Search result: 37 articles

x
Article

Access_open The Determinants of Committee Membership in Belgium and the Netherlands

Journal Politics of the Low Countries, Issue 3 2021
Keywords parliamentary committees, legislative organisation
Authors Tim Mickler
AbstractAuthor's information

    In this article I analyse whether differences in formal committee structures affect how parliamentary actors organise their work within them. I compare the allocation of members to specialised committees in the Dutch House of Representatives (Tweede Kamer) and the Belgian Chamber of Representatives (Kamer van Volksvertegenwoordigers/Chambre des Représentants) to test whether committee assignments are given more serious consideration when committees are strong. Despite many similarities, both parliaments differ in their internal institutional arrangements: committees in the Chamber of Representatives are, at least formally, considerably more powerful than those in the Dutch Lower House. The article uses the congressional theories of legislative organisation as heuristic devices to deduce several rationales of the assignment process. The role of parliamentary party groups is highlighted. The results indicate the presence of stable, reoccurring patterns in both parliaments. Even in the House of Representatives, where committees present lower opportunity structures, assignments are given due consideration.


Tim Mickler
Tim Alexander Mickler is an assistant professor at the Institute of Political Science at Leiden University. Corresponding author: Tim Mickler at t.a.mickler@fsw.leidenuniv.nl.

    Deze analyse bespreekt uitvoerig de argumenten van voor- en tegenstanders van het wetsvoorstel ter versoepeling van de Belgische abortuswetgeving (2019-…). Het fel bediscussieerde wetsvoorstel beoogt het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon uit te breiden en abortus te destigmatiseren. Door vrijwillige zwangerschapsafbreking als gezondheidszorg te kwalificeren geven de indieners van het wetsvoorstel tevens de voorkeur aan een gezondheidsrechtelijk traject op maat van de zwangere persoon als patiënt. De inkorting van de wachtperiode-en het schrappen van abortusspecifieke informatieverplichtingen geven in die zin blijk van vertrouwen in de zwangere persoon, in het kwalitatief handelen van de zorgverlener en in de waarborgen die het gezondheidsrecht reeds biedt. De wetgever dient met andere woorden uit te maken (1) welke regels hij in de context van abortus nodig acht, (2) of deze regels reeds worden gewaarborgd door de algemene gezondheidswetten- en deontologie, en (3) of de vooropgestelde regels hun doel bereiken. Een uitbreiding van het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon wordt tevens bewerkstelligd door de termijnuitbreiding van twaalf naar achttien weken voor abortus op verzoek. Een keuze voor een termijn is steeds in zekere mate willekeurig, doch reflecteert een beleidsethische keuze waarbij wordt gezocht naar een evenwicht tussen de bescherming van ongeboren leven en het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon. Praktische bekommernissen vormen hierbij geen fundamenteel bezwaar tegen een termijnuitbreiding maar dienen, in overleg met de betrokken sector, te worden geanticipeerd en maximaal te worden opgevangen door middel van organisatorische (niet-noodzakelijk juridische) initiatieven. Ten slotte beogen de indieners van het wetsvoorstel opheffing van alle strafsancties voor vrijwillige zwangerschapsafbreking. Op rechtstheoretisch vlak blijven echter vragen bestaan omtrent de manier waarop dit voorstel een volledige depenalisering doorvoert. Hoewel het tuchtrecht enige rol kan spelen bij gebrek aan strafsancties, creëert de vooropgestelde depenalisering van ongeoorloofde zwangerschapsafbreking door een arts een rechtsonzekere situatie.
    ---
    This analysis extensively discusses the arguments of supporters and opponents of the legislative proposal to relax the Belgian abortion legislation (2019-…). The heavily debated proposal primarily aims to expand the pregnant person’s right to self-determination and to destigmatise abortion. By qualifying consensual termination of pregnancy as health care, the supporters of the proposal also prioritise an individualised, health-oriented approach towards the pregnant person as patient. In the same vein, the diminished waiting period and the removal of abortion-specific information duties express trust in the pregnant person, in the qualitative conduct of the health care provider, and in the guarantees that the health law already provides. In other words, the legislator must determine 1) which regulations it deems necessary in the context of abortion, 2) whether these regulations are already guaranteed by general health laws and ethics, and 3) whether the proposed regulations achieve their intended purpose. An expansion of the pregnant person’s right to self-determination is also achieved by the extension from twelve to eighteen weeks as a limit for abortion on request. Although a time limit is always arbitrary to some extent, it mainly reflects a policy-ethical decision in which a balance is sought between the protection of unborn life and the pregnant person’s right to self-determination. Practical concerns do not establish a fundamental objection to the extension of such limit, but must, in consultation with the medical profession, be anticipated and dealt with as much as possible by means of organisational (not necessarily legal) initiatives. Finally, the proposal lifts all criminal sanctions currently applicable to consensual termination of pregnancy. On a legal-theoretical level, however, questions remain about the way in which the proposal implements full depenalisation. Although disciplinary law can play some role in the absence of criminal sanctions, the depenalisation of unlawful termination of pregnancy by a health care professional produces legal uncertainty.


F. De Meyer
Fien De Meyer doet doctoraatsonderzoek naar regelgeving inzake abortus aan de Universiteit van Antwerpen.

C. De Mulder
Charlotte De Mulder doet doctoraatsonderzoek naar het statuut van ongeboren leven aan de Universiteit van Antwerpen.
Article

Access_open Putting the Dutch Child Labour Due Diligence Act into Perspective

An Assessment of the CLDD Act’s Legal and Policy Relevance in the Netherlands and Beyond

Journal Erasmus Law Review, Issue 4 2019
Keywords Mandatory Due Diligence, Responsible Business Conduct, Child Labour Due Diligence Act
Authors Liesbeth Enneking
AbstractAuthor's information

    In May 2019, the Dutch senate adopted a private member’s bill introducing a due diligence obligation for companies bringing goods or services onto the Dutch market with respect to the use of child labour in their supply chains. The aim of this article is to place this Child Labour Due Diligence (CLDD) Act in the national and international legal context and to discuss its relevance for the broader debate on international responsible business conduct (IRBC) in global value chains. The article shows that the CLDD Act introduces a due diligence obligation in this context that is new to Dutch law, as is the public law supervisor that is to be tasked with its enforcement. However, it does nothing to broaden the possibilities for access to remedies for victims of child labour beyond those already in existence. The article also shows that when compared with 2017 the French Duty of Vigilance Law, which is the only other mandatory due diligence law to have been adopted so far, the CLDD Act stands out in several respects. It is overshadowed, however, by the European parliament’s recent adoption of an ambitious outline for a future EU due diligence directive. Nonetheless, in view of the fact that it remains unclear for now whether the future EU directive on this topic will display the same level of ambition as the current proposal, the CLDD Act will remain relevant from an international perspective also for some time to come.


Liesbeth Enneking
Liesbeth Enneking is Professor of Legal Aspects of International Corporate Social Responsibility at Erasmus School of Law, Erasmus University Rotterdam.
Research Note

Parlementarisering als tweerichtingsverkeer

Een verklaring voor voorafgaande parlementaire consultatie bij militaire operaties

Journal Res Publica, Issue 4 2018
Authors Daan Fonck and Yf Reykers
Author's information

Daan Fonck
Daan Fonck is doctoraatsonderzoeker aan het Leuven International and European Studies instituut (KU Leuven). Zijn onderzoek richt zich op de parlementaire diplomatie van het Europees Parlement, en bij uitbreiding de parlementaire controle van buitenlands en veiligheidsbeleid. Zijn werk werd gepubliceerd in tijdschriften als Cooperation and Conflict, Parliamentary Affairs, Contemporary Security Policy en Journal of Common Market Studies.

Yf Reykers
Yf Reykers is assistent-professor aan de faculty of Arts and Social Sciences van de Universiteit Maastricht. Hij is eveneens postdoctoraal onderzoeker van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) Vlaanderen, met een project getiteld ‘Political Oversight of EU Military Forces’. Voordien was hij postdoctoraal onderzoeker aan het Leuven International and European Studies instituut (KU Leuven), waar hij ook zijn doctoraat behaalde in 2017. Zijn onderzoek richt zich op multinationale militaire operaties, snelle responsmechanismen en interorganisationele relaties in vrede en veiligheid. Zijn werd werd onder andere gepubliceerd in tijdschriften als Contemporary Security Policy, European Security, International Peacekeeping en Parliamentary Affairs.
Article

De draaideur: van impasse naar uitweg

Journal Res Publica, Issue 3 2018
Keywords revolving door, lobbying, integrity, public values, polder democracy, regulatory solutions
Authors Toon Kerkhoff and Arco Timmermans
AbstractAuthor's information

    The revolving door is an ambiguous concept evoking strong opinions, and often is seen to lead to a decline in trust and legitimacy of the policy-making system of the Netherlands. But the different moral objections against the revolving door between functions and jobs in public and private organizations are barely matched with systematic empirical evidence of negative effects on the policy-making system. In this article, a definition of the concept is presented in order to help focusing the discussion on moral objections and practical implications of the revolving door. Two fundamental contradictions emerge from the panoply of arguments and assertions about this phenomenon. With our definition as a basis, we consider the different forms of the revolving door and discuss conditions under which it may be contained without solutions that are disproportionate to the problem. The way out is to develop clearer norms and integrity-enhancing mechanisms with which negative effects may be avoided and positive effects strengthened.


Toon Kerkhoff
Toon Kerkhoff is universitair docent bij het Instituut Bestuurskunde aan de Universiteit Leiden. Hij geeft leiding aan het Centre for Public Values & Ethics aan de Faculteit Governance & Global Affairs van de Universiteit Leiden, waar wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar normatieve vraagstukken in de publieke sector en kennis daarover breder toegankelijk wordt gemaakt. Het onderzoek van Kerkhoff richt zich in het bijzonder op good governance en bestuurlijke ethiek, waarover hij ook onderwijs geeft in bachelor- en masteropleidingen.

Arco Timmermans
Arco Timmermans is bijzonder hoogleraar public affairs aan de Haagse Faculteit Governance & Global Affairs van de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek en onderwijs gaan over de dynamiek van de maatschappelijke en politieke agenda, issuemanagement, lobbycoalities en de professionalisering van public affairs als terrein van wetenschap en praktijk. Hij is mede-oprichter en leider van de Nederlandse deelname in het internationale Comparative Agendas Project. Naast onderzoek en onderwijs in reguliere academische programma’s zoals de masterspecialisatie public affairs aan de Universiteit Leiden is hij ook intensief betrokken bij cursussen voor werkende professionals op het terrein van public affairs.
Article

Aan de knoppen maar uit de pas?

Euroscepsis en euro-enthousiasme onder Nederlandse ambtenaren

Journal Res Publica, Issue 4 2016
Keywords Euroscepticism, representative bureaucracy, civil service, public opinion, the Netherlands, public administration
Authors Caspar van den Berg, Sebastiaan Princen and Ellen Mastenbroek
AbstractAuthor's information

    National officials play an important role in all phases of the EU policy process and are often assumed to be more euro-enthusiastic than other citizens. Yet, thus far systematic knowledge on their views on EU integration is lacking. This study fills this gap through recently collected survey data among Dutch officials (N = 3509). We find first that at least for officials, hard and soft euroscepticism are no gradations on the same scale, but separate dimensions. Second, both sociological and rational choice institutionalism help explain bureaucratic euroscepticism, where the latter seems to have a somewhat stronger explanatory power. Third, officials are on average indeed more euro-enthusiastic than other citizens. However, (a) relatively fewer officials are strongly euro-enthusiastic compared to the general population; (b) the total share of eurosceptics among officials is practically the same as the general population, and (c) significantly more officials report to be ‘strongly eurosceptic’ than among the wider population.


Caspar van den Berg
Caspar van den Berg is universitair hoofddocent aan het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden.

Sebastiaan Princen
Sebastiaan Princen is hoogleraar bestuur en beleid in de Europese Unie aan het Departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap van de Universiteit Utrecht.

Ellen Mastenbroek
Ellen Mastenbroek is hoogleraar European Public Policy aan de Faculteit der Managementwetenschappen van de Radboud Universiteit.
Symposium

Europa na het Brexit-referendum

Journal Res Publica, Issue 4 2016
Authors Mathieu Segers, Sander Loones and Goele Janssen
Author's information

Mathieu Segers
Mathieu Segers is hoogleraar eigentijdse Europese geschiedenis en Europese integratie aan de Universiteit Maastricht.

Sander Loones
Sander Loones is Europarlementslid en N-VA-ondervoorzitter.

Goele Janssen
Goele Janssen is directrice van de Europese Beweging in België.

    Zowel in België als in Nederland komt draagmoederschap voor. Deze bijdrage heeft tot doel om de houding van de twee buurlanden ten aanzien van dit controversiële fenomeen te onderzoeken en te vergelijken.
    De wensouders en draagmoeders ervaren meerdere juridische obstakels. Zo blijkt in beide landen de draagmoederschapsovereenkomst niet geldig en evenmin afdwingbaar te zijn. Hoewel in Nederland de mogelijkheid bestaat om het ouderlijk gezag over te dragen van draagmoeder naar wensouders, is het ook daar, net zoals in België, allesbehalve evident om de band tussen kind en wensouders juridisch te verwezenlijken. Noch de oorspronkelijke, noch de adoptieve afstamming is aan het fenomeen aangepast. Vooral voor Nederland is dit vreemd aangezien de Nederlandse wetgeving uitdrukkelijk bepaalt onder welke voorwaarden medisch begeleid draagmoederschap toegelaten is. De wet schept met andere woorden een gezondheidsrechtelijk kader, maar regelt niet de gevolgen van het draagmoederschap. In België is er daarentegen geen enkele wetgeving betreffende draagmoederschap. Dit betekent dat de onaangepaste wetgeving betreffende medisch begeleide voortplanting van toepassing is op draagmoederschap. Over deze toepassing en de gevolgen ervan bestaat evenwel onduidelijkheid. Commercialisering van draagmoederschap leidt ook tot problemen. In Nederland is professionele bemiddeling en het openbaar maken van vraag en aanbod met betrekking tot draagmoederschap strafbaar gesteld. Daarnaast kunnen de omstandigheden van een zaak waarin het kind als het ware verkocht wordt aan de wensouders zowel in België als in Nederland leiden tot andere misdrijven. Gelet op dit alles begeven sommige wensouders zich naar het buitenland om daar beroep te doen op draagmoederschap. Wensen zij terug te keren met het kind naar het land van herkomst, dan leidt dit in beide buurlanden tot internationaalprivaatrechtelijke problemen.
    Door het gebrek aan een algemeen wettelijk kader, is het draagmoederschapsproces in beide landen vaak een calvarietocht. Dit leidt tot rechtsonzekerheid. Oproepen tot een wettelijk ingrijpen bleven tot nu toe echter onbeantwoord.
    Surrogacy is practiced in Belgium and the Netherlands. The aim of this contribution is to compare the many legal aspects of the phenomenon. In both countries legal problems surround surrogacy: the surrogacy contract is unenforceable; it is difficult for the intended parents to become the legal parents; commercial surrogacy can result in criminal sanctions and cross-border surrogacy leads to limping legal relations. The main differences between the two legal systems are that in Belgium there is no regulation at all, while in the Netherlands, professional mediation and advertising in surrogacy are explicitly forbidden and Dutch law provides a limited health law regulation. In both countries scholars have pressed the need for legal change.


Dr. Liesbet Pluym Ph.D.

    In this article, we inquire the merits of criminalizing blasphemy. We argue that religious views do not warrant a separate treatment compared to nonreligious ones. In addition, freedom of speech must be balanced against the interest of those who may be aggrieved by blasphemous remarks. We conclude that penalizing blasphemy is undesirable. It is fortunate, in that light, that acts of blasphemy have recently been decriminalized in The Netherlands by removing blasphemy as an offense from the Criminal Code. Still, other provisions appear to leave enough room to reach the same result, making the removal a possibly virtually aesthetic change. In the international context, it would be regrettable for The Netherlands to forgo the opportunity to take a leading role.


Jasper Doomen
Jasper Doomen is verbonden als docent/onderzoeker aan de afdeling Encyclopedie van de Rechtswetenschap van de Faculteit Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden.

Mirjam van Schaik
Mirjam van Schaik is verbonden als docent/onderzoeker aan de afdeling Encyclopedie van de Rechtswetenschap van de Faculteit Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden.

Szigeti Borbála
European Commission Directorate-General Home Affairs, Unit 02 – International Affairs.

    The Versailles Treaty (Art. 227) called for the prosecution of Wilhelm II, the German ex-Kaiser. Because of the refusal of the Dutch Government to surrender Wilhelm, a trial never took place. This paper tries to elaborate some questions concerning this possible trial. What was the background of the said Treaty paragraph? What would have happened when Wilhelm had been surrendered? Based on a report of a special committee to the peace conference, the possible indictment is discussed. The authors try to elaborate some thoughts for answering the question about Wilhelm’s criminal responsibility, especially as author of the war (‘ius ad bellum’) by starting an aggressive war and/or by violating the neutrality of Belgium and Luxemburg. Wilhelm’s possible responsibility for violations of the ‘ius in bello’ (laws and customs of war) in Belgium, France, and Poland and/or by ordering an unlimited submarine war is discussed as well. It is concluded that it would have been very difficult for the tribunal to have Wilhelm find criminal responsible for the indictment, except for the violation of the neutrality of Belgium and Luxemburg. But then, the tribunal would have been obliged to answer fundamental questions about the command responsibility of Wilhelm. From a point of view of international criminal law, it is rather unfortunate that the unique opportunity for a ‘Prologue to Nuremberg’ was not realised, although a trial would not have made history take a different turn than it did in the twentieth century after the ‘Great War’.


Paul Mevis
P.A.M. Mevis is professor of criminal law at the Erasmus University Rotterdam. Prof. Mevis wrote before ‘De berechting van Wilhelm II’, in J. Dohmen, T. Draaisma & E. Stamhuis (ed.), Een kwestie van grensoverschrijding. Liber amicorum P.E.L. Janssen (2009), at 197-231.

Jan M. Reijntjes
J.M. Reijntjes is professor of (international) criminal law at the University of Curaçao.

    Much attention has already been paid to the relationship between European (family) law and law from Muslim majority countries in studies of private international law or of comparative law, often discussing family law institutions such as polygamy or repudiation. Among those institutions, there is one that has largely been neglected: kafala, a form of guardianship that is specific to Islamic law.
    The reception of this institution in the Member States raises several questions, such as its consequences in terms of legal parentage or its conformity with the best interest of the child or with public order. However, this contribution focuses on the migration angle since some difficulties may appear after this particular guardianship was pronounced abroad when the question of the entrance and the stay of the child with their guardians in a Member State arises.
    The research consists of determining whether some EU or international instruments could grant the guardians a right to request that ‘their’ child lives with them in their country and examines whether such a right is always desirable and justifiable. Taking France as an example, the author asks the following question: does not France, as a Member State of the European Union, have to ensure under European law and international obligations that the child and the couple will be able to live together on its territory?


Julie Malingreau
Julie Malingreau is a PhD candidate at the University of Utrecht, and holds an LLM in European Private Law at the University of Amsterdam, as well as a Master Degree in Law in Belgium. She currently works as a lawyer in Amsterdam, assisting with commercial contracts. Her areas of interest include national/European/International family law, Islamic law, Alternative Dispute Resolutions, private international law, human rights, intellectual property and labour law.
Article

China’s uitgaande investeringen

Instituties, beperkingen en uitdagingen

Journal Res Publica, Issue 1 2014
Keywords China, outward direct investment, investment policy, institutions
Authors Duncan Freeman
AbstractAuthor's information

    China’s outward investment policy has attracted attention not only for policy reasons, but also in academic debate on the role of source-country institutions in foreign investment. Formal institutions in the form of government policy and regulations have been central to China’s outward investment. This paper is based on a detailed analysis of Chinese policy and regulatory documents, which provide evidence of the motivations, substance and outcomes of investment policy. The paper argues that the factors determining investment policy are complex and evolving, and that elements of the policy may not be coherent and can be conflicting. It also argues that unintended outcomes are frequent, and that enterprises, including state-owned enterprises, attempt to escape the constraints of government policy and regulation. Thus, the relationship between institutions in China and enterprise behaviour is complex, and is not simply one of restriction or promotion of outward investment.


Duncan Freeman
Duncan Freeman is senior research fellow aan het Brussels Institute of Contemporary China Studies (BICCS), Vrije Universiteit Brussel (VUB). Hij doet onderzoek naar China’s uitgaande investeringen.

    Sinds de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 heeft men herhaaldelijk getracht de gronden voor echtscheiding te verruimen. Hoewel deze gronden uiteindelijk pas verruimd werden in 1971, werd de tot die tijd bestaande situatie, waarbij echtscheiding slechts op vier gronden mogelijk was en echtscheiding met wederzijds goedvinden verboden was, als onwenselijk beschouwd. Dit gevoelen werd nog sterker na het arrest van de Hoge Raad uit 1883, de zogenaamde 'Groote Leugen'. Teneinde een einde te maken aan deze 'Groote Leugen' en in een poging het Nederlandse echtscheidingsrecht meer in lijn te brengen met het Duitse recht, heeft de Nederlandse secretaris-generaal voor Justitie, J.J. Schrieke, tussen 1942 en 1944 twee wijzigingsvoorstellen voorgelegd aan de Duitse autoriteiten welke destijds Nederland bezet hielden. Dit artikel analyseert beide wijzigingsvoorstellen en probeert een antwoord te geven op de vraag in hoeverre deze voorstellen het resultaat waren van een mogelijke invloed van het Nationaal Socialisme.
    ---
    Since the introduction of the Civil Code in 1838 one has repeatedly tried to extend the grounds for divorce. Although the grounds for divorce were not extended before 1971, the then existing situation, with only four grounds for divorce and a prohibition of divorce with mutual consent, was considered undesirable This sentiment became even stronger after the judgment of the Dutch Supreme Court of 1883, which became known as the 'Big Lie'. In order to stop this 'Big Lie' and in an attempt to bring Dutch divorce law more in line with German divorce law, the Dutch secretary-general of Justice, J.J. Schrieke, has presented the German authorities, which then occupied the Netherlands, with two draft revisions between 1942 and 1944. This article analyses both drafts and tries to answer the question to what extent these drafts were the result of a possible influence of National Socialism. This article is a summary of a part of the most important conclusions of the dissertation of the author, titled: 'National Socialist Family Law. The influence of National Socialism on marriage and divorce law in Germany and the Netherlands' defended at Maastricht University on 8 November 2012. A commercial edition of the dissertation is forthcoming.


Dr. Mariken Lenaerts LL.M., Ph.D.
Mariken Lenaerts obtained her doctorate at Maastricht University.

    The Dutch non-profit Centre for Research on Multinational Corporations (SOMO) and Amnesty International – Netherlands (AI-NL) commissioned in 2012 a study on transparency of multinational enterprises to the Utrecht University’s Molengraaff Institute for Private Law. With this study SOMO and AI-NL aim to substantiate the need for enhancing corporate transparency in order to stimulate responsible business conduct and be able to hold companies to account for adverse impacts they cause or contribute to.


Joris Oldenziel
Joris Oldenziel is program manager and senior researcher at the Centre for Research on Multinational Corporations (SOMO).

Heleen Tiemersma
Heleen Tiemersma is business and human rights specialist at Amnesty International.

    Met de financiële steun van het FWO Vlaanderen werd een doctoraat geschreven over grensoverschrijdend familierecht in de praktijk. Opzet van het onderzoek was om de concrete toepassing van het Belgisch Wetboek IPR grondig door te lichten. De auteur onderzocht of de doelstellingen van de wetgever werden bereikt in de praktijk. Hiertoe steunde zij op drie bronnen: 1) een databank met meer dan 3000 adviesvragen aan het Steunpunt IPR; 2) diepte-interviews met magistraten gespecialiseerd in familiezaken met een internationaal aspect; 3) 659 rechterlijke uitspraken. Dit empirisch bronnenmateriaal gaf de auteur een goed zicht op de wijze waarop rechtbanken en administraties de IPR-regels toepassen. Het artikel gaat uitvoerig in op de empirische onderzoeksmethode en bespreekt enkele onderzoeksbevindingen en beleidsaanbevelingen.
    ---
    Through funding from the Research Foundation Flanders, a doctoral thesis on the actual practices of cross-border family law has been written. The main research question concerned whether or not the Belgian Code of Private International Law adequately deals with 'real-life' international family law matters. It was examined whether the objectives set out by the legislator have been met in practice. Three empirical sources were relied upon: 1) The database of the Centre for Private International Law, which contained more than 3.000 files, ranging from simple questions posed to the helpdesk to more elaborate advice given by the Centre's lawyers; 2) In-depth interviews with judges specialized in cross-border family cases; 3) 656 court decisions. This material allowed the author to obtain a very good understanding of how courts and (local) authorities apply the PIL rules. This paper elaborates on the empirical methodology, several research findings and policy recommendations.


Dr. Jinske Verhellen
Jinske Verhellen is currently a postdoctoral researcher at the Private International Law Institute of Ghent University. Alongside this, she lectures in private international law, nationality law and immigration law at the Oost-Vlaamse Bestuursacademie (East Flanders Management Academy).

Louise van Schalk
Louise van Schaik is als Senior Research Fellow verbonden aan Instituut Clingendael. Haar onderzoek richt zich op het internationale optreden van de EU, alsmede specifieke mondiale thema’s als klimaatverandering, schaarste van natuurlijke hulpbronnen en gezondheidsbeleid. Zij publiceerde onder andere in Journal of Common Market Studies en Journal of European Integration.

Jorg Kustermans
Jorg Kustermans is als mandaatassistent verbonden aan het Departement Politieke Wetenschappen van de Universiteit Antwerpen.

    In dit artikel wordt aandacht besteed aan duo-moederschap in Nederland vanuit een ontwikkelingspsychologisch/pedagogisch en een juridisch perspectief. Allereerst wordt aandacht besteed aan de huidige juridische situatie en de ontwikkelingen die zich recent daarin hebben voorgedaan. Uit deze bespreking rijst een aantal vragen met betrekking tot de relatie tussen de duo-moeders, het kind en de (on)bekende donor, die vervolgens vanuit ontwikkelingspsychologisch perspectief worden besproken. In het laatste deel van het artikel wordt aandacht besteed aan de voorgestelde wetgeving met betrekking tot de positie van het kind in een gezin met twee moeders, waarbij aan de hand van de ontwikkelingspsychologische bevindingen wordt gekeken naar de kwaliteit van het voorstel.
    ---
    This article focuses upon dual motherhood in the Netherlands from a psychological development/educational and legal perspective. Firstly, attention is paid to the current legal situation and the developments which have recently occurred in this regard. From this, a number of questions arise concerning the relationship between dual mothers, the child and the (un)known donor, which will be discussed from a psychological development perspective. The last part of the article focuses upon the proposed legislation with regard to position of the child in a family with two mothers, examining the quality of the proposal on the basis of the findings concerning psychological development.


Machteld Vonk
Machteld Vonk studied law between 1998 and 2002 at the University of Amsterdam. Following this, she began her PhD at the Molengraaff Institute for Private Law of Utrecht University, under the supervision of Prof. K. Boele-Woelki. Her research looked at the legal relationship between children and non-biological parents from a comparative perspective. In December 2007, she defended her PhD dissertation ‘Children and their parents’ (Intersentia; 2007). From January 2008 until July 2012, she was employed at the Molengraaff Institute as a lecturer/researcher on family law and comparative law. Since 1st July 2012, she has worked in the department of child law of Leiden University as a lecturer/researcher on child law.

Dr. Henny Bos
Henny Bos works as a lecturer at the University of Amsterdam (the department of child development and education and teacher training). Her research concerns gay and lesbian parenthood. She has established a Dutch longitudinal study on this research area, and also participates in an American longitudinal study concerning this subject. From February until the end of June 2012, she was a visiting scholar at the Williams Institute (University of California in Los Angeles).
Article

De verrassend effectieve interne coördinatie van het Belgisch Voorzitterschap van 2010

Algemene analyse en toepassing op de casus Milieubeleid

Journal Res Publica, Issue 3 2011
Keywords Belgium, EU environmental policy, rotating Presidency of the Council, Treaty of Lisbon
Authors Ferdi De Ville, David Criekemans and Tom Delreux
AbstractAuthor's information

    The article analyses the internal coordination between the federal government, the Regions and the Communities in Belgium before and during the 2010 Belgian Presidency of the Council of Ministers. It starts from the observation that the absence of a federal government with full powers, the global financial-economic crisis as well as Belgium’s complex multi-level structure have, counterintuitively, not led to an ineffective internal coordination process. Based on interviews with people who were closely involved in the Belgian Presidency team, the article explains the effectiveness of the internal coordination by arguing that, on the one hand, the detailed and inclusive coordination before the Presidency semester has generated a culture of responsibility and joint ownership among the officials and diplomats and, on the other hand, the Belgian Presidency limited its role to being a facilitator of the European decision-making process in function of the rolling agenda of the Commission and the implementation of the Lisbon Treaty. Empirically illustrating these arguments with insights from the internal coordination in the environmental domain, this article demonstrates that an effective internal coordination, even in a difficult political context, can contribute to a successful Presidency.


Ferdi De Ville
Ferdi De Ville is wetenschappelijk medewerker aan het Steunpunt Buitenlands Beleid en aan het Centrum voor EU-Studies van de Vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent. Zijn onderzoek richt zich op Europees Handelsbeleid en de verhouding ervan tot het interne marktbeleid van de EU in het bijzonder.

David Criekemans
David Criekemans is senior onderzoeker Europese en Mondiale Verhoudingen aan het Steunpunt Buitenlands Beleid en gastprofessor Belgisch en Vergelijkend Buitenlands Beleid aan het Departement Politieke Wetenschappen van de Universiteit Antwerpen. Hij doceert tevens aan het International Centre for Geopolitical Studies (ICGS) in Genève (Zwitserland). Zijn onderzoek richt zich op de buitenlandse betrekkingen van regio’s en kleine staten in vergelijkend perspectief, geopolitieke analyse (zowel theoretisch als toegepast) en de geopolitiek van energie (zowel conventioneel als hernieuwbaar). Hij is editor van Regional Sub-State Diplomacy Today (Martinus Nijhoff, 2010).

Tom Delreux
Tom Delreux is docent politieke wetenschappen aan het Institut de sciences politiques Louvain-Europe (ISPOLE) van de Université Catholique de Louvain. Zijn onderzoek richt zich in de eerste plaats op Europees milieubeleid en de EU als internationale actor. Hij is onder andere auteur van het recent verschenen The EU as International Environmental Negotiator (Ashgate, 2011).
Showing 1 - 20 of 37 results
« 1
You can search full text for articles by entering your search term in the search field. If you click the search button the search results will be shown on a fresh page where the search results can be narrowed down by category or year.