Search result: 69 articles

x

    Deze analyse bespreekt uitvoerig de argumenten van voor- en tegenstanders van het wetsvoorstel ter versoepeling van de Belgische abortuswetgeving (2019-…). Het fel bediscussieerde wetsvoorstel beoogt het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon uit te breiden en abortus te destigmatiseren. Door vrijwillige zwangerschapsafbreking als gezondheidszorg te kwalificeren geven de indieners van het wetsvoorstel tevens de voorkeur aan een gezondheidsrechtelijk traject op maat van de zwangere persoon als patiënt. De inkorting van de wachtperiode-en het schrappen van abortusspecifieke informatieverplichtingen geven in die zin blijk van vertrouwen in de zwangere persoon, in het kwalitatief handelen van de zorgverlener en in de waarborgen die het gezondheidsrecht reeds biedt. De wetgever dient met andere woorden uit te maken (1) welke regels hij in de context van abortus nodig acht, (2) of deze regels reeds worden gewaarborgd door de algemene gezondheidswetten- en deontologie, en (3) of de vooropgestelde regels hun doel bereiken. Een uitbreiding van het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon wordt tevens bewerkstelligd door de termijnuitbreiding van twaalf naar achttien weken voor abortus op verzoek. Een keuze voor een termijn is steeds in zekere mate willekeurig, doch reflecteert een beleidsethische keuze waarbij wordt gezocht naar een evenwicht tussen de bescherming van ongeboren leven en het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon. Praktische bekommernissen vormen hierbij geen fundamenteel bezwaar tegen een termijnuitbreiding maar dienen, in overleg met de betrokken sector, te worden geanticipeerd en maximaal te worden opgevangen door middel van organisatorische (niet-noodzakelijk juridische) initiatieven. Ten slotte beogen de indieners van het wetsvoorstel opheffing van alle strafsancties voor vrijwillige zwangerschapsafbreking. Op rechtstheoretisch vlak blijven echter vragen bestaan omtrent de manier waarop dit voorstel een volledige depenalisering doorvoert. Hoewel het tuchtrecht enige rol kan spelen bij gebrek aan strafsancties, creëert de vooropgestelde depenalisering van ongeoorloofde zwangerschapsafbreking door een arts een rechtsonzekere situatie.
    ---
    This analysis extensively discusses the arguments of supporters and opponents of the legislative proposal to relax the Belgian abortion legislation (2019-…). The heavily debated proposal primarily aims to expand the pregnant person’s right to self-determination and to destigmatise abortion. By qualifying consensual termination of pregnancy as health care, the supporters of the proposal also prioritise an individualised, health-oriented approach towards the pregnant person as patient. In the same vein, the diminished waiting period and the removal of abortion-specific information duties express trust in the pregnant person, in the qualitative conduct of the health care provider, and in the guarantees that the health law already provides. In other words, the legislator must determine 1) which regulations it deems necessary in the context of abortion, 2) whether these regulations are already guaranteed by general health laws and ethics, and 3) whether the proposed regulations achieve their intended purpose. An expansion of the pregnant person’s right to self-determination is also achieved by the extension from twelve to eighteen weeks as a limit for abortion on request. Although a time limit is always arbitrary to some extent, it mainly reflects a policy-ethical decision in which a balance is sought between the protection of unborn life and the pregnant person’s right to self-determination. Practical concerns do not establish a fundamental objection to the extension of such limit, but must, in consultation with the medical profession, be anticipated and dealt with as much as possible by means of organisational (not necessarily legal) initiatives. Finally, the proposal lifts all criminal sanctions currently applicable to consensual termination of pregnancy. On a legal-theoretical level, however, questions remain about the way in which the proposal implements full depenalisation. Although disciplinary law can play some role in the absence of criminal sanctions, the depenalisation of unlawful termination of pregnancy by a health care professional produces legal uncertainty.


F. De Meyer
Fien De Meyer doet doctoraatsonderzoek naar regelgeving inzake abortus aan de Universiteit van Antwerpen.

C. De Mulder
Charlotte De Mulder doet doctoraatsonderzoek naar het statuut van ongeboren leven aan de Universiteit van Antwerpen.
Article

Access_open Moet de strafrechter ook de scheidsrechter zijn van het publieke debat?

De scheiding der machten in het licht van de vrijheid van meningsuiting voor volksvertegenwoordigers

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2020
Keywords Freedom of speech, Separation of powers, Criminal law, Hate speech, Legal certainty
Authors Jip Stam
AbstractAuthor's information

    This article contains a critical review of the provisions in the Dutch penal code regarding group defamation and hate speech. It is argued that not only these provisions themselves but also their application by the Dutch supreme court, constitutes a problem for the legitimacy and functioning of representative democracy. This is due to the tendency of the supreme court to employ special constraints for offensive, hateful or discriminatory speech by politicians. Because such a special constraint is not provided or even implied by the legislator, the jurisprudence of the supreme court is likely to end up in judicial overreach and therefore constitutes a potential – if not actual – breach in the separation of powers. In order to forestall these consequences, the protection of particularly political speech should be improved, primarily by a revision of the articles 137c and 137d of the Dutch penal code or the extension of parliamentary immunity.


Jip Stam
Jip Stam is onderzoeker en docent bij de afdeling Encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Leidse rechtenfaculteit.

    De grote toestroom van migranten en asielzoekers in de EU houdt vandaag nog steeds verschillende regelgevers wakker. Niet alleen de nationale overheden, maar ook de EU-regelgevers zoeken naarstig naar oplossingen voor de problematiek. Daartoe trachten de EU-regelgevers het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS) bij te werken.
    Binnen de groep migranten en asielzoekers bestaat een specifiek kwetsbaar individu: de niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBMV). Hij is zowel vreemdeling als kind en kreeg reeds ruime aandacht binnen de rechtsleer. Nochtans werd deze aandacht niet altijd weerspiegeld in de EU-wetgeving. Het lijkt alsof hij door de regelgevers af en toe uit het oog verloren werd.
    Uit het onderzoek blijkt dat de EU-regelgevers nog een zekere weg te gaan hebben. In de eerste plaats bestaat er wat betreft het geheel aan regels met betrekking tot de NBMV weinig coherentie. De EU-regelgevers zouden bijvoorbeeld meer duidelijkheid kunnen scheppen door een uniforme methode vast te leggen voor de bepaling van de leeftijd van de NBMV. Hetzelfde geldt voor een verduidelijking van de notie ‘het belang van het kind’ binnen asiel en migratie. Verder blijken de Dublinoverdrachten en de vrijheidsontneming van de NBMV nog steeds gevoelige pijnpunten. Hier en daar moet aan de hervorming van het asielstelsel nog wat gesleuteld worden, zodat de rechten van de NBMV optimaal beschermd kunnen worden.
    ---
    Today, the large influx of migrants and asylum seekers into the European Union (EU) keeps several regulators awake. Not only national authorities, but EU regulators too are diligently searching for solutions to the problems. To this end, EU regulators are seeking to update the Common European Asylum System (CEAS).
    There is however a particularly vulnerable individual within the group of migrants and asylum seekers: the unaccompanied alien minor (UAM). These minors already received a great deal of attention within legal doctrine. However, this attention was not always reflected in EU legislation. It seems as if UAM are occasionally lost from sight by the regulators.
    This article shows that the EU regulators still have a certain way to go. First, there is little coherence in the set of rules relating to the UAM. The EU regulators could, for example, create more clarity by laying down a uniform method for determining the age of the UAM. The same applies to a clarification of the notion of 'best interests of the child' within the context of asylum and migration. Second, the proposal for a new Dublin Regulation and the proposal for a new Reception Conditions Directive still appear to be sensitive. Here and there, the reform of the asylum system still needs adjustments, so that the rights of UAM can be optimally protected."


Caranina Colpaert LLM
Caranina Colpaert is PhD researcher
Article

Access_open Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2019
Keywords oprichting, doelstelling, band met de rechtspraktijk, rechtsfilosofie en rechtstheorie, internationalisering (van Duits naar Engels)
Authors Corjo Jansen
AbstractAuthor's information

    De Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (VWR) is opgericht op 28 december 1918. Zij had tot doel de studie van de rechtsfilosofie en het maatschappelijk leven. Deze studie moest tevens relevant zijn voor de rechtspraktijk. Vanaf haar oprichting kende de VWR een sterke internationale oriëntatie, aanvankelijk gericht op Duitsland, later vooral op het Verenigd Koninkrijk en de VS. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw beleefde de VWR wat betreft belangstelling en ledenaantal haar hoogtepunt. In 2016 besloot zij – na een gestage neergang – de band met de Nederlandstalige (praktijk)jurist weer aan te halen.


Corjo Jansen
Corjo Jansen is hoogleraar Rechtsgeschiedenis en Burgerlijk recht en voorzitter van het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen.

    This article is part of a broader discussion about attaining a full-fledged child-friendly (criminal) justice. Attaining that goal is particularly challenging in cases of international parental abduction, due to the involvement of two branches of law. It is examined to what extent the current interaction guarantees a decision in the best interests of the child. More specifically, the implications of the adage le criminel tient le civil en état are scrutinised from a children’s rights perspective.
    The central research question reads: “to what extent can the adage le criminal tient le civil and état be upheld when further elaborating the best interests of the child in criminal law, more specifically in the interaction between civil and criminal law?” The research wants to contribute to the debate of the difficult triangular relationship between civil law, criminal law and children's rights law.
    In cases of child abduction, the link and interaction between the two procedures goes beyond the traditionally accepted scope of civil damages arising from a criminal offense. Nevertheless, both procedures following a parental abduction are based on the same facts and are inextricably linked, which means that they have to be assessed together, which means that they should be judged together. The question arises as to how the two parallel procedures can be coordinated better, now that it is clear that they may significantly influence each other.
    A full-fledged application of the adage means that a decision concerning the return of the child can only be handed down from the moment when the criminal proceeding (concerning the prosecution of the parent) is completed. It is immediately clear that this cannot be in the best interests of the child.
    It is argued that the adage must be abandoned or reversed to guarantee article 3 CRC. This statement is substantiated with arguments of both practical (referring to the time course) and fundamental (importance of the child best interets as a first consideration) nature. Thereby counterarguments are anticipated.
    ---
    Dit artikel kadert binnen de bredere discussie inzake het streven naar een kindvriendelijk (straf)rechtssysteem. In zaken van internationale parentale ontvoering, waarbij twee rechtstakken betrokken zijn, is dit bijzonder uitdagend. Er wordt onderzocht in welke mate de huidige interactie tussen beide rechtstakken het belang van het kind waarborgt. Concreet wordt het adagium le criminel tient le civil en état vanuit een kinderrechten-perspectief aan een kritische blik onderworpen.
    De centrale onderzoeksvraag luidt: “in welke mate is het adagium le criminel tient le civil and état houdbaar in de verdere uitwerking van het belang van het kind in het strafrecht, meer bepaald in de wisselwerking tussen burgerlijk en strafrecht?” Het artikel wil aan het belang van het kind een duidelijkere positie geven in de moeilijke driehoeksverhouding tussen burgerlijk recht, strafrecht en kinderrechten.
    In zaken van kinderontvoering gaat het de toepassing van het adagium verder dan de traditioneel aanvaarde reikwijdte van civielrechtelijke schadevergoedingen die voortvloeien uit een strafbaar feit. Niettemin zijn beide procedures, volgend op een parentale ontvoering, gebaseerd op dezelfde feiten en onlosmakelijk verbonden met elkaar, wat betekent dat ze samen moeten worden beoordeeld. De vraag rijst hoe de twee parallelle procedures beter gecoördineerd kunnen worden, nu duidelijk is dat ze elkaar op een significante manier kunnen beïnvloeden.
    Onverkorte toepassing van het adagium betekent dat de burgerlijke beslissing betreffende de terugkeer van het kind pas kan plaatsvinden vanaf het moment dat de strafrechtelijke procedure (betreffende de vervolging van de ouder) is voltooid. Het is meteen duidelijk dat dit niet in het belang van het kind kan zijn.
    Er wordt geargumenteerd dat het adagium moet worden verlaten dan wel omgedraaid om artikel 3 IVRK te garanderen. Argumenten van zowel praktische (verwijzend naar de tijdsverloop) als fundamentele (belang van het kind als eerste overweging) aard onderbouwen dit standpunt. Daarbij wordt geanticipeerd op tegenargumenten.


Elise Blondeel MSc
Doctoraal onderzoekster Strafrecht & Rechten van het Kind (BOF-mandaat). Onderzoeksdomein: Internationale Parentale Ontvoering. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

prof. dr. Wendy De Bondt
Professor Strafrecht/Rechten van het Kind/Jeugdrecht aan Universiteit Gent. Onderzoeksdomein: (Europees) strafrecht(elijk beleid) & Rechten van het Kind. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).
Article

Access_open Fenomenologie van het proces van bewijzen in strafzaken

Over de noodzaak van het vooroordeel

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2019
Authors Thomas Jacobus de Jong
Abstract

    In deze bijdrage staat de activiteit van bewijzen in strafzaken centraal. Betoogd wordt dat de vigerende rationalistische opvatting van strafrechtelijk bewijzen eraan voorbij gaat dat het bewijzen zich allereerst voltrekt op een vóór-reflectief niveau. Het primaire blikveld van de mens is namelijk niet het objectiverende kennen, zoals in de rationele bewijstheorieën wordt voorondersteld, maar de praktische relatie tot de wereld. In dit kader wordt eerst de filosofische achtergrond van de rationalistische bewijsopvatting in kaart gebracht, in het bijzonder de invloed van Aristoteles en Descartes. Vervolgens worden de daaruit voortkomende bevindingen aan de hand van ideeën en inzichten die zijn ontleend aan de existentiële fenomenologie kritisch gewaardeerd. Dit leidt tot de uiteenzetting van een hermeneutische opvatting van strafrechtelijk bewijzen.


Thomas Jacobus de Jong

    Alternative/amicable dispute resolution (ADR) is omnipresent these days. In line with global evolutions, the Belgian legislator embraced the use of these ADR mechanisms. Recent reforms of the law, first in 2013 with the act concerning the introduction of a Family and Juvenile Court and consecutively in 2018 with the act containing diverse provisions regarding civil law with a view to the promotion of alternative forms of conflict resolution, implemented more far-reaching measures to promote ADR than ever before. The ultimate goal seems to alter our society’s way of conflict resolution and make the court the ultimum remedium in case all other options failed.In that respect, the legislator took multiple initiatives to stimulate amicable dispute resolution. The reform of 2013 focused solely on family cases, the one in 2018 was broader and designed for all civil cases. The legal tools consist firstly of an information provision regarding ADR for the family judge’s clerk, lawyers and bailiffs. The judges can hear parties about prior initiatives they took to resolve their conflict amicably and assess whether amicable solutions can still be considered, as well as explain these types of solutions and adjourn the case for a short period to investigate the possibilities of amicable conflict resolution. A legal framework has been created for a new method, namely collaborative law and the law also regulates the link between a judicial procedure and the methods of mediation and collaborative law to facilitate the transition between these procedures. Finally, within the Family Courts, specific ‘Chambers of Amicable Settlement’ were created, which framework is investigated more closely in this article. All of these legal tools are further discussed and assessed on their strengths and weaknesses.
    ---
    Alternatieve of minnelijke conflictoplossing is alomtegenwoordig. De Belgische wetgever heeft het gebruik van deze minnelijke oplossingsmethodes omarmd, in navolging van wereldwijde evoluties. Recente wetshervormingen implementeerden maatregelen ter promotie van minnelijke conflictoplossing die verder reiken dan ooit tevoren. Het betreft vooreerst de hervorming in 2013 met de wet betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank en vervolgens kwam er in 2018 de wet houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing. De ultieme doelstelling van deze hervormingen is een mentaliteitswijziging omtrent onze wijze van conflictoplossing teweegbrengen, waarbij de rechtbank het ultimum remedium dient te worden nadat alle overige opties faalden.De wetshervorming van 2013 focuste uitsluitend op familiale materies, de hervorming van 2018 was ruimer en had alle burgerlijke zaken voor ogen. De wettelijke mogelijkheden bestaan vooreerst uit een informatieverstrekking omtrent minnelijke conflictoplossing in hoofde van de griffier van de familierechtbank, advocaten en gerechtsdeurwaarders. Rechters kunnen partijen horen omtrent eerdere ondernomen initiatieven om hun conflict op een minnelijke manier op te lossen, zij beoordelen of minnelijke oplossingen alsnog kunnen worden overwogen, zij kunnen de diverse minnelijke mogelijkheden toelichten aan partijen alsook de zaak voor een korte periode uitstellen om partijen toe te laten de mogelijkheden aan minnelijke conflictoplossing te verkennen. Er werd voorts een wetgevend kader uitgewerkt voor een nieuwe oplossingsmethode, namelijk de collaboratieve onderhandeling. De wet creëert tevens een link tussen een gerechtelijke procedure en de methodes van bemiddeling en collaboratieve onderhandeling, om de overgang tussen deze procedures te vereenvoudigen. Tot slot werden er binnen de familierechtbanken specifieke kamers voor minnelijke schikking opgericht, waarvan het wetgevend kader in detail wordt bestudeerd in dit artikel. Al deze wettelijke opties worden nader besproken en beoordeeld aan de hand van hun sterktes en zwaktes.


Sofie Raes
Sofie Raes is a Ph.D. candidate at the Institute for Family Law of the University of Ghent, where she researches alternative dispute resolution, with a focus on the chambers of amicable settlement in Family Courts. She is also an accredited mediator in family cases.
Article

Formele bestuurslaag of informele belangengroep?

Een literatuurstudie over de rol en invloed van lokale besturen in het Europese multilevel governance systeem

Journal Res Publica, Issue 3 2018
Keywords local government, Europeanization, multilevel governance, interest group politics, European decision-making, literature review
Authors Tom Verhelst
AbstractAuthor's information

    Should we consider local authorities and their associations as a formal government layer when they interact with the European institutions in order to influence EU legislation, or should this be classified as informal territorial interest group behaviour? This paper discusses the role and the influence of local authorities in the European decision-making process. Based on a literature review, the paper contrasts both positions in terms of theoretical underpinning, practical implementation and academic state of affairs. The paper demonstrates that whilst the formal perspective has gained more leeway in the official European policy discourse and subsequent institutionalisation in recent decades, it is often insufficient to guarantee the effective inclusion of local authorities in EU policy-making. Interest group action, i.e. lobbying, might therefore still be a more practical and powerful way of promoting local political interests in the European policy arena.


Tom Verhelst
Tom Verhelst is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het Centrum voor Lokale Politiek van de Universiteit Gent. Hij schreef een proefschrift over de rol en positie van de gemeenteraad en de gemeenteraadsleden in België. Zijn huidig onderzoek heeft hoofdzakelijk betrekking op de Europeanisering van lokale besturen en de functie van lokale besturen in het Europese multilevel governance systeem. In het bijzonder buigt hij zich over de vraag hoe lokale besturen invloed kunnen uitoefenen op Europese besluitvorming.
Article

Access_open Over verplichte excuses en spreekrecht

Wat is er mis met empirisch-juridisch onderzoek naar slachtoffers?

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2017
Keywords empirical legal studies, apologies, procedural justice, humiliation, victim rights
Authors Vincent Geeraets and Wouter Veraart
AbstractAuthor's information

    The central question in this article is whether an empirical-legal approach of victimhood and victim rights could offer a sufficient basis for proposals of legal reform of the legal system. In this article, we choose a normative-critical approach and raise some objections to the way in which part of such research is currently taking place in the Netherlands, on the basis of two examples of research in this field, one dealing with compelled apologies as a possible remedy within civil procedural law and the other with the victim’s right to be heard within the criminal legal procedure. In both cases, we argue, the strong focus on the measurable needs of victims can lead to a relatively instrumental view of the legal system. The legal system must then increasingly be tailored to the wishes and needs of victims. Within this legal-empirical, victim-oriented approach, there is little regard for the general normative principles of our present legal system, in which an equal and respectful treatment of each human being as a free and responsible legal subject is a central value. We argue that results of empirical-legal research should not too easily or too quickly be translated into proposals for legal reform, but first become part of a hermeneutical discussion about norms and legal principles, specific to the normative quality of legal science itself.


Vincent Geeraets
Vincent Geeraets is universitair docent aan de afdeling Rechtstheorie en rechtsgeschiedenis van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Wouter Veraart
Wouter Veraart is hoogleraar rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Philippe De Vries
Philippe De Vries is docent in de masteropleiding Politieke Communicatie en lid van de Political Communication Research Unit aan de Universiteit Antwerpen. Zijn expertise ligt in de politieke marketing, politieke communicatie en politieke psychologie.
Article

Aan de knoppen maar uit de pas?

Euroscepsis en euro-enthousiasme onder Nederlandse ambtenaren

Journal Res Publica, Issue 4 2016
Keywords Euroscepticism, representative bureaucracy, civil service, public opinion, the Netherlands, public administration
Authors Caspar van den Berg, Sebastiaan Princen and Ellen Mastenbroek
AbstractAuthor's information

    National officials play an important role in all phases of the EU policy process and are often assumed to be more euro-enthusiastic than other citizens. Yet, thus far systematic knowledge on their views on EU integration is lacking. This study fills this gap through recently collected survey data among Dutch officials (N = 3509). We find first that at least for officials, hard and soft euroscepticism are no gradations on the same scale, but separate dimensions. Second, both sociological and rational choice institutionalism help explain bureaucratic euroscepticism, where the latter seems to have a somewhat stronger explanatory power. Third, officials are on average indeed more euro-enthusiastic than other citizens. However, (a) relatively fewer officials are strongly euro-enthusiastic compared to the general population; (b) the total share of eurosceptics among officials is practically the same as the general population, and (c) significantly more officials report to be ‘strongly eurosceptic’ than among the wider population.


Caspar van den Berg
Caspar van den Berg is universitair hoofddocent aan het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden.

Sebastiaan Princen
Sebastiaan Princen is hoogleraar bestuur en beleid in de Europese Unie aan het Departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap van de Universiteit Utrecht.

Ellen Mastenbroek
Ellen Mastenbroek is hoogleraar European Public Policy aan de Faculteit der Managementwetenschappen van de Radboud Universiteit.
Symposium

De afstand tussen wetenschap en beleid

Journal Res Publica, Issue 3 2016
Authors Bea Cantillon, Marleen Brans, Evelien Tonkens e.a.
Author's information

Bea Cantillon
Bea Cantillon is gewoon hoogleraar en directeur van het Centrum voor Sociaal Beleid (CSB) – Herman Deleeck aan de Universiteit Antwerpen.

Marleen Brans
Marleen Brans is hoogleraar aan het Instituut voor de Overheid van de KU Leuven.

Evelien Tonkens
Evelien Tonkens is hoogleraar Burgerschap en humanisering van de publieke sector aan de Universiteit voor Humanistiek.

Corné van der Meulen
Corné van der Meulen is medewerker goed werk bij de Stichting Beroepseer. Voor de stichting doet hij onderzoek in voornamelijk de zorgsector en is hij verantwoordelijk voor de uitgeverij waarbij het boek Goed werk voor academici verschijnt.

Wouter Wolfs
Wouter Wolfs is aspirant van het FWO aan het Instituut voor de Overheid aan de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar parlementaire democratie in de Europese Unie, euroscepticisme en Europese politieke partijen. Hij bereidt een proefschrift voor over het financieringsregime van Europese partijen en stichtingen.
Article

Van Volksunie (VU) naar Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA)

Een analyse van de ideologische opvattingen van hun partijleden

Journal Res Publica, Issue 3 2016
Keywords regionalist parties, party ideology, elections, party members, Belgium
Authors Bram Wauters and Nicolas Bouteca
AbstractAuthor's information

    The electoral rise of the Belgian regionalist party New-Flemish Alliance (N-VA) from scratch to the country’s largest party is remarkable. We explore here to what extent the party has shifted in ideological terms compared to its less successful predecessor VU. We make use of party member survey data (a dynamic indicator of a party’s position). We distinguish three factors that impact on parties’ positions: institutional reforms, the influx of new members and changes in the internal power distribution. The results show a clear change: on each of the five policy dimensions (centre-periphery, socio-economic, moral-ethical, post-materialist and migration issues), significant differences could be found.


Bram Wauters
Bram Wauters is professor aan het Departement Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent. Hij is hoofd van de Ghent Association for the Study of Parties and Representation (GASPAR).

Nicolas Bouteca
Nicolas Bouteca is professor aan de vakgroep Politieke Wetenschappen van de UGent en lid van de Ghent Association for the Study of Parties and Representation (GASPAR). Hij publiceerde eerder over ideologie, politieke partijen, electorale competitie en het Belgisch federalisme.

    Dit artikel ontleedt het vaderschap, zowel op Belgisch als Europees niveau. Wie juridisch als vader wordt aangeduid, is niet altijd biologisch of sociaal vader voor een kind. Hoe dient de afweging van rechten en plichten voor deze verschillende vaders dan te gebeuren?
    Deel één bespreekt de vaderlijke afstamming naar Belgisch recht aan de hand van recente rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. In vier centrale thema’s wordt het standpunt van het Hof geplaatst tegenover dat van de wetgever en het EHRM. Aan bod komen: bezit van staat, vervaltermijnen, het belang van het kind en verboden afstamming. De doelstelling lijkt het bewerkstelligen van een grotere individualisering van het afstammingsrecht. Dit leidt tot een patstelling voor de wetgever, die zal moeten bepalen hoe het afstammingsrecht naar de toekomst toe wordt geconstrueerd. Verdedigd wordt dat een belangenafweging zich voornamelijk dient te situeren bij de betwistingsprocedure, daar waar bij gebrek aan een reeds gevestigd juridisch vaderschap de biologische band mag primeren.
    Vervolgens wordt het vaderschap naast het moederschap geplaatst. Waar voor moeders een zekere vanzelfsprekendheid geldt, is dit allesbehalve zo voor vaders. Bovendien heeft de moeder een bepaalde zeggenschap over wie de vader van het kind wordt.
    Na een toelichting van het begrip ouderlijk gezag wordt de kneedbaarheid ervan aangegrepen om nieuwe voorstellen te formuleren. Ingrepen op het ouderlijk gezag, waaronder de ontzetting, kunnen ervoor zorgen dat een sociaal onwenselijke biologische afstammingsband alsnog kan worden gevestigd. Wanneer meerdere vaderfiguren zich aandienen, kan een uitbreiding van (bepaalde) gezagsrechten naar andere personen soelaas bieden.
    Tot slot verkennen we de verdeling van verschillende vaderfuncties over meerdere personen, zoals die reeds bestaat voor het omgangsrecht en de alimentatieverplichting. De lege ferenda wordt gepleit voor een “attest van verwekkerschap”, een verklaring naar recht van het biologisch verwekkerschap, waaraan bepaalde rechtsgevolgen worden gekoppeld.
    This article analyses fatherhood from a Belgian and European context. The legal father is not necessarily the biological or social father. How should we balance the rights and obligations of these different kinds of fatherhood?
    Part one reviews paternity in Belgian law through recent jurisprudence of the Supreme Court. In four central themes the Supreme Court’s position is weighed against that of the legislator and the ECHR. The four central themes are discussed in the following order: “possession of state”, statutes of limitations, the best interests of the child, and illegal filiation. The aim of the Supreme Court seems to be a case by case appreciation of filiation. It is then up to the legislator to decide how legal parentage is to be construed in the future. A balancing of interests should be the primary - and maybe even exclusive - consideration when the paternity is disputed. Where legal paternity has yet to be established, biological ties should be decisive.
    Next, legal paternity will be compared to legal maternity. Whereas establishing legal parentage seems to be quite evident in the case of mothers, this is not so straightforward for fathers. Moreover the mother has a say in who is to be the legal father.
    After a clarification ofthe concept ‘parental authority’, its flexible nature is taken as a starting point to suggest new solutions. Intervening in parental authority allows us to establish the socially undesirable biological paternity.In the case of multiple father figures, an expansion of specific authority rights to others may offer an alternative solution.
    Lastly, we explore the possibility of sharing paternal rights and obligations among multiple candidates, as is the case for visitation rights and child support obligations. We argue in favour of a “certificate of procreation” - a declaration of biological relationship that generates specific legal consequences.


Eline Smeuninx MA
Eline Smeuninx graduated from the law faculty of the University of Antwerp in 2014. She now specialises in medical law. As of September 2015 she will work as an associate in a law firm in Antwerp.
Research Note

Gendermainstreaming in de praktijk?

De case van EU-ontwikkelingssamenwerking met Rwanda onderzocht

Journal Res Publica, Issue 4 2015
Authors Petra Debusscher
Author's information

Petra Debusscher
Petra Debusscher is postdoctoraal onderzoeker van het FWO en verbonden aan de Vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Antwerpen. Haar onderzoek bevindt zich op het kruispunt van de EU-studies en de genderstudies en richt zich specifiek op de genderdimensie van het Europees buitenlands beleid.
Research Note

Effecten van de kiesdrempel op het Belgische partijlandschap

Journal Res Publica, Issue 3 2015
Authors Min Reuchamps, François Onclin, Didier Caluwaerts e.a.
Author's information

Min Reuchamps
Min Reuchamps is professor in de politieke wetenschappen aan de Université catholique de Louvain. Zijn onderzoeksinteresse omvat federalisme en multilevel governance, Belgische politiek en democratische innovaties.

François Onclin
François Onclin is onderzoeker van het Fonds de la Recherche Scientifique – FNRS en doctoraatsstudent in de rechten aan de Université de Liège. Hij publiceerde meerdere artikels in het domein van politieke wetenschappen en rechten. Zijn huidige onderzoeksinteresse gaat uit naar de relatie tussen administratief recht en contracten.

Didier Caluwaerts
Didier Caluwaerts is postdoctoraal onderzoeker van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen aan de Vrije Universiteit Brussel. Zijn onderzoek concentreert zich op sociale en democratische innovatie, met bijzondere aandacht voor deliberatieve democratie.

Pierre Baudewyns
Pierre Baudewyns is professor aan de Université catholique de Louvain. Zijn onderzoeksinteresse gaat uit naar politiek gedrag tussen massa en elites in België en Europa.

Ferdi De Ville
Ferdi De Ville is docent Europese Politiek aan het Centrum voor EU-Studies van de Universiteit Gent. Zijn onderzoeksbelangstelling gaat voornamelijk uit naar Europees handelsbeleid en de politiek-economische gevolgen van de eurocrisis.
Article

Aandacht trekken of advies verstrekken?

De aanwezigheid van middenveldorganisaties in adviesraad- en beeldbuispolitiek

Journal Res Publica, Issue 2 2015
Keywords advocacy groups, political arena, media arena, access, Flanders
Authors Bert Fraussen and Ruud Wouters
AbstractAuthor's information

    Advocacy groups can contribute to the public debate in many different ways. In this contribution we compare the presence of Belgian advocacy groups in two crucial arenas: the media arena and the political arena. We analyze the presence of advocacy groups in the 12 strategic advisory councils of the Flemish government (political arena) and the 19 o’clock newscasts of the most important public and commercial television stations in Flanders. We argue that while each arena has its own logic, elements of the political logic are echoed in the media logic. Our results show that access to both arenas is cumulative: the same organizations dominate both arenas. Both arenas are not perfect reflections of each other though. Organizations lacking access to the political arena can rise in the media arena by offering conflict and spectacle. However, this is the exception rather than the rule, as most ‘political outsiders’ gain little attention from journalists. We conclude that mass media tend to follow and reinforce political power, rather than offering challengers a level playing field.


Bert Fraussen
Bert Fraussen is postdoctoraal onderzoeker aan de Research School of the Social Sciences, Australian National University (ANU). Daarnaast is hij ook lid van de onderzoeksgroep ACIM (Antwerp Centre for Institutions and Multilevel Politics) aan de Universiteit Antwerpen. Zijn onderzoek focust op belangengroepen en lobbying, meer specifiek op de ontwikkeling van belangenorganisaties en hun interactie met beleidsmakers.

Ruud Wouters
Ruud Wouters is postdoctoraal onderzoeker bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en lid van onderzoeksgroep M2P (Media, Middenveld & Politiek; Universiteit Antwerpen).

Jan Kleinnijenhuis
Jan Kleinnijenhuis is als hoogleraar Communicatiewetenschap verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Zijn onderzoek richt zich op de samenstelling van politiek en economisch nieuws in nationale en internationale media, alsmede op de totstandkoming en uitwerking daarvan.
Showing 1 - 20 of 69 results
« 1 3 4
You can search full text for articles by entering your search term in the search field. If you click the search button the search results will be shown on a fresh page where the search results can be narrowed down by category or year.