Search result: 12 articles

x
Article

Access_open Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2019
Keywords oprichting, doelstelling, band met de rechtspraktijk, rechtsfilosofie en rechtstheorie, internationalisering (van Duits naar Engels)
Authors Corjo Jansen
AbstractAuthor's information

    De Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (VWR) is opgericht op 28 december 1918. Zij had tot doel de studie van de rechtsfilosofie en het maatschappelijk leven. Deze studie moest tevens relevant zijn voor de rechtspraktijk. Vanaf haar oprichting kende de VWR een sterke internationale oriëntatie, aanvankelijk gericht op Duitsland, later vooral op het Verenigd Koninkrijk en de VS. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw beleefde de VWR wat betreft belangstelling en ledenaantal haar hoogtepunt. In 2016 besloot zij – na een gestage neergang – de band met de Nederlandstalige (praktijk)jurist weer aan te halen.


Corjo Jansen
Corjo Jansen is hoogleraar Rechtsgeschiedenis en Burgerlijk recht en voorzitter van het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen.

    Op 11 februari 2015 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa de Recommendation on preventing and resolving disputes on child relocation aangenomen. Dit is het eerste Europese instrument over het verhuizen met kinderen na scheiding. De Recommendation heeft een duidelijk tweeledig doel: het voorkomen van conflicten over verhuizingen met kinderen en, indien een conflict is gerezen, het bieden van richtsnoeren voor het oplossen daarvan. In deze bijdrage staan in de eerste plaats de inhoud van de Recommendation en de daarbij gemaakte keuzes centraal. Daarnaast wordt ingegaan op de vraag wat deze Recommendation kan betekenen voor het Nederlandse recht en de toepassing daarvan in verhuiszaken. In de Recommendation worden enige, naar het oordeel van de auteur verstandige keuzes gemaakt. Zo verdient het stevig inzetten op alternatieve geschiloplossing steun. Daarnaast is de aanbevolen afzonderlijke beoordeling van het belang van het kind, zonder dat dit belang echter de doorslag hoeft te geven, in overeenstemming met vaste rechtspraak van de Hoge Raad in verhuiszaken. Ook het pleidooi voor een neutrale, kind-gecentreerde, casuïstische benadering door de rechter strookt met de wijze waarop Nederlandse rechters tot hun beslissingen in verhuiszaken komen. Specifieke verhuiswetgeving op deze punten, zoals de Recommendation voorstelt, acht de auteur dan ook niet nodig. Wel zou de wettelijke verankering van de in de Recommendation voorgestelde formele notificatieplicht kunnen bijdragen aan het voorkomen van verhuisconflicten. Krachtens deze plicht dient de ouder met een verhuiswens de andere ouder – schriftelijk en binnen een redelijke termijn – te informeren over de voorgenomen verhuizing. Hoewel de verwachtingen van het daadwerkelijke effect van de Recommendation als niet-bindend instrument niet al te hoog gespannen moeten zijn, draagt deze bij aan de erkenning van verhuizing met kinderen als een (hoog)potentieel conflictueuze aangelegenheid.
    On the 11th February 2015 the Committee of Ministers of the Council of Europe adopted the Recommendation on preventing and resolving disputes on child relocation. This is the first European instrument on child relocation. The aim of the Recommendation is twofold: preventing relocation disputes, and in case of a dispute, providing guidelines for solving them. This contribution firstly intends to examine the principles of the Recommendation and the choices that has been made during the drafting process. Secondly, it will look at the question of to what extent the Recommendation could lead to any adjustments of Dutch law and its application in relocation cases. In the opinion of the author, a number of prudent choices have been made in the Recommendation. In the first place, the encouragement of alternative dispute resolution ought to be supported. Secondly, the recommended individual and separate assessment of the best interests of the child (whose interests are, however, not decisive) is in accordance with the case law of the Supreme Court of the Netherlands in relocation cases. The plea for a neutral, child centered, case-by-case approach by the court is also consistent with the way in which Dutch courts make their decisions in relocation cases. Specific relocation legislation in this regard is not necessary in the opinion of the author. However, a legislative provision requiring the relocating parent to inform the other parent prior to the intended relocation might contribute to the prevention of disputes on child relocation. Although expectations concerning the actual effect of the Recommendation as a non-binding instrument should not be too high, it nevertheless contributes to the recognition of child relocation as an issue with a high potential for conflict.


Prof. mr. Lieke Coenraad
Prof. mr. Lieke Coenraad is Professor of Private Law and Dispute Resolution at the law faculty of VU University Amsterdam. She is also deputy judge at the Court of Appeal of Amsterdam.

    Zowel in België als in Nederland komt draagmoederschap voor. Deze bijdrage heeft tot doel om de houding van de twee buurlanden ten aanzien van dit controversiële fenomeen te onderzoeken en te vergelijken.
    De wensouders en draagmoeders ervaren meerdere juridische obstakels. Zo blijkt in beide landen de draagmoederschapsovereenkomst niet geldig en evenmin afdwingbaar te zijn. Hoewel in Nederland de mogelijkheid bestaat om het ouderlijk gezag over te dragen van draagmoeder naar wensouders, is het ook daar, net zoals in België, allesbehalve evident om de band tussen kind en wensouders juridisch te verwezenlijken. Noch de oorspronkelijke, noch de adoptieve afstamming is aan het fenomeen aangepast. Vooral voor Nederland is dit vreemd aangezien de Nederlandse wetgeving uitdrukkelijk bepaalt onder welke voorwaarden medisch begeleid draagmoederschap toegelaten is. De wet schept met andere woorden een gezondheidsrechtelijk kader, maar regelt niet de gevolgen van het draagmoederschap. In België is er daarentegen geen enkele wetgeving betreffende draagmoederschap. Dit betekent dat de onaangepaste wetgeving betreffende medisch begeleide voortplanting van toepassing is op draagmoederschap. Over deze toepassing en de gevolgen ervan bestaat evenwel onduidelijkheid. Commercialisering van draagmoederschap leidt ook tot problemen. In Nederland is professionele bemiddeling en het openbaar maken van vraag en aanbod met betrekking tot draagmoederschap strafbaar gesteld. Daarnaast kunnen de omstandigheden van een zaak waarin het kind als het ware verkocht wordt aan de wensouders zowel in België als in Nederland leiden tot andere misdrijven. Gelet op dit alles begeven sommige wensouders zich naar het buitenland om daar beroep te doen op draagmoederschap. Wensen zij terug te keren met het kind naar het land van herkomst, dan leidt dit in beide buurlanden tot internationaalprivaatrechtelijke problemen.
    Door het gebrek aan een algemeen wettelijk kader, is het draagmoederschapsproces in beide landen vaak een calvarietocht. Dit leidt tot rechtsonzekerheid. Oproepen tot een wettelijk ingrijpen bleven tot nu toe echter onbeantwoord.
    Surrogacy is practiced in Belgium and the Netherlands. The aim of this contribution is to compare the many legal aspects of the phenomenon. In both countries legal problems surround surrogacy: the surrogacy contract is unenforceable; it is difficult for the intended parents to become the legal parents; commercial surrogacy can result in criminal sanctions and cross-border surrogacy leads to limping legal relations. The main differences between the two legal systems are that in Belgium there is no regulation at all, while in the Netherlands, professional mediation and advertising in surrogacy are explicitly forbidden and Dutch law provides a limited health law regulation. In both countries scholars have pressed the need for legal change.


Dr. Liesbet Pluym Ph.D.

    Sinds de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 heeft men herhaaldelijk getracht de gronden voor echtscheiding te verruimen. Hoewel deze gronden uiteindelijk pas verruimd werden in 1971, werd de tot die tijd bestaande situatie, waarbij echtscheiding slechts op vier gronden mogelijk was en echtscheiding met wederzijds goedvinden verboden was, als onwenselijk beschouwd. Dit gevoelen werd nog sterker na het arrest van de Hoge Raad uit 1883, de zogenaamde 'Groote Leugen'. Teneinde een einde te maken aan deze 'Groote Leugen' en in een poging het Nederlandse echtscheidingsrecht meer in lijn te brengen met het Duitse recht, heeft de Nederlandse secretaris-generaal voor Justitie, J.J. Schrieke, tussen 1942 en 1944 twee wijzigingsvoorstellen voorgelegd aan de Duitse autoriteiten welke destijds Nederland bezet hielden. Dit artikel analyseert beide wijzigingsvoorstellen en probeert een antwoord te geven op de vraag in hoeverre deze voorstellen het resultaat waren van een mogelijke invloed van het Nationaal Socialisme.
    ---
    Since the introduction of the Civil Code in 1838 one has repeatedly tried to extend the grounds for divorce. Although the grounds for divorce were not extended before 1971, the then existing situation, with only four grounds for divorce and a prohibition of divorce with mutual consent, was considered undesirable This sentiment became even stronger after the judgment of the Dutch Supreme Court of 1883, which became known as the 'Big Lie'. In order to stop this 'Big Lie' and in an attempt to bring Dutch divorce law more in line with German divorce law, the Dutch secretary-general of Justice, J.J. Schrieke, has presented the German authorities, which then occupied the Netherlands, with two draft revisions between 1942 and 1944. This article analyses both drafts and tries to answer the question to what extent these drafts were the result of a possible influence of National Socialism. This article is a summary of a part of the most important conclusions of the dissertation of the author, titled: 'National Socialist Family Law. The influence of National Socialism on marriage and divorce law in Germany and the Netherlands' defended at Maastricht University on 8 November 2012. A commercial edition of the dissertation is forthcoming.


Dr. Mariken Lenaerts LL.M., Ph.D.
Mariken Lenaerts obtained her doctorate at Maastricht University.

Stephan Keukeleire
Stephan Keukeleire is als Jean-Monnet Professor verbonden aan LINES (Leuven International and European Studies), KULeuven, en houder van de Total Chair in EU Foreign Policy aan het Europa College in Brugge. Hij is co-auteur van het boek The Foreign Policy of the European Union (2nd ed.).

Kolja Raube
Kolja Raube is als senior researcher verbonden aan het Leuven Centre for Global Governance Studies. Hij is ook programmacoördinator van en docent in de Master of European Studies: Transnational and Global Perspectives van de KULeuven.
Article

Access_open De complexiteit van het kwaad

Een kritische lezing van Hannah Arendts Eichmann in Jerusalem

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2012
Keywords banality of evil, Hannah Arendt, Adolf Eichmann, Holocaust studies, philosophy of international criminal law
Authors Klaas Rozemond
AbstractAuthor's information

    In her book Eichmann in Jerusalem Hannah Arendt concluded that the Eichmann trial taught us the lesson of the ‘fearsome, word-and-thought-defying banality of evil’. Arendt explained the concept of banality as thoughtlessness: Eichmann did not realize what he was doing when he planned and executed the Final Solution of the Jewish Question in Nazi Germany. In this article Arendt’s analysis of Eichmann’s evil is criticized from an internal perspective: the conclusion that Eichmann was thoughtless cannot be founded on the information Arendt herself gives, especially her reports on Eichmann’s idealism, his knowledge of Kant’s categorical imperative, his Pontius Pilate feeling during the Wannsee Conference, and the two crises of conscience Eichmann experienced during the Holocaust. This information shows that Eichmann clearly realized what he was doing in a moral sense and consciously decided to go on with the Final Solution on the basis of his own convictions as a Nazi.


Klaas Rozemond
Klaas Rozemond is Associate Professor of Criminal Law at the VU University of Amsterdam.
Article

Strijden voor of om de publieke omroep?

Hoe subsidiariteit de Europese Commissie en de lidstaten verdeelt in het staatssteunbeleid

Journal Res Publica, Issue 1 2012
Keywords state aid, public service broadcasting, cultural objectives, media policy
Authors Karen Donders
AbstractAuthor's information

    Since the early 1990s, the European Commission applies the State aid rules (part of European competition law) to the funding of national and subnational public broadcasters. This article analyzes to what extent discussions on the regulation and funding of public service broadcasting are determined by a conflictual notion of subsidiarity. Focusing on encounters between the European Commission on the one hand and Germany, the Netherlands and Flanders on the other hand, the article concludes that Member States and the European Commission focus more on competence divisions than on substantive discussions about the future of public service broadcasting. This is particularly regrettable as the digital age requires a thorough re-thinking of the role of public broadcasters in Western European democracies.


Karen Donders
Karen Donders doceert European Media Policy en European Information Society aan de Vrije Universiteit Brussel. Ze is senior onderzoeker bij het IBBT-SMIT (Vrije Universiteit Brussel). Haar postdoctorale onderzoek wordt gefinancierd door het FWO. Ze is gespecialiseerd in publiek omroepbeleid, Europees mededingingsbeleid in de mediasector en Europees mediabeleid.
Article

Access_open Wetenschappelijke rechtsgeleerdheid

Commentaar op het preadvies van Carel Smith

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 3 2009
Keywords law and hermeneutics, law and normativity, one right answer thesis, legal jurisprudence, legal doctrine
Authors Prof. dr. Arend Soeteman
AbstractAuthor's information

    This article is a comment on Carel Smith’s paper. Smith rightly argues that the study of law has a hermeneutic character. But his interpretation of legal hermeneutics includes the thesis that in hard cases there is no right or true legal decision. This seems to have negative implications for the scholarly character of the study of law: in hard cases any solution goes. This paper argues, against Smith, that the study of law defends right answers for hard cases. It is also normative in another sense: legal answers, in easy cases as well as in hard cases, always presuppose a normative interpretation of the legal sources. This contributes to the differences of opinion under lawyers. But it is no obstacle to the scholarly character of the study of law, as long as a rational debate about these legal answers and the underlying values and principles is possible. Smith’s rejection of the right answer thesis, however, prevents the possibility of such a rational debate.


Prof. dr. Arend Soeteman
Arend Soeteman is professor at the Faculty of Law, VU University Amsterdam.
Article

Access_open Lettres Persanes 12

Populisme en representatieve democratie

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 3 2008
Keywords democratie, bemiddeling, legitimiteit, verkiezing, aansprakelijkheid, citaat, idee, website, algemeen belang
Authors M. Adams

M. Adams

    In 2006, the European Union was still suffering from a legitimacy crisis following the ill-fated referenda on the Constitutional Treaty in 2005. Nevertheless, this overview of different internal and external European initiatives in 2006 presents a more ambiguous picture. On the one hand, EU policy-makers failed to gather momentum for new and ambitious European initiatives; on the other hand the EU did make some progress in a number of new and running dossiers.
    The extended reflection period did not result in a solution for the institutional impasse, despite some limited proposals (‘Plan D’, a mini-Constitution) to turn the tide. In spite of clear signs of enlargement fatigue, two new member states (Romania and Bulgaria) acceded to the EU. The enlargement negotiations with Croatia and Turkey continued – even though the talks with Turkey were somewhat scaled down. In 2006 the energy issue reached the top of the European political agenda, with ambitious proposals from the European Commission, but this did not result in specific EU policy decisions. The EU did finally reach a compromise on other dossiers that had been stuck in the EU decision-making machinery for years, such as the Bolkestein directive on the liberalisation of services and the REACH regulation on chemicals. The EU’s external and foreign policies were characterised by the EU’s involvement in a number of crisis situations (Lebanon, Congo) and the elaboration of the European Neighbourhood Policy (Action Plans). EU initiatives in the areas of migration and energy also link up with Europe’s external policies – especially in relation to the EU’s neighbouring regions.


Hendrik Vos
Docent Vakgroep politieke wetenschappen UGent.

Jan Orbie
Doctor-assistent Vakgroep politieke wetenschappen UGent.

An Schrijvers
Assistent Vakgroep politieke wetenschappen UGent.

Mark Deweerdt
Licentiaat in de Politieke Wetenschappen. Politiek redacteur bij De Tijd.
Article

Access_open Recht, onrecht, gerechtigheid

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2006
Keywords idee, geschrift, justitiabele, citaat, bewijslast, mededeling, model, noodzakelijkheid, uitgave, verlies
Authors P. Schilfgaarde

P. Schilfgaarde
Showing all 12 results
You can search full text for articles by entering your search term in the search field. If you click the search button the search results will be shown on a fresh page where the search results can be narrowed down by category or year.