H.C.F. Schoordijk (daarnaast ook de Belgische hoogleraar W. van Gerven). Over Kisch: L.C. Winkel, ‘I. Kisch (1905-1980)’, 16 juristen en hun filosofische inspiratie, p. 173 e.v. Vader H. Winkel (1909-1986) had grote belangstelling voor de rechtsfilosofie: Zie ‘Revolutie en rechtswetenschap’, Themis 1935, p. 373 e.v. en ‘Existentie als rechtsfiguur, Themis 1938, p. 151 e.v. en zijn VWR-preadvies ‘Vrijheid en gelijkheid door broederschap’ (1948). Over hem: L.C. Winkel, Pro Memorie 18.1 (2016), p. 106-109.

    • 50 J.H. Nieuwenhuis, ‘Legitimatie en heuristiek van het rechterlijk oordeel’, RM Themis 1976/6, p. 494 e.v. Zie vooral echter deel 2.2. in: ‘Een beeld van recht’, Ars Aequi 28 (1979) 11, p. 637 e.v., 647-649 en 819 e.v. (met aandacht voor de hermeneutiek, argumentatieleer, de rationaliteit van het rechterlijke beslissingsproces, e.d.). J. ter Heide schreef aan het begin van zijn carrière in Ars Aequi (16 (1967) 1) het veel opzien barende artikel ‘Iudex Viator’.

    • 51 Rengers Hora Siccama mocht vanaf 1919/1920 naast de encyclopedie van het recht en het oudvaderlands recht doceren over de wijsbegeerte des rechts, in het bijzonder de algemene rechtsleer. De Savornin Lohman kon zich daardoor beperken tot de algemene staatsleer.

    • 52 Ontleend aan de Almanak van het Amsterdamsch Studenten-Corps (soms ook de Amsterdamsche Studenten-Almanak).

    • 53 Ook het aantal hoogleraren met een positiefrechtelijke leeropdracht dat zich betrokken voelde bij de VWR, verminderde vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw. Uitzonderingen waren E.M.H. Hirsch Ballin, S.W. Couwenberg, H. Franken, J.L.M. Elders en de al genoemde J.M. van Dunné.

    • 54 In de loop van de jaren tachtig van de vorige eeuw liet het bestuur van de VWR coreferaten houden bij de preadviezen om het debat op gang te helpen.

    • 55 Ik heb de preadviezen van na 2000 niet meer in mijn beschouwingen betrokken. De schrijvers ervan leven (meestal) nog en een rechtshistoricus moet grenzen trekken.

    • 56 Ik noem namen als A. Soeteman, C.W. Maris, R. Foqué, G. van Roermund, Th. Mertens, P.W. Brouwer, M.A. Loth, P.B. Cliteur en P. Westerman.

    • 57 Met mede als doel het creëren van een opening voor Nederlandstalige Belgische vakgenoten.

    • 58 M. Adams, ‘Voorwoord’, R & R 2007 (36) 1, p. 3-4.

    • 59 Zie M. Hildebrandt, ‘Internationalisering en naamsverandering’, NJLP 2012 (41) 1, p. 3. Een eerste Engelstalige aflevering (issue) van R & R verscheen overigens al in 1994 (afl. 3) met als titel: Law, Rhetoric and Literature (met als drijvende kracht W.J. Witteveen) en niet, zoals de redactie in 2012 meldt, in 2006. Leden van de VWR waren in de twintigste eeuw al betrokken bij de International Association of the Philosophy of Law and Social Philosophy (IVR), opgericht onder Duitse naam in 1909. De VWR is bovendien een ondervereniging van de Algemene Nederlandse Vereniging voor Wijsbegeerte.

    • 60 Voor de discussie over de koers: http://www.verenigingrechtsfilosofie.nl/toekomst-njlp/.

    • 61 Dit blijft een valkuil voor de VWR: zij moet niet te veel navel staren en zich niet al te zeer richten tot een incrowd.

Corjo Jansen schreef in 1995 naar aanleiding van het 75-jarig bestaan van de Vereniging: ‘De oprichting van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts in historisch perspectief’, in: Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie & Rechtstheorie 1995/1, p. 26 e.v. Hij maakt in deze bijdrage gebruik van resultaten uit dit eerder verschenen artikel.