Search result: 46 articles

x
Article

Access_open Toegang tot het recht in de rechtsstaat

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2021
Keywords rechtsstaat, toegang tot het recht, sociale dimensie, Nicholas Barber, Pierre Bourdieu
Authors Nathalie Franziska Hendrika Schnabl
AbstractAuthor's information

    This paper considers access to the rule of law as a requirement for the well-functioning of the rule of law in society. In most rule of law debates, access to the rule of law is not a topic of discussion because these scholars focus themselves solely on the legalistic dimension of the rule of law. Barber was the first to mention the social dimension explicitly but without a theoretical framework. Based on the three capitals of Bourdieu, this paper offers a framework to determine the elements of the social dimension. With these capitals, barriers to the access to the rule of law for individuals can be identified, and solutions can be offered.


Nathalie Franziska Hendrika Schnabl
Nathalie Schnabl is promovenda aan de Faculteit Rechtswetenschappen van de Open Universiteit.
Article

Access_open De blinde vlek in praktijk en discussie rond orgaandonatie

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2020
Keywords organ donation, ethics of organ donation, symbolic nature of the human body, ethics and ritual, symbolic legislation theory
Authors Herman De Dijn
AbstractAuthor's information

    In countries like Belgium and The Netherlands, there seems to be overwhelming public acceptance of transplantation and organ donation. Yet, paradoxically, part of the public refuses post-mortal donation of their own organs or of those of family members. It is customary within the transplantation context to accept the refusal of organ donation by family members “in order to accommodate their feelings”. I argue that this attitude does not take seriously what is really behind the refusal of donation by (at least some) family members. My hypothesis is that even in very secularized societies, this refusal is determined by cultural-symbolic attitudes vis-à-vis the (dead) human body (and some of its parts). The blind spot for this reality, both in the practice of and discussions around organ donation, prevents understanding of what is producing the paradox mentioned.


Herman De Dijn
Herman De Dijn is emeritus hoogleraar wijsbegeerte aan de KU Leuven.
Article

Access_open Fenomenologie van het proces van bewijzen in strafzaken

Over de noodzaak van het vooroordeel

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2019
Authors Thomas Jacobus de Jong
Abstract

    In deze bijdrage staat de activiteit van bewijzen in strafzaken centraal. Betoogd wordt dat de vigerende rationalistische opvatting van strafrechtelijk bewijzen eraan voorbij gaat dat het bewijzen zich allereerst voltrekt op een vóór-reflectief niveau. Het primaire blikveld van de mens is namelijk niet het objectiverende kennen, zoals in de rationele bewijstheorieën wordt voorondersteld, maar de praktische relatie tot de wereld. In dit kader wordt eerst de filosofische achtergrond van de rationalistische bewijsopvatting in kaart gebracht, in het bijzonder de invloed van Aristoteles en Descartes. Vervolgens worden de daaruit voortkomende bevindingen aan de hand van ideeën en inzichten die zijn ontleend aan de existentiële fenomenologie kritisch gewaardeerd. Dit leidt tot de uiteenzetting van een hermeneutische opvatting van strafrechtelijk bewijzen.


Thomas Jacobus de Jong

    According to asymmetrical Kantianism, humans, but not animals, should be granted certain inviolable moral rights, including the right to be treated as ‘ends-in-themselves’. By limiting the application of Kantian principles to humans, we effectively demote animals to the status of mere means to (non-)human ends and pave the way for the justification of unwarranted practices of animal exploitation. In this article, I will attempt to refute asymmetrical Kantianism by arguing against its underlying idea that the possession of personhood is a necessary requirement for having moral rights. I will do so by showing that the possession of selfhood should be considered a necessary and sufficient requirement for having such rights. I will argue that at least some animals should be seen as possessing selfhood, which makes their treatment as mere means to an end morally untenable.


Boyd T.C. Leupen
Boyd Leupen studeerde Politicologie aan achtereenvolgens de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Leiden. In 2015 won hij de Masterscriptieprijs van het Instituut Politieke Wetenschap Leiden voor zijn scriptie ‘The moral standing of animals: Refuting asymmetrical Kantianism’. Momenteel is hij werkzaam als consultant voor TRAFFIC (the wildlife trade monitoring network) en verricht hij onderzoek naar de illegale handel in beschermde diersoorten in Zuidoost-Azië.

François Levrau
Dr. François Levrau studeerde klinische psychologie en moraalfilosofie en promoveerde in de sociale wetenschappen aan de Universiteit van Antwerpen.
Article

Links-libertarisme als aantrekkelijke theorie van sociale rechtvaardigheid

Journal Res Publica, Issue 2 2016
Keywords left-libertarianism, justice, self-ownership, Lockean proviso, liberty, equality
Authors Kasper Ossenblok
AbstractAuthor's information

    Left-libertarianism is a marginal theory in the debate on social justice. In this article, I argue that this peripheral status is a mistake. The two basic principles of left-libertarianism, the full self-ownership principle and an egalitarian interpretation of the worldownership principle, are sufficiently attractive and sound for the theory to be taken seriously. I introduce the two principles, explain their attractiveness and argue for their plausibility by contrasting them to the right-libertarian theory of Robert Nozick and the liberal egalitarian theory of John Rawls. I conclude that left-libertarianism has some considerable advantages over both those theories.


Kasper Ossenblok
Kasper Ossenblok is als doctoraatstudent en onderwijsassistent verbonden aan de vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent. Zijn onderzoeksinteresse gaat uit naar normatieve politieke theorie en in het bijzonder naar theorieën van rechtvaardigheid en gelijkheid.

    Dit artikel ontleedt het vaderschap, zowel op Belgisch als Europees niveau. Wie juridisch als vader wordt aangeduid, is niet altijd biologisch of sociaal vader voor een kind. Hoe dient de afweging van rechten en plichten voor deze verschillende vaders dan te gebeuren?
    Deel één bespreekt de vaderlijke afstamming naar Belgisch recht aan de hand van recente rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. In vier centrale thema’s wordt het standpunt van het Hof geplaatst tegenover dat van de wetgever en het EHRM. Aan bod komen: bezit van staat, vervaltermijnen, het belang van het kind en verboden afstamming. De doelstelling lijkt het bewerkstelligen van een grotere individualisering van het afstammingsrecht. Dit leidt tot een patstelling voor de wetgever, die zal moeten bepalen hoe het afstammingsrecht naar de toekomst toe wordt geconstrueerd. Verdedigd wordt dat een belangenafweging zich voornamelijk dient te situeren bij de betwistingsprocedure, daar waar bij gebrek aan een reeds gevestigd juridisch vaderschap de biologische band mag primeren.
    Vervolgens wordt het vaderschap naast het moederschap geplaatst. Waar voor moeders een zekere vanzelfsprekendheid geldt, is dit allesbehalve zo voor vaders. Bovendien heeft de moeder een bepaalde zeggenschap over wie de vader van het kind wordt.
    Na een toelichting van het begrip ouderlijk gezag wordt de kneedbaarheid ervan aangegrepen om nieuwe voorstellen te formuleren. Ingrepen op het ouderlijk gezag, waaronder de ontzetting, kunnen ervoor zorgen dat een sociaal onwenselijke biologische afstammingsband alsnog kan worden gevestigd. Wanneer meerdere vaderfiguren zich aandienen, kan een uitbreiding van (bepaalde) gezagsrechten naar andere personen soelaas bieden.
    Tot slot verkennen we de verdeling van verschillende vaderfuncties over meerdere personen, zoals die reeds bestaat voor het omgangsrecht en de alimentatieverplichting. De lege ferenda wordt gepleit voor een “attest van verwekkerschap”, een verklaring naar recht van het biologisch verwekkerschap, waaraan bepaalde rechtsgevolgen worden gekoppeld.
    This article analyses fatherhood from a Belgian and European context. The legal father is not necessarily the biological or social father. How should we balance the rights and obligations of these different kinds of fatherhood?
    Part one reviews paternity in Belgian law through recent jurisprudence of the Supreme Court. In four central themes the Supreme Court’s position is weighed against that of the legislator and the ECHR. The four central themes are discussed in the following order: “possession of state”, statutes of limitations, the best interests of the child, and illegal filiation. The aim of the Supreme Court seems to be a case by case appreciation of filiation. It is then up to the legislator to decide how legal parentage is to be construed in the future. A balancing of interests should be the primary - and maybe even exclusive - consideration when the paternity is disputed. Where legal paternity has yet to be established, biological ties should be decisive.
    Next, legal paternity will be compared to legal maternity. Whereas establishing legal parentage seems to be quite evident in the case of mothers, this is not so straightforward for fathers. Moreover the mother has a say in who is to be the legal father.
    After a clarification ofthe concept ‘parental authority’, its flexible nature is taken as a starting point to suggest new solutions. Intervening in parental authority allows us to establish the socially undesirable biological paternity.In the case of multiple father figures, an expansion of specific authority rights to others may offer an alternative solution.
    Lastly, we explore the possibility of sharing paternal rights and obligations among multiple candidates, as is the case for visitation rights and child support obligations. We argue in favour of a “certificate of procreation” - a declaration of biological relationship that generates specific legal consequences.


Eline Smeuninx MA
Eline Smeuninx graduated from the law faculty of the University of Antwerp in 2014. She now specialises in medical law. As of September 2015 she will work as an associate in a law firm in Antwerp.
Symposium

Doctoraatsopleidingen in Nederland en Vlaanderen

Journal Res Publica, Issue 3 2015
Authors Bas Denters, Maurits Sanders, Trui Steen e.a.
Author's information

Bas Denters
Bas Denters is gewoon hoogleraar bestuurskunde aan het Departement Bestuurskunde van de Universiteit Twente, wetenschappelijk directeur van het Netherlands Institute of Government (NIG).

Maurits Sanders
Maurits Sanders is associate lector governance aan Saxion en zakelijk directeur van het Netherlands Institute of Government (NIG).

Trui Steen
Trui Steen is hoofdocent ‘bestuurlijke organisatie van de overheid’ aan het Instituut voor de Overheid van de KU Leuven en hoofddocent ‘vergelijkende bestuurskunde’ aan de Universiteit Leiden.

Luzia Helfer
Luzia Helfer is doctoraatsstudente aan de Universiteit Leiden en de Universiteit Antwerpen.
Article

Access_open Terug naar het begin: Een onderzoek naar het principe van constituerende macht

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2015
Keywords constituent power, legitimacy, representation, collective action, ontology
Authors Nora Timmermans Ph.D.
AbstractAuthor's information

    In dit artikel argumenteer ik dat er twee mogelijke invullingen zijn voor het principe van constituerende macht. De eerste mogelijkheid is deze van de klassieke basisveronderstelling van de constitutionele democratie, namelijk dat de gemeenschap zelf vorm kan en moet geven aan de fundamentele regels die die gemeenschap beheersen. Hans Lindahl maakt een interessante analyse van deze traditionele invulling, die ik kritisch zal benaderen. Lindahl heeft immers zelf scherpe kritiek op de invulling die Antonio Negri aan het concept constituerende macht geeft. Mijn interpretatie gaat er echter van uit dat Negri een fundamenteel andere inhoud geeft aan het principe van constituerende macht, waarbij constituerende macht niet alleen wordt losgemaakt van het constitutionalisme, maar meer algemeen van elk rechtssysteem en zelfs van elke vorm van finaliteit. Deze argumentatie werpt een nieuw licht op het debat rond Negri’s theorie van constituerende macht, waarin diens meest fundamentele uitgangspunt vaak over het hoofd wordt gezien.


Nora Timmermans Ph.D.
Nora Timmermans is Master in Philosophy and currently a Ph.D. Student.

    Zowel in België als in Nederland komt draagmoederschap voor. Deze bijdrage heeft tot doel om de houding van de twee buurlanden ten aanzien van dit controversiële fenomeen te onderzoeken en te vergelijken.
    De wensouders en draagmoeders ervaren meerdere juridische obstakels. Zo blijkt in beide landen de draagmoederschapsovereenkomst niet geldig en evenmin afdwingbaar te zijn. Hoewel in Nederland de mogelijkheid bestaat om het ouderlijk gezag over te dragen van draagmoeder naar wensouders, is het ook daar, net zoals in België, allesbehalve evident om de band tussen kind en wensouders juridisch te verwezenlijken. Noch de oorspronkelijke, noch de adoptieve afstamming is aan het fenomeen aangepast. Vooral voor Nederland is dit vreemd aangezien de Nederlandse wetgeving uitdrukkelijk bepaalt onder welke voorwaarden medisch begeleid draagmoederschap toegelaten is. De wet schept met andere woorden een gezondheidsrechtelijk kader, maar regelt niet de gevolgen van het draagmoederschap. In België is er daarentegen geen enkele wetgeving betreffende draagmoederschap. Dit betekent dat de onaangepaste wetgeving betreffende medisch begeleide voortplanting van toepassing is op draagmoederschap. Over deze toepassing en de gevolgen ervan bestaat evenwel onduidelijkheid. Commercialisering van draagmoederschap leidt ook tot problemen. In Nederland is professionele bemiddeling en het openbaar maken van vraag en aanbod met betrekking tot draagmoederschap strafbaar gesteld. Daarnaast kunnen de omstandigheden van een zaak waarin het kind als het ware verkocht wordt aan de wensouders zowel in België als in Nederland leiden tot andere misdrijven. Gelet op dit alles begeven sommige wensouders zich naar het buitenland om daar beroep te doen op draagmoederschap. Wensen zij terug te keren met het kind naar het land van herkomst, dan leidt dit in beide buurlanden tot internationaalprivaatrechtelijke problemen.
    Door het gebrek aan een algemeen wettelijk kader, is het draagmoederschapsproces in beide landen vaak een calvarietocht. Dit leidt tot rechtsonzekerheid. Oproepen tot een wettelijk ingrijpen bleven tot nu toe echter onbeantwoord.
    Surrogacy is practiced in Belgium and the Netherlands. The aim of this contribution is to compare the many legal aspects of the phenomenon. In both countries legal problems surround surrogacy: the surrogacy contract is unenforceable; it is difficult for the intended parents to become the legal parents; commercial surrogacy can result in criminal sanctions and cross-border surrogacy leads to limping legal relations. The main differences between the two legal systems are that in Belgium there is no regulation at all, while in the Netherlands, professional mediation and advertising in surrogacy are explicitly forbidden and Dutch law provides a limited health law regulation. In both countries scholars have pressed the need for legal change.


Dr. Liesbet Pluym Ph.D.

Thomas Mertens
Thomas Mertens is Professor of Legal Philosophy at Radboud Universiteit Nijmegen.

Wimar Bolhuis
Wimar Bolhuis is promovendus aan het Montesquieu Instituut van de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek richt zich op het snijvlak van democratie, politieke economie en openbare financiën in Nederland.

    Met de financiële steun van het FWO Vlaanderen werd een doctoraat geschreven over grensoverschrijdend familierecht in de praktijk. Opzet van het onderzoek was om de concrete toepassing van het Belgisch Wetboek IPR grondig door te lichten. De auteur onderzocht of de doelstellingen van de wetgever werden bereikt in de praktijk. Hiertoe steunde zij op drie bronnen: 1) een databank met meer dan 3000 adviesvragen aan het Steunpunt IPR; 2) diepte-interviews met magistraten gespecialiseerd in familiezaken met een internationaal aspect; 3) 659 rechterlijke uitspraken. Dit empirisch bronnenmateriaal gaf de auteur een goed zicht op de wijze waarop rechtbanken en administraties de IPR-regels toepassen. Het artikel gaat uitvoerig in op de empirische onderzoeksmethode en bespreekt enkele onderzoeksbevindingen en beleidsaanbevelingen.
    ---
    Through funding from the Research Foundation Flanders, a doctoral thesis on the actual practices of cross-border family law has been written. The main research question concerned whether or not the Belgian Code of Private International Law adequately deals with 'real-life' international family law matters. It was examined whether the objectives set out by the legislator have been met in practice. Three empirical sources were relied upon: 1) The database of the Centre for Private International Law, which contained more than 3.000 files, ranging from simple questions posed to the helpdesk to more elaborate advice given by the Centre's lawyers; 2) In-depth interviews with judges specialized in cross-border family cases; 3) 656 court decisions. This material allowed the author to obtain a very good understanding of how courts and (local) authorities apply the PIL rules. This paper elaborates on the empirical methodology, several research findings and policy recommendations.


Dr. Jinske Verhellen
Jinske Verhellen is currently a postdoctoral researcher at the Private International Law Institute of Ghent University. Alongside this, she lectures in private international law, nationality law and immigration law at the Oost-Vlaamse Bestuursacademie (East Flanders Management Academy).
Article

Access_open ‘God hath given the world to men in common’

Grenzen aan privé-eigendom in geval van nood en verspilling in het middeleeuwse en vroegmoderne natuurrecht

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2013
Keywords natural law, property, rights of the poor, extreme necessity, necessitas urgens et evidens
Authors Marc de Wilde
AbstractAuthor's information

    This article examines what limitations to private property John Locke recognizes to protect the rights of the poor. As has been pointed out in the literature, Locke’s ideas on the limitations to private property have been influenced by medieval discussions about the rights of the poor and the principle of extreme necessity. Confirming this interpretation, the article shows that Locke borrows the distinction between ‘ordinary need’ and ‘evident and urgent necessity’ from Thomas Aquinas. Taking position in a debate among Grotius and Pufendorf, Locke argues that the poor have a natural right to the ‘surplus’ of somebody else’s possessions, and that this right becomes legally enforceable in case of ‘evident and urgent necessity.’


Marc de Wilde
Marc de Wilde is Professor of Legal Theory at the University of Amsterdam.
Article

De opkomstkloof tussen jongvolwassenen en ouderen in nationale verkiezingen

Een vergelijkend onderzoek

Journal Res Publica, Issue 1 2013
Keywords turnout, national elections, age gap, electoral competition, comparative research
Authors Kaat Smets
AbstractAuthor's information

    Recent research from Canada, Great Britain, and the United States indicates that turnout in national elections is declining rapidly among young adults. As a consequence of this trend, the age gap in voter turnout between younger and older voters widens. The aim of this paper is to understand whether similar patterns are observed in other Western democracies. Based on national election studies from eight European countries, Canada, and the United States, turnout patterns of younger and older citizens are traced and compared over the past decades. In a second step, a first attempt at explaining aggregate patterns is made. More specifically, the hypothesis that young people are particularly sensitive to the level of competitiveness between political parties is assessed. In low stake elections, turnout patterns of young citizens are expected to be relatively low. Therefore, declining turnout levels among young adults could be a sign of declining levels of political competitiveness. Nonetheless, multivariate analyses show that different measures of political competitiveness neither directly affect the age gap nor the turnout levels of young voters.


Kaat Smets
Kaat Smets is momenteel als postdoctoral fellow verbonden aan het Centre for the Study of Political Change (CIRCaP) van de Universiteit van Siena, Italië. Zij houdt zich bezig met diverse onderzoeksprojecten gericht op de publieke opinie. Haar onderzoeksinteresse gaat verder uit naar politiek gedrag, politieke socialisatie, politieke communicatie en vergelijkende politicologie en kwantitatieve onderzoekmethoden.
Article

Access_open De liberale canon: argumenten voor vrijheid

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2012
Keywords enforcement of morals, liberalism, liberty, political liberalism, Rawls
Authors Alex Bood
AbstractAuthor's information

    This article examines how a liberal public morality can be most successfully defended against perfectionism. First of all the five most important liberal arguments for freedom are taken from what is called the liberal canon: a number of characteristic works of John Locke, Immanuel Kant, John Stuart Mill, Isaiah Berlin, Joseph Raz, Ronald Dworkin, and John Rawls. These five arguments are identified as: social and political realism, respect for autonomy, fallibility of ideas, pluralism, and respect for reasonableness. Next, the persuasiveness of these arguments is assessed, starting with the argument of respect for reasonableness, which is at the heart of Rawls’s political liberalism. It is concluded that in itself this argument is not strong enough to persuade perfectionists. A powerful defence of a liberal public morality needs the other arguments for freedom as well. Finally, the paper outlines how these other arguments can strengthen the argument of respect for reasonableness in a coherent manner.


Alex Bood
Alex Bood is Research Manager at the Dutch Public Prosecution’s Office for Criminal Law Studies (WBOM).
Article

Tweede Orde Personalisering: Voorkeurstemmen in Nederland

Journal Res Publica, Issue 2 2012
Keywords preference voting, personalization, Dutch national elections, expressive voting
Authors Joop J.M. Van Holsteyn and Rudy B. Andeweg
AbstractAuthor's information

    If the impact of party leaders on the electoral fate of their parties may be called first order personalization, this paper addresses second order personalization: a preference for an individual candidate having to do with that person embedded in a prior choice for the candidate’s party. Using survey data and election results with respect to intraparty preference voting in The Netherlands, this study explores the characteristics of both voters casting a vote for a candidate other than the party leader and candidates receiving preference votes. Given the increase in intraparty preference voting, second order personalization has increased considerably in recent decades. Moreover, the correlates of second order personalization differ from those identified for first order personalization: intraparty preference votes are cast more often by higher educated, politically interested and efficacious female voters. Intraparty preference voting also seems to be a form of expressive rather than instrumental electoral behaviour: female candidates, and to a lesser extent ethnic candidates, receive more preference votes, but such votes are cast predominantly for the highest placed female (or ethnic) candidate on the list – candidates who would be elected on the basis of their position on the party list anyway.


Joop J.M. Van Holsteyn
Joop van Holsteyn is als universitair hoofddocent en bijzonder hoogleraar Kiezersonderzoek verbonden aan het Instituut voor Politieke Wetenschap van de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek is gericht op diverse aspecten van politieke houdingen, publieke opinie en politiek en electoraal gedrag.

Rudy B. Andeweg
Rudy Andeweg is als hoogleraar empirische politicologie verbonden aan het Instituut voor Politieke Wetenschap van de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek is gericht op diverse aspecten van politieke representatie.
Article

Access_open De complexiteit van het kwaad

Een kritische lezing van Hannah Arendts Eichmann in Jerusalem

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2012
Keywords banality of evil, Hannah Arendt, Adolf Eichmann, Holocaust studies, philosophy of international criminal law
Authors Klaas Rozemond
AbstractAuthor's information

    In her book Eichmann in Jerusalem Hannah Arendt concluded that the Eichmann trial taught us the lesson of the ‘fearsome, word-and-thought-defying banality of evil’. Arendt explained the concept of banality as thoughtlessness: Eichmann did not realize what he was doing when he planned and executed the Final Solution of the Jewish Question in Nazi Germany. In this article Arendt’s analysis of Eichmann’s evil is criticized from an internal perspective: the conclusion that Eichmann was thoughtless cannot be founded on the information Arendt herself gives, especially her reports on Eichmann’s idealism, his knowledge of Kant’s categorical imperative, his Pontius Pilate feeling during the Wannsee Conference, and the two crises of conscience Eichmann experienced during the Holocaust. This information shows that Eichmann clearly realized what he was doing in a moral sense and consciously decided to go on with the Final Solution on the basis of his own convictions as a Nazi.


Klaas Rozemond
Klaas Rozemond is Associate Professor of Criminal Law at the VU University of Amsterdam.

Hugo Durieux
Hugo Durieux is filosoof en jurist en was directeur van het Steunpunt Buitenlands Beleid 2007-2011.
Miscellaneous

Access_open Monotheïsme kan uw staat ernstige schade toebrengen

Paul Cliteur, The Secular Outlook & Het monotheïstisch dilemma

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2011
Authors Wouter de Been
AbstractAuthor's information

    Book review of Paul Cliteur, The Secular Outlook & Paul Cliteur, Het monotheïstisch dilemma


Wouter de Been
Wouter de Been is postdoctoral researcher in legal theory at the Erasmus School of Law (Rotterdam).
Showing 1 - 20 of 46 results
« 1 3
You can search full text for articles by entering your search term in the search field. If you click the search button the search results will be shown on a fresh page where the search results can be narrowed down by category or year.