Search result: 57 articles

x
Article

Access_open De gewetensbeslissing in Scholtens rechtsmethodologie

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2021
Keywords Geweten, feiten, Scholten, Kierkegaard, naastenliefde
Authors Jos Vleugel
AbstractAuthor's information

    The role that Paul Scholten assigns to conscience in his legal methodology still leads to heated discussions in literature after almost 100 years. Recognizing that in case law the conscience of the judge can be of decisive importance is apparently problematic. It would facilitate political court rulings, make judicial judgment uncontrollable and could be arbitrary for the parties to the legal dispute. Not only Scholten’s view on the role of conscience in judicial decision making is “a stumbling block”. At least as great is the fuss about his representation of conscience. Only Christian lawyers could identify with this. This article attempts to shed new light on the above points of criticism by drawing attention to the following aspects of Scholten’s legal methodology: the role of the facts in establishing the law, the nature of the legal judgment and finally the grounds on which conscience may be determined.


Jos Vleugel
Jos Vleugel is universitair docent staatsrecht aan de Universiteit Utrecht.
Article

Access_open Moet de strafrechter ook de scheidsrechter zijn van het publieke debat?

De scheiding der machten in het licht van de vrijheid van meningsuiting voor volksvertegenwoordigers

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2020
Keywords Freedom of speech, Separation of powers, Criminal law, Hate speech, Legal certainty
Authors Jip Stam
AbstractAuthor's information

    This article contains a critical review of the provisions in the Dutch penal code regarding group defamation and hate speech. It is argued that not only these provisions themselves but also their application by the Dutch supreme court, constitutes a problem for the legitimacy and functioning of representative democracy. This is due to the tendency of the supreme court to employ special constraints for offensive, hateful or discriminatory speech by politicians. Because such a special constraint is not provided or even implied by the legislator, the jurisprudence of the supreme court is likely to end up in judicial overreach and therefore constitutes a potential – if not actual – breach in the separation of powers. In order to forestall these consequences, the protection of particularly political speech should be improved, primarily by a revision of the articles 137c and 137d of the Dutch penal code or the extension of parliamentary immunity.


Jip Stam
Jip Stam is onderzoeker en docent bij de afdeling Encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Leidse rechtenfaculteit.

    In dit artikel wordt de waarde van het instituut parlement verkend. Daartoe analyseert de auteur eerst een lezing die de Nederlandse staatsrechtsgeleerde C.W. van der Pot in 1925 over dit thema hield bij de VWR. Vervolgens wordt Van der Pots opvatting gecontrasteerd met de diametraal tegengestelde benadering van Carl Schmitt, die zich, rond dezelfde tijd, over dit vraagstuk boog in Duitsland. Tot slot schetst de auteur, via een alternatieve, wellicht excentrieke, interpretatie van Schmitt waar een belangrijke waarde van het moderne parlement zou kunnen liggen.


Bastiaan Rijpkema
Bastiaan Rijpkema is universitair docent aan de afdeling Encyclopedie van de Rechtswetenschap van de Universiteit Leiden.

    Hoe was het met de Nederlandse rechtsfilosofie gesteld in de eerste jaren na de bevrijding? In die periode lag binnen de Vereniging voor Wijsbegeerte des Rechts (VWR) het accent op de verhouding tussen recht en gerechtigheid in het licht van het recente verleden. Dit artikel bespreekt interventies van drie actieve VWR-leden in de jaren 1946-1949: C.M.O. van Nispen tot Sevenaer, I. Kisch en G.E. Langemeijer. Gelet op het sterke accent op de relatie tussen recht en moraal in deze periode, is het niet verwonderlijk dat de rechtsfilosofie van Gustav Radbruch destijds binnen de VWR veel bijval kreeg. Wat was Radbruchs invloed op deze drie rechtsfilosofen? Het artikel besluit met een bespreking van de herdenkingsrede die VWR-voorzitter M.P. Vrij in 1949 uitsprak bij het dertigjarig bestaan. Deze rede markeert het eindpunt van vier jaar van intensieve aandacht voor de rechtsfilosofische implicaties van de ervaring van juridisch onrecht.


Wouter Veraart
Wouter Veraart is hoogleraar Rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Article

Access_open Fenomenologie van het proces van bewijzen in strafzaken

Over de noodzaak van het vooroordeel

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2019
Authors Thomas Jacobus de Jong
Abstract

    In deze bijdrage staat de activiteit van bewijzen in strafzaken centraal. Betoogd wordt dat de vigerende rationalistische opvatting van strafrechtelijk bewijzen eraan voorbij gaat dat het bewijzen zich allereerst voltrekt op een vóór-reflectief niveau. Het primaire blikveld van de mens is namelijk niet het objectiverende kennen, zoals in de rationele bewijstheorieën wordt voorondersteld, maar de praktische relatie tot de wereld. In dit kader wordt eerst de filosofische achtergrond van de rationalistische bewijsopvatting in kaart gebracht, in het bijzonder de invloed van Aristoteles en Descartes. Vervolgens worden de daaruit voortkomende bevindingen aan de hand van ideeën en inzichten die zijn ontleend aan de existentiële fenomenologie kritisch gewaardeerd. Dit leidt tot de uiteenzetting van een hermeneutische opvatting van strafrechtelijk bewijzen.


Thomas Jacobus de Jong
Article

Access_open De dialectiek bij Paul Scholten: haar aard, oorsprong en bronnen

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2019
Keywords Paul Scholten, dialectiek, existentialisme, Artificiële Intelligentie, ethische theologie
Authors Wim Borst
AbstractAuthor's information

    Een bekend kenmerk van Scholtens beschouwingswijze was zijn dialectiek.
    Langemeijer heeft de aard ervan scherp geduid, maar erkend in het duister te tasten over haar oorsprong en bronnen. Hegel en Barth komen niet in aanmerking. Ik wijs op de betekenis die de theoloog P.D. Chantepie de la Saussaye (1848-1920) gehad kan hebben voor de ontwikkeling van Scholtens denken, zowel inhoudelijk als qua dialectiek. Sommige contemporaine auteurs lijken Scholten schatplichtig te achten aan Kierkegaard; ik acht dat te speculatief. Moderne digitale technologie opent potentieel grote mogelijkheden voor de toepassing van computers en artificiële intelligentie (AI) in de rechtspleging. Scholtens dialectiek stelt ons voor fundamentele rechtsfilosofische vragen ten aanzien van de mogelijkheid en wenselijkheid van ‘rechtspraak door computers’.


Wim Borst
Wim Borst is beleidsadviseur op het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Article

Access_open Filosofie in de rechtszaal

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2017
Keywords rechtsfilosofie, politiek proces, onverdraagzaamheid, Wilders II
Authors Bert van Roermund
AbstractAuthor's information

    Naar aanleiding van het optreden van Paul Cliteur in het Wilders II-proces rijst de vraag hoe de inzet van een rechtsgang zich verhoudt tot de eigen aard van de filosofie. Aan de ene kant vertolkt filosofie precies dat register van waarheid dat in het recht aan de orde is. Aan de andere kant is die vertolking zo oneindig open dat ze strijdt met het gesloten karakter van het recht als een proces dat conflicten moet beëindigen door gezagvolle beslissingen. Socrates’ optreden in zijn eigen proces toont aan: de slechtste dienst die de filosofie het recht kan bewijzen, is het verlengstuk te worden van het positieve recht en zich bij voorbaat beschikbaar te stellen als een vindplaats van argumenten wanneer de juridische argumenten op zijn. De slotparagraaf argumenteert dat Cliteur deze socratische les terzijde legt. Als gevolg daarvan geeft hij een geforceerde lezing van het Felter-arrest en mist hij de kern van het begrip ‘onverdraagzaamheid’.


Bert van Roermund
Bert van Roermund is professor emeritus aan Tilburg Law School.
Article

Access_open Over verplichte excuses en spreekrecht

Wat is er mis met empirisch-juridisch onderzoek naar slachtoffers?

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2017
Keywords empirical legal studies, apologies, procedural justice, humiliation, victim rights
Authors Vincent Geeraets and Wouter Veraart
AbstractAuthor's information

    The central question in this article is whether an empirical-legal approach of victimhood and victim rights could offer a sufficient basis for proposals of legal reform of the legal system. In this article, we choose a normative-critical approach and raise some objections to the way in which part of such research is currently taking place in the Netherlands, on the basis of two examples of research in this field, one dealing with compelled apologies as a possible remedy within civil procedural law and the other with the victim’s right to be heard within the criminal legal procedure. In both cases, we argue, the strong focus on the measurable needs of victims can lead to a relatively instrumental view of the legal system. The legal system must then increasingly be tailored to the wishes and needs of victims. Within this legal-empirical, victim-oriented approach, there is little regard for the general normative principles of our present legal system, in which an equal and respectful treatment of each human being as a free and responsible legal subject is a central value. We argue that results of empirical-legal research should not too easily or too quickly be translated into proposals for legal reform, but first become part of a hermeneutical discussion about norms and legal principles, specific to the normative quality of legal science itself.


Vincent Geeraets
Vincent Geeraets is universitair docent aan de afdeling Rechtstheorie en rechtsgeschiedenis van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Wouter Veraart
Wouter Veraart is hoogleraar rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Article

Access_open De nominalistische theorie van de rechtssubjecten

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2017
Keywords rechtssubject, natuurlijk persoon, rechtspersoon, staat, orgaan
Authors Robert Jan Witpaard
AbstractAuthor's information

    In dit artikel presenteer ik een nieuwe ‘nominalistische’ theorie van de rechtssubjecten en laat ik zien waarom geen van de tot nu gepresenteerde theorieën de toets der kritiek kan doorstaan. Het artikel valt uiteen in een constructief en een kritisch deel. In het constructieve deel presenteer ik eerst de nominalistische theorie van de rechtssubjecten. Deze theorie richt zich op de persoonlijke elementen van het rechtssysteem en begrijpt rechtspersonen en organen als namen die uitsluitend bestaan binnen het rechtssysteem. In het kritische deel presenteer ik vervolgens een overzicht van de tot nu toe verdedigde theorieën van de rechtspersoon. Het gaat daarbij respectievelijk om de sociaal-biologische of organische leer, de sociologische leer, de sociologisch-juridische leer, de fictieleer en de leer van het (gepersonifieerde) normencomplex. Aan de hand van enkele algemeen geaccepteerde kenmerken van de rechtspersoon laat ik ten slotte zien waarom geen van deze alternatieve theorieën de toets der kritiek kan doorstaan.


Robert Jan Witpaard
Mr. dr. Robert Jan Witpaard is jurist bij de Afdeling Verdragen van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Article

Access_open Terug naar het begin: Een onderzoek naar het principe van constituerende macht

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2015
Keywords constituent power, legitimacy, representation, collective action, ontology
Authors Nora Timmermans Ph.D.
AbstractAuthor's information

    In dit artikel argumenteer ik dat er twee mogelijke invullingen zijn voor het principe van constituerende macht. De eerste mogelijkheid is deze van de klassieke basisveronderstelling van de constitutionele democratie, namelijk dat de gemeenschap zelf vorm kan en moet geven aan de fundamentele regels die die gemeenschap beheersen. Hans Lindahl maakt een interessante analyse van deze traditionele invulling, die ik kritisch zal benaderen. Lindahl heeft immers zelf scherpe kritiek op de invulling die Antonio Negri aan het concept constituerende macht geeft. Mijn interpretatie gaat er echter van uit dat Negri een fundamenteel andere inhoud geeft aan het principe van constituerende macht, waarbij constituerende macht niet alleen wordt losgemaakt van het constitutionalisme, maar meer algemeen van elk rechtssysteem en zelfs van elke vorm van finaliteit. Deze argumentatie werpt een nieuw licht op het debat rond Negri’s theorie van constituerende macht, waarin diens meest fundamentele uitgangspunt vaak over het hoofd wordt gezien.


Nora Timmermans Ph.D.
Nora Timmermans is Master in Philosophy and currently a Ph.D. Student.

    In deze bijdrage wordt nader ingegaan op het erfrechtelijke ‘willekeur’-begrip. Volgens de minister is het niet toegestaan dat een erflater een legaat maakt dat afhankelijk is van de willekeur van een ander. Wanneer is hiervan sprake en hoe zwaar dient aan dit, door de minister uitgesproken, ’willekeurverbod’ getild te worden? Aan de hand van een korte beschouwing van het bepaaldheidsvereiste, de corrigerende rol die de redelijkheid en billijkheid in ons vermogensrecht kan spelen, een analyse van het Duitse § 2065 I BGB, de al dan niet toelaatbaarheid van de potestatieve voorwaarde en een vergelijking met de schenking, kan naar het oordeel van de auteur worden gesteld dat voor erfrechtelijke willekeur niet gauw gevreesd hoeft te worden.
    ---
    This contribution examines the definition of arbitrariness in Dutch succession law. According to the Ministry of Justice of the Netherlands, a testator is not permitted to make a bequest subject to the arbitrariness of a third party. What does arbitrariness mean, and how important is this ’prohibition of arbitrariness’? Based on a review of the determinable terms, the role of equity and fairness in Dutch property law, the German provision § 2065 I BGB, the principle of ’potestatieve voorwaarde’, and through comparison with benefactions, the author suggests that there is hardly any risk of arbitrariness in Dutch succession law.


Dr. Nathalie Bauduin
Nathalie Bauduin is a PhD student at the Centre for Notary Law of Radboud University Nijmegen.

    Sinds de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 heeft men herhaaldelijk getracht de gronden voor echtscheiding te verruimen. Hoewel deze gronden uiteindelijk pas verruimd werden in 1971, werd de tot die tijd bestaande situatie, waarbij echtscheiding slechts op vier gronden mogelijk was en echtscheiding met wederzijds goedvinden verboden was, als onwenselijk beschouwd. Dit gevoelen werd nog sterker na het arrest van de Hoge Raad uit 1883, de zogenaamde 'Groote Leugen'. Teneinde een einde te maken aan deze 'Groote Leugen' en in een poging het Nederlandse echtscheidingsrecht meer in lijn te brengen met het Duitse recht, heeft de Nederlandse secretaris-generaal voor Justitie, J.J. Schrieke, tussen 1942 en 1944 twee wijzigingsvoorstellen voorgelegd aan de Duitse autoriteiten welke destijds Nederland bezet hielden. Dit artikel analyseert beide wijzigingsvoorstellen en probeert een antwoord te geven op de vraag in hoeverre deze voorstellen het resultaat waren van een mogelijke invloed van het Nationaal Socialisme.
    ---
    Since the introduction of the Civil Code in 1838 one has repeatedly tried to extend the grounds for divorce. Although the grounds for divorce were not extended before 1971, the then existing situation, with only four grounds for divorce and a prohibition of divorce with mutual consent, was considered undesirable This sentiment became even stronger after the judgment of the Dutch Supreme Court of 1883, which became known as the 'Big Lie'. In order to stop this 'Big Lie' and in an attempt to bring Dutch divorce law more in line with German divorce law, the Dutch secretary-general of Justice, J.J. Schrieke, has presented the German authorities, which then occupied the Netherlands, with two draft revisions between 1942 and 1944. This article analyses both drafts and tries to answer the question to what extent these drafts were the result of a possible influence of National Socialism. This article is a summary of a part of the most important conclusions of the dissertation of the author, titled: 'National Socialist Family Law. The influence of National Socialism on marriage and divorce law in Germany and the Netherlands' defended at Maastricht University on 8 November 2012. A commercial edition of the dissertation is forthcoming.


Dr. Mariken Lenaerts LL.M., Ph.D.
Mariken Lenaerts obtained her doctorate at Maastricht University.
Symposium

Jos de Beus: politicoloog, ideoloog, docent

Journal Res Publica, Issue 2 2013
Authors Herman Lelieveldt, Ruud Koole and Philip van Praag
Author's information

Herman Lelieveldt
Herman Lelieveldt doceert politicologie aan het University College Roosevelt, het liberal arts and sciences college van de Universiteit Utrecht in Middelburg.

Ruud Koole
Ruud Koole is hoogleraar politieke wetenschappen aan de Universiteit Leiden en lid van de Eerste Kamer. In de periode 2001-2007 was hij voorzitter van de PvdA, waarover hij het boek Mensenwerk publiceerde (Amsterdam, 2010).

Philip van Praag
Philip van Praag is als universitair hoofddocent verbonden aan de afdeling Politicologie van de Universiteit van Amsterdam en als onderzoeker aan the Amsterdam School of Communication Research (ASCoR).
Article

Access_open Recht als human condition

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2013
Keywords homo faber, homo agens, human condition, participatory judgment, law-linked justice, existence-linked justice
Authors Peter van Schilfgaarde
AbstractAuthor's information

    This paper concentrates on the dynamic tension between law as it is ‘made’ by legal professionals, functioning as homo faber, and law as it is experienced by citizens, functioning as homo agens. In between those two worlds, law develops as a human condition, a term borrowed from Hannah Arendt. It is argued that, in regard to law development and administration of justice, the function of homo agens should have priority over the function of homo faber. The two basic faculties that connect the two worlds are judgment and speech. This leads to further thoughts on the character of judgment as ‘participatory judgment,’ the function of ‘middle terms’ in legal language and the concept of ‘shared responsibility.’


Peter van Schilfgaarde
Peter van Schilfgaarde is an Attorney at Law at the Supreme Court of The Netherlands in The Hague and former Professor of Corporate Law at the Universities of Groningen and Utrecht.

    In deze bijdrage wordt op experimentele wijze gezocht naar een antwoord op de vraag wat de rechtvaardiging is van de beperking van de handelingsbekwaamheid van de minderjarige en het het bewind over zijn vermogen. Bij wijze van experiment wordt een fictieve regeling in het leven geroepen, het zogenaamde tachtigplusbewind. Op grond van deze regeling wordt eenieder die de tachtigjarige leeftijd passeert van rechtswege beperkt in zijn handelingsbekwaamheid en verliest hij het bewind over zijn vermogen. Vervolgens wordt de vraag gesteld waarom een dergelijk tachtigplusbewind niet wenselijk is en de bescherminsgmaatregelen die minderjarigen treffen wel. Deze bijdrage is een onderdeel van een breder dissertatieonderzoek met als titel 'Minderjarigen en (de zorg voor hun) vermogen.'
    ---
    This contribution seeks, in an experimental manner, to find an answer to the question of what is the justification for restriction on the capacity of the minor and the administration of their assets. By way of experimentation, a fictitious arrangement is created, the so-called ‘eighty-plus-fiduciary-administration’. Under this scheme, anyone who is over the age of eighty will have their legal capacity limited, and lose control of their assets. The question then arises as to why this eighty plus rule is not desirable whilst the protective rules for minors are widely accepted. This contribution is part of a wider dissertation research entitled ‘Minors and (the care of) their assets’.


Mr. Hans ter Haar
Hans ter Haar is a lecturer in notarial law at the University of Groningen.

Rudy B. Andeweg
Rudy B. Andeweg is als hoogleraar empirische politicologie verbonden aan het Instituut voor Politieke Wetenschap van de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek is gericht op diverse aspecten van politieke representatie.
Article

Access_open De complexiteit van het kwaad

Een kritische lezing van Hannah Arendts Eichmann in Jerusalem

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2012
Keywords banality of evil, Hannah Arendt, Adolf Eichmann, Holocaust studies, philosophy of international criminal law
Authors Klaas Rozemond
AbstractAuthor's information

    In her book Eichmann in Jerusalem Hannah Arendt concluded that the Eichmann trial taught us the lesson of the ‘fearsome, word-and-thought-defying banality of evil’. Arendt explained the concept of banality as thoughtlessness: Eichmann did not realize what he was doing when he planned and executed the Final Solution of the Jewish Question in Nazi Germany. In this article Arendt’s analysis of Eichmann’s evil is criticized from an internal perspective: the conclusion that Eichmann was thoughtless cannot be founded on the information Arendt herself gives, especially her reports on Eichmann’s idealism, his knowledge of Kant’s categorical imperative, his Pontius Pilate feeling during the Wannsee Conference, and the two crises of conscience Eichmann experienced during the Holocaust. This information shows that Eichmann clearly realized what he was doing in a moral sense and consciously decided to go on with the Final Solution on the basis of his own convictions as a Nazi.


Klaas Rozemond
Klaas Rozemond is Associate Professor of Criminal Law at the VU University of Amsterdam.
Article

Access_open Legitimiteit, gemeenschap en rechtvaardigheid

Een kritiek op Dworkins verklaring voor legitimiteit

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2011
Keywords legitimacy, associative obligations, justice, community, Dworkin
Authors Thomas Decreus
AbstractAuthor's information

    In Law’s Empire Ronald Dworkin offers a specific answer to the age old question of political legitimacy. According to Dworkin, legitimacy originates in a ‘true community’ that is able to generate associative obligations among its members. In this article I illustrate how this answer contrasts with the moral and political principle of justice. The question remains how a conceptual link can be found between a community-based view on legitimacy and a more universal demand for justice. I try to answer this question by offering a close reading of Law’s Empire and other basic essays in Dworkin’s philosophy of law. In my attempt to solve this problem I propose an alternative view on community and legitimacy. In opposition to Dworkin I claim that legitimacy is prior to the community.


Thomas Decreus
Thomas Decreus is PhD student in political philosophy at the KULeuven Institute of Philosophy.
Article

Access_open Is de vrijheid van godsdienst in de moderne multiculturele samenleving nog een hanteerbaar recht?

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2010
Keywords freedom of religion, human rights, human dignity, traditional religion, unequal treatment
Authors Koo van der Wal
AbstractAuthor's information

    There are two fundamental problems with regard to the freedom of religion. The first concerns the content and scope of the right; the second, a possible unequal treatment between population groups. The first problem can only be dealt with by a preliminary analysis of the religious phenomenon, which precedes a legal definition. It turns out that there is a range of different types of religion, with on the one hand traditional forms of religion which are narrowly interwoven with the culture in question (all kinds of ‘cultural’ practices possessing a religious dimension), and on the other forms of religion which loosen to a considerable extent the ties between culture and religion. Evidently, the former types of religion cause problems in modern society. An additional problem is that freedom of religion as a modern basic right rests on a view of human being – including the idea of the inherent dignity and autonomy of the human person – which is at odds with the symbolic universe of traditional religion. The conclusion of the article is that in the modern pluralist society freedom of religion is on its way to becoming, or already has become, an unmanageable right. So the problems arising around this right (including that of unequal treatment) can only be solved in a pragmatic, not really satisfactory way. In that context, modern humanitarian standards should be observed in the implementation of the right of freedom of religion because fundamental human rights are connected with a specific concept of humanity.


Koo van der Wal
Koo van der Wal is emeritus professor of Philosophy at the University of Amsterdam and the Erasmus University Rotterdam.
Book Review

Access_open Wilbert Mennings, Wouter Veraart en Pieter Edelman (red.), Voorlopig ben ik humanist

Teksten en voordrachten van Jan van Zijverden (1928-2003)

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2010
Authors Jaap Zwart and Femke Storm
AbstractAuthor's information

    Jaap Zwart and Femke Storm, book review of Wilbert Mennings, Wouter Veraart en Pieter Edelman (red.), Voorlopig ben ik humanist. Teksten en voordrachten van Jan van Zijverden (1928-2003)


Jaap Zwart
Jaap Zwart is lecturer at the Department of Legal Theory, VU University Amsterdam.

Femke Storm
Femke Storm is a law student at the VU University Amsterdam.
Showing 1 - 20 of 57 results
« 1 3
You can search full text for articles by entering your search term in the search field. If you click the search button the search results will be shown on a fresh page where the search results can be narrowed down by category or year.