Search result: 72 articles

x
Article

Access_open De ventielfunctie van de artikel 12 Sv-procedure: van georganiseerd wantrouwen naar gezamenlijk politiek project?

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue Pre-publications 2022
Keywords Article 12-procedure, principle of opportunity, liberalism, judicial activism, democratic legitimacy
Authors Sophie Koning
AbstractAuthor's information

    Originally, Article 12 of the Dutch Code of Criminal Procedure was intended as a correction mechanism for the prosecution monopoly of the Public Prosecution Service. In a later stage, the private interest of complainants (or victims) became more central. This article argues that a third function now emerges: a valve function for social dissatisfaction. The social conflicts that underly the proceedings in these socially sensitive cases give rise to new democratic legitimacy problems. However, an appropriate normative framework that captures these new democratic demands has not yet been constructed. To this end, this article provides an alternative democratic vocabulary in order to bridge the gap between empirical and normative notions of legitimacy. By means of a historical and normative analysis, it will be argued that Article 12 has an important democratic potential within the characteristically autonomous Dutch system of criminal law.


Sophie Koning
Sophie Koning is promovendus aan de Universiteit Leiden.

    Deze analyse bespreekt uitvoerig de argumenten van voor- en tegenstanders van het wetsvoorstel ter versoepeling van de Belgische abortuswetgeving (2019-…). Het fel bediscussieerde wetsvoorstel beoogt het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon uit te breiden en abortus te destigmatiseren. Door vrijwillige zwangerschapsafbreking als gezondheidszorg te kwalificeren geven de indieners van het wetsvoorstel tevens de voorkeur aan een gezondheidsrechtelijk traject op maat van de zwangere persoon als patiënt. De inkorting van de wachtperiode-en het schrappen van abortusspecifieke informatieverplichtingen geven in die zin blijk van vertrouwen in de zwangere persoon, in het kwalitatief handelen van de zorgverlener en in de waarborgen die het gezondheidsrecht reeds biedt. De wetgever dient met andere woorden uit te maken (1) welke regels hij in de context van abortus nodig acht, (2) of deze regels reeds worden gewaarborgd door de algemene gezondheidswetten- en deontologie, en (3) of de vooropgestelde regels hun doel bereiken. Een uitbreiding van het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon wordt tevens bewerkstelligd door de termijnuitbreiding van twaalf naar achttien weken voor abortus op verzoek. Een keuze voor een termijn is steeds in zekere mate willekeurig, doch reflecteert een beleidsethische keuze waarbij wordt gezocht naar een evenwicht tussen de bescherming van ongeboren leven en het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon. Praktische bekommernissen vormen hierbij geen fundamenteel bezwaar tegen een termijnuitbreiding maar dienen, in overleg met de betrokken sector, te worden geanticipeerd en maximaal te worden opgevangen door middel van organisatorische (niet-noodzakelijk juridische) initiatieven. Ten slotte beogen de indieners van het wetsvoorstel opheffing van alle strafsancties voor vrijwillige zwangerschapsafbreking. Op rechtstheoretisch vlak blijven echter vragen bestaan omtrent de manier waarop dit voorstel een volledige depenalisering doorvoert. Hoewel het tuchtrecht enige rol kan spelen bij gebrek aan strafsancties, creëert de vooropgestelde depenalisering van ongeoorloofde zwangerschapsafbreking door een arts een rechtsonzekere situatie.
    ---
    This analysis extensively discusses the arguments of supporters and opponents of the legislative proposal to relax the Belgian abortion legislation (2019-…). The heavily debated proposal primarily aims to expand the pregnant person’s right to self-determination and to destigmatise abortion. By qualifying consensual termination of pregnancy as health care, the supporters of the proposal also prioritise an individualised, health-oriented approach towards the pregnant person as patient. In the same vein, the diminished waiting period and the removal of abortion-specific information duties express trust in the pregnant person, in the qualitative conduct of the health care provider, and in the guarantees that the health law already provides. In other words, the legislator must determine 1) which regulations it deems necessary in the context of abortion, 2) whether these regulations are already guaranteed by general health laws and ethics, and 3) whether the proposed regulations achieve their intended purpose. An expansion of the pregnant person’s right to self-determination is also achieved by the extension from twelve to eighteen weeks as a limit for abortion on request. Although a time limit is always arbitrary to some extent, it mainly reflects a policy-ethical decision in which a balance is sought between the protection of unborn life and the pregnant person’s right to self-determination. Practical concerns do not establish a fundamental objection to the extension of such limit, but must, in consultation with the medical profession, be anticipated and dealt with as much as possible by means of organisational (not necessarily legal) initiatives. Finally, the proposal lifts all criminal sanctions currently applicable to consensual termination of pregnancy. On a legal-theoretical level, however, questions remain about the way in which the proposal implements full depenalisation. Although disciplinary law can play some role in the absence of criminal sanctions, the depenalisation of unlawful termination of pregnancy by a health care professional produces legal uncertainty.


F. De Meyer
Fien De Meyer doet doctoraatsonderzoek naar regelgeving inzake abortus aan de Universiteit van Antwerpen.

C. De Mulder
Charlotte De Mulder doet doctoraatsonderzoek naar het statuut van ongeboren leven aan de Universiteit van Antwerpen.
Article

Access_open Het classicistische politieke denken van Van Hogendorp

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2021
Keywords classicistisch politiek denken, constitutie, Van Hogendorp, Grondwet, politieke filosofie
Authors Alban Mik
AbstractAuthor's information

    Gijsbert Karel van Hogendorp is the auctor intellectualis of the 1818 Dutch constitution. It was his sketch for a new constitution that was used as a starting point for the deliberations of its original drafting committee. Van Hogendorp justifies his constitution as a restoration of the Burgundian constitution that applied before the Dutch Republic. In recent literature Van Hogendorp’s restorational argument is presented as an invention of tradition. In this article an alternative explanation is presented, namely that it is part of a form of classicist political thought that was common during the ancien régime. Van Hogendorp describes his constitution as a moderate monarchy, in which the three principles of monarchy, aristocracy and democracy are properly balanced. And he mainly defends this mixed regime by pointing out that it is a restoration of the old Burgundian constitution of the Netherlands. This way of reasoning is, as will be shown, typically classicistic.


Alban Mik
Alban Mik is onderzoeker aan de Afdeling Metajuridica, vakgroep Rechtsfilosofie van de Universiteit Leiden.
Article

Access_open The ECHR and Private Intercountry Adoptions in Germany and the Netherlands: Lessons Learned from Campanelli and Paradiso v. Italy

Journal Family & Law, January 2021
Keywords Private intercountry adoptions, surrogacy, ECHR, UNCRC, the best interests of the child
Authors dr. E.C. Loibl
AbstractAuthor's information

    Within the past half century, a market in adoptable children has emerged. The imbalance between the demand for and the supply of adoptable children, combined with the large sums of Western money, incite greedy actors in poor countries to illegally obtain children for adoption. This renders intercountry adoption conducive to abuses. Private adoptions are particularly prone to abusive and commercial practices. Yet, although they violate both international and national law, German and Dutch family courts commonly recognize them. They argue that removing the child from the illegal adopters would not be compatible with the rights and best interests of the individual child concerned. In 2017, the ECtHR rendered a ground-breaking judgement in Campanelli and Paradiso v. Italy. In this case, the Court dealt with the question as to whether removing a child from the care of an Italian couple that entered into a surrogacy agreement with a Russian clinic, given that surrogacy is illegal in Italy, violated Article 8 ECHR. Contrary to previous case law, in which the ECtHR placed a strong emphasis on the best interests of the individual child concerned, the Court attached more weight to the need to prevent disorder and crime by putting an end to the illegal situation created by the Italian couple and by discouraging others from bypassing national laws. The article argues that considering the shifting focus of the ECtHR on the prevention of unlawful conduct and, thus, on the best interests of children in general, the German and Dutch courts’ failure to properly balance the different interests at stake in a private international adoption by mainly focusing on the individual rights and interests of the children is difficult to maintain.

    ---

    In de afgelopen halve eeuw is er een markt voor adoptiekinderen ontstaan. De disbalans tussen de vraag naar en het aanbod van adoptiekinderen, in combinatie met grote sommen westers geld, zet hebzuchtige actoren in arme landen ertoe aan illegaal kinderen te verkrijgen voor adoptie. Dit maakt interlandelijke adoptie bevorderlijk voor misbruik. Particuliere adoptie is bijzonder vatbaar voor misbruik en commerciële praktijken. Ondanks het feit dat deze privé-adopties in strijd zijn met zowel internationaal als nationaal recht, worden ze door Duitse en Nederlandse familierechtbanken doorgaans wel erkend. Daartoe wordt aangevoerd dat het verwijderen van het kind van de illegale adoptanten niet verenigbaar is met de rechten en belangen van het individuele kind in kwestie. In 2017 heeft het EHRM een baanbrekende uitspraak gedaan in de zaak Campanelli en Paradiso t. Italië. In deze zaak behandelde het Hof de vraag of het verwijderen van een kind uit de zorg van een Italiaans echtpaar dat een draagmoederschapsovereenkomst met een Russische kliniek is aangegaan, in strijd is met artikel 8 EVRM, daarbij in ogenschouw genomen dat draagmoederschap in Italië illegaal is. In tegenstelling tot eerdere jurisprudentie, waarin het EHRM sterk de nadruk legde op de belangen van het individuele kind, hechtte het Hof meer gewicht aan de noodzaak om de openbare orde te bewaken en criminaliteit te voorkomen door een einde te maken aan de illegale situatie die door het Italiaanse echtpaar was gecreëerd door onder andere het omzeilen van nationale wetten. Het artikel stelt dat, gezien de verschuiving in de focus van het EHRM op het voorkomen van onwettig gedrag en dus op het belang van kinderen in het algemeen, de Duitse en Nederlandse rechtbanken, door met name te focussen op de individuele rechten en belangen van de kinderen, er niet in slagen om de verschillende belangen die op het spel staan ​​bij een particuliere internationale adoptie goed af te wegen.


dr. E.C. Loibl
Elvira Loibl is Assistant Professor Criminal Law and Criminology, Universiteit Maastricht.
Article

Access_open Moet de strafrechter ook de scheidsrechter zijn van het publieke debat?

De scheiding der machten in het licht van de vrijheid van meningsuiting voor volksvertegenwoordigers

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2020
Keywords Freedom of speech, Separation of powers, Criminal law, Hate speech, Legal certainty
Authors Jip Stam
AbstractAuthor's information

    This article contains a critical review of the provisions in the Dutch penal code regarding group defamation and hate speech. It is argued that not only these provisions themselves but also their application by the Dutch supreme court, constitutes a problem for the legitimacy and functioning of representative democracy. This is due to the tendency of the supreme court to employ special constraints for offensive, hateful or discriminatory speech by politicians. Because such a special constraint is not provided or even implied by the legislator, the jurisprudence of the supreme court is likely to end up in judicial overreach and therefore constitutes a potential – if not actual – breach in the separation of powers. In order to forestall these consequences, the protection of particularly political speech should be improved, primarily by a revision of the articles 137c and 137d of the Dutch penal code or the extension of parliamentary immunity.


Jip Stam
Jip Stam is onderzoeker en docent bij de afdeling Encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Leidse rechtenfaculteit.

Elaine Mak
Elaine Mak is hoogleraar Rechtstheorie en Enclyopedie van de rechtswetenschappen aan de Universiteit Utrecht.

Anne Ruth Mackor
Anne Ruth Mackor is hoogleraar Hoogleraar professie-ethiek, in het bijzonder van juridische professies aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Iris van Domselaar
Iris van Domselaar is universitair hoofddocent aan de Amsterdamse rechtenfaculteit.
Article

Access_open Religie op het werk?

Over positieve en negatieve godsdienstvrijheid bij private ondernemingen en tendensondernemingen

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2020
Authors Leni Franken and François Levrau
AbstractAuthor's information

    In this article we elaborate on the place of religion in the workplace. Does the individual freedom of religion imply that employers must always accommodate the religious claims of employees or can they boast a number of arguments allowing them to legitimately limit that freedom? And, conversely, do employers not also have a right to freedom of religion and a right to formulate certain religious expectations for their employees? In this contribution, we deal with these and related questions from a legal-philosophical perspective. The overall aim is to illustrate the extent to which univocal answers are jeopardized because of conceptual ambiguities. We first make a normative distinction between two strategies (i.e. difference-blind approach and difference-sensitive approach) and subsequently illustrate and elaborate on how and why these strategies can lead to different outcomes in legal cases. We illustrate the extent to which a contextual and proportional analysis can be a way out in theoretical and practical conundrums.


Leni Franken
Leni Franken is senior researcher and teaching assistant at the University of Antwerp.

François Levrau
François Levrau is senior researcher and teaching assistant at the University of Antwerp.

Irawan Sewandono
Irawan Sewandono is universitair docent staats- en bestuursrecht aan de Open Universiteit.
Article

Access_open Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2019
Keywords oprichting, doelstelling, band met de rechtspraktijk, rechtsfilosofie en rechtstheorie, internationalisering (van Duits naar Engels)
Authors Corjo Jansen
AbstractAuthor's information

    De Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (VWR) is opgericht op 28 december 1918. Zij had tot doel de studie van de rechtsfilosofie en het maatschappelijk leven. Deze studie moest tevens relevant zijn voor de rechtspraktijk. Vanaf haar oprichting kende de VWR een sterke internationale oriëntatie, aanvankelijk gericht op Duitsland, later vooral op het Verenigd Koninkrijk en de VS. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw beleefde de VWR wat betreft belangstelling en ledenaantal haar hoogtepunt. In 2016 besloot zij – na een gestage neergang – de band met de Nederlandstalige (praktijk)jurist weer aan te halen.


Corjo Jansen
Corjo Jansen is hoogleraar Rechtsgeschiedenis en Burgerlijk recht en voorzitter van het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen.

    In dit artikel wordt de waarde van het instituut parlement verkend. Daartoe analyseert de auteur eerst een lezing die de Nederlandse staatsrechtsgeleerde C.W. van der Pot in 1925 over dit thema hield bij de VWR. Vervolgens wordt Van der Pots opvatting gecontrasteerd met de diametraal tegengestelde benadering van Carl Schmitt, die zich, rond dezelfde tijd, over dit vraagstuk boog in Duitsland. Tot slot schetst de auteur, via een alternatieve, wellicht excentrieke, interpretatie van Schmitt waar een belangrijke waarde van het moderne parlement zou kunnen liggen.


Bastiaan Rijpkema
Bastiaan Rijpkema is universitair docent aan de afdeling Encyclopedie van de Rechtswetenschap van de Universiteit Leiden.

    This article is part of a broader discussion about attaining a full-fledged child-friendly (criminal) justice. Attaining that goal is particularly challenging in cases of international parental abduction, due to the involvement of two branches of law. It is examined to what extent the current interaction guarantees a decision in the best interests of the child. More specifically, the implications of the adage le criminel tient le civil en état are scrutinised from a children’s rights perspective.
    The central research question reads: “to what extent can the adage le criminal tient le civil and état be upheld when further elaborating the best interests of the child in criminal law, more specifically in the interaction between civil and criminal law?” The research wants to contribute to the debate of the difficult triangular relationship between civil law, criminal law and children's rights law.
    In cases of child abduction, the link and interaction between the two procedures goes beyond the traditionally accepted scope of civil damages arising from a criminal offense. Nevertheless, both procedures following a parental abduction are based on the same facts and are inextricably linked, which means that they have to be assessed together, which means that they should be judged together. The question arises as to how the two parallel procedures can be coordinated better, now that it is clear that they may significantly influence each other.
    A full-fledged application of the adage means that a decision concerning the return of the child can only be handed down from the moment when the criminal proceeding (concerning the prosecution of the parent) is completed. It is immediately clear that this cannot be in the best interests of the child.
    It is argued that the adage must be abandoned or reversed to guarantee article 3 CRC. This statement is substantiated with arguments of both practical (referring to the time course) and fundamental (importance of the child best interets as a first consideration) nature. Thereby counterarguments are anticipated.
    ---
    Dit artikel kadert binnen de bredere discussie inzake het streven naar een kindvriendelijk (straf)rechtssysteem. In zaken van internationale parentale ontvoering, waarbij twee rechtstakken betrokken zijn, is dit bijzonder uitdagend. Er wordt onderzocht in welke mate de huidige interactie tussen beide rechtstakken het belang van het kind waarborgt. Concreet wordt het adagium le criminel tient le civil en état vanuit een kinderrechten-perspectief aan een kritische blik onderworpen.
    De centrale onderzoeksvraag luidt: “in welke mate is het adagium le criminel tient le civil and état houdbaar in de verdere uitwerking van het belang van het kind in het strafrecht, meer bepaald in de wisselwerking tussen burgerlijk en strafrecht?” Het artikel wil aan het belang van het kind een duidelijkere positie geven in de moeilijke driehoeksverhouding tussen burgerlijk recht, strafrecht en kinderrechten.
    In zaken van kinderontvoering gaat het de toepassing van het adagium verder dan de traditioneel aanvaarde reikwijdte van civielrechtelijke schadevergoedingen die voortvloeien uit een strafbaar feit. Niettemin zijn beide procedures, volgend op een parentale ontvoering, gebaseerd op dezelfde feiten en onlosmakelijk verbonden met elkaar, wat betekent dat ze samen moeten worden beoordeeld. De vraag rijst hoe de twee parallelle procedures beter gecoördineerd kunnen worden, nu duidelijk is dat ze elkaar op een significante manier kunnen beïnvloeden.
    Onverkorte toepassing van het adagium betekent dat de burgerlijke beslissing betreffende de terugkeer van het kind pas kan plaatsvinden vanaf het moment dat de strafrechtelijke procedure (betreffende de vervolging van de ouder) is voltooid. Het is meteen duidelijk dat dit niet in het belang van het kind kan zijn.
    Er wordt geargumenteerd dat het adagium moet worden verlaten dan wel omgedraaid om artikel 3 IVRK te garanderen. Argumenten van zowel praktische (verwijzend naar de tijdsverloop) als fundamentele (belang van het kind als eerste overweging) aard onderbouwen dit standpunt. Daarbij wordt geanticipeerd op tegenargumenten.


Elise Blondeel MSc
Doctoraal onderzoekster Strafrecht & Rechten van het Kind (BOF-mandaat). Onderzoeksdomein: Internationale Parentale Ontvoering. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

prof. dr. Wendy De Bondt
Professor Strafrecht/Rechten van het Kind/Jeugdrecht aan Universiteit Gent. Onderzoeksdomein: (Europees) strafrecht(elijk beleid) & Rechten van het Kind. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).
Article

Access_open De tijd van gewortelde vreemdelingen

Een filosofische analyse van tijd en worteling als grond voor verblijfsaanspraken van vreemdelingen

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2019
Keywords migratierecht, vreemdelingen, tijd, identiteit, vanzelfsprekend worden
Authors Martijn Stronks
Abstract

    In dit artikel wordt langs wijsgerige weg de verhouding tussen tijd, identiteit en het verlenen van (sterkere) verblijfsaanspraken aan migranten onderzocht en verhelderd door een nieuwe betekenis van de term worteling voor te stellen. Want wat is worteling nu eigenlijk? Het is de relatie tussen menselijke tijd, worteling en het migratierecht die in dit artikel filosofisch wordt uitgediept. Dit om te verklaren waarom we in het migratierecht vreemdelingen in het algemeen na verloop van tijd sterkere aanspraken verlenen. In dit artikel wordt betoogd dat het verblijf van vreemdelingen op het grondgebied ervoor zorgt dat hun leven aldaar na verloop van tijd een vanzelfsprekend onderdeel uitmaakt van hun identiteit, en van het leven van anderen. Het is dit vanzelfsprekend worden van mensen door de tijd dat de grond is voor het bestaan van formele tijdscriteria voor insluiting in het migratierecht.


Martijn Stronks
Article

Voorstel tot een historische kritiek van het neoliberalisme

Journal Res Publica, Issue 2 2018
Keywords Neoliberalism, Friedrich Hayek, Walter Eucken, classical liberalism, Michel Foucault
Authors Lars Cornelissen
AbstractAuthor's information

    In this article I argue that the commonplace interpretation of neoliberalism in the Netherlands is mistaken. According to this interpretation the term ‘neoliberalism’ refers to a series of policies, including privatisation and deregulation, that were implemented in the Netherlands in the 1980’s in imitation of Thatcher and Reagan. I argue that it is not this series of policies but the justification underpinning them that is of a neoliberal nature. To support this claim I offer a brief genealogical history of neoliberal thought, which developed in the interwar period, by explicitly distinguishing itself from both 19th-century classical liberalism and contemporary modern liberalism. On the basis of this historical account I assert that neoliberalism adopts the foundational principles of classical and modern liberalism, but that it prescribes different formal principles of rational government. I conclude that this diction makes it possible to write a critical history of neoliberalism.


Lars Cornelissen
Lars Cornelissen doet doctoraal onderzoek aan de University of Brighton (Verenigd Koninkrijk). Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van het neoliberalisme en schrijft zijn dissertatie over het antidemocratische aspect van neoliberale politieke economie.
Article

Access_open Positieve uitlokking van ethisch hacken

Een onderzoek naar responsible-disclosurebeleid

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2017
Keywords ethical hacking, responsible disclosure, positive incitement, negative incitement, intrinsic desirability
Authors Karel Harms
AbstractAuthor's information

    In this contribution, the Dutch government’s acceptance of ethical hacking, by implementing a policy of responsible disclosure, is considered to be a beneficent development. Ethical hacking contributes to cybersecurity and is intrinsically desirable. The term positive incitement is proposed to describe the relatively new phenomenon of encouraging ethical hacking. Positive incitement will be analysed by making a comparison to the Dutch toleration policy regarding soft drugs, and to incitement by law enforcement. Positive incitement should not change into negative incitement, which would result in a serious breach of the rights of ethical hackers. Furthermore, it is argued that the intrinsic value of ethical hacking can justify searching for vulnerabilities in systems of organisations who do not approve of this in advance.


Karel Harms
Karel Harms studeert aan de Rijksuniversiteit Groningen en volgt de master Rechtswetenschappelijk onderzoek.
Introduction

Wat weten we eigenlijk van elkaar?

Lokale politiek en lokale verkiezingen in Nederland en België

Journal Res Publica, Issue 3 2017
Authors Julien van Ostaaijen and Peter Thijssen
Author's information

Julien van Ostaaijen
Julien van Ostaaijen is als universitair docent verbonden aan de Tilburg School of Governance van Tilburg University. Hij doet veel onderzoek naar lokale democratie en heeft onder meer gepubliceerd over de rol van de gemeenteraad, lokale partijen, de aanstellingswijze van wethouders en burgemeesters, burgerbetrokkenheid en de opkomst bij (lokale) verkiezingen. Zijn proefschrift ging over de vraag hoe veranderingen in het lokaal bestuur kunnen worden doorgevoerd. Voor meer informatie over zijn werk: www.vanostaaijen.nl

Peter Thijssen
Universiteit Antwerpen
Article

Burgemeester (m/v) in de Lage Landen

Zelfde job? Zelfde rol? Zelfde vragen?

Journal Res Publica, Issue 3 2017
Keywords mayoralty, mayors, Flanders, Netherlands, institutional change, selection procedure
Authors Niels Karsten, Koenraad De Ceuninck and Herwig Reynaert
AbstractAuthor's information

    This article compares the mayoralties of the Netherlands and Flanders, with a particular focus on the changes since 2010. The results show that the mayors of these two historically and culturally connected Low Countries form particularly homogeneous groups of people. This has not changed much over the last few years. The role and function of mayors in both Flanders and the Netherlands, however, have gradually changed substantially. In particular, both mayors’ responsibilities in the field of safety and security have increased. At the same time, the two mayoralties show considerable differences. The Flemish mayor has long been and still is a far more political figure than the Dutch mayor is. The Dutch mayoral office, however, is politicising, which has resulted in more debate about its role in local government than in Flanders. The comparison shows how the local political culture can strongly influence how public offices take shape.


Niels Karsten
Niels Karsten, MA, is als universitair docent verbonden aan de Tilburg School of Governance. Hij doet vooral onderzoek naar lokaal politiek-bestuurlijk leiderschap. Als promovendus deed hij onderzoek naar de verantwoording door burgemeesters en wethouders van controversiële beslissingen. Tussen 2013 en 2014 was hij projectleider van een uitgebreid empirisch onderzoek naar het Nederlandse burgemeestersambt, dat resulteerde in het boek Majesteitelijk & Magistratelijk. Sindsdien is hij betrokken geweest bij verschillende onderzoeken naar politieke ambtsdragers in binnen- en buitenland. Over het Nederlandse burgemeestersambt publiceerde hij onder andere in Bestuurswetenschappen, Lex Localis, Leadership en het Oxford Handbook of Political Leadership.

Koenraad De Ceuninck
Koenraad De Ceuninck is als docent verbonden aan de vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent. Hij is lid van het Centrum voor Lokale Politiek. Zijn voornaamste onderzoeksdomeinen zijn schaal en lokale politiek, gemeentelijke fusies en hervormingen op lokaal niveau. Zijn doctoraatsonderzoek was een studie naar de politieke besluitvorming tijdens de gemeentelijke fusies in België in 1976. Hij publiceert rond meerdere onderwerpen met betrekking tot lokaal beleid en lokale politiek. Hij is betrokken bij het vak Actuele vraagstukken van de lokale politiek en is verantwoordelijk voor de stages binnen de opleiding politieke wetenschappen.

Herwig Reynaert
Herwig Reynaert is als gewoon hoogleraar verbonden aan de vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent. Hij is voorzitter van het vakgebied Lokale en Regionale Politiek en voorzitter van het Centrum voor Lokale Politiek. Sinds 2009 is hij decaan van de Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen. Hij publiceerde als auteur en/of coauteur tientallen boeken, wetenschappelijke artikels en hoofdstukken in boeken. Zijn publicaties hebben vooral de lokale politiek als onderwerp. Tevens is hij organisator van zowel nationale als internationale congressen over (vergelijkende) lokale politiek. Hij doceert de vakken lokale politiek, actuele vraagstukken van de lokale politiek, interne Belgische politiek en Belgische binnenlandse politiek. Hij maakt deel uit van diverse wetenschappelijke redactieraden.

    Het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) is in het leven geroepen om internationale kinderontvoering tegen te gaan en is sinds 1 september 1990 voor Nederland van kracht. Het uitgangspunt van het verdrag is dat kinderen die van de ene naar de andere Verdragsstaat ontvoerd zijn zo spoedig mogelijk dienen terug te keren naar de Staat van gewoon verblijf. De rechter van de Staat waarnaar het kind ontvoerd is kan echter van dit uitgangspunt afwijken, en derhalve een verzoek tot teruggeleiding van het ontvoerde kind afwijzen, door gebruik te maken van een van de zogenoemde weigeringsgronden die zijn neergelegd in de artikelen 12, 13 en 20 HKOV. Deze bijdrage gaat in op de wijze waarop deze weigeringsgronden de afgelopen (ruim) vijfentwintig jaar in de Nederlandse jurisprudentie zijn toegepast. Uit die jurisprudentieanalyse volgt dat de weigeringsgronden in het algemeen niet (te) ruim worden geïnterpreteerd, maar dat een beroep daarop wel degelijk succesvol kan zijn. Vanwege de casuïstische aard van internationale kinderontvoeringszaken kunnen echter niet eenvoudig één of meer combinaties van factoren worden aangewezen op grond waarvan aanstonds duidelijk is dat een teruggeleidingsverzoek zal worden afgewezen.
    The Hague Convention on the Civil Aspects of International Child Abduction aims to prevent international child abduction. The Convention came into force in the Netherlands on the 1st September 1990.
    As a starting point, the Convention holds that a child abducted from one Contracting State and taken to another should be promptly returned to the country of his or her habitual residence. However, the court of the Contracting State to which a child has been abducted may depart from this rule and decide to dismiss the application for the return of the child on the basis of one of the exceptions stipulated in Articles 12, 13 or 20 of the Convention.
    This article deals with the way in which the above-mentioned provisions have been applied in Dutch case law since the Convention came into force. From the analysis of the case law it can be generally established that courts tent to interpret these exceptions rather restrictively. Nevertheless, such exceptions have still been successfully invoked. However, owing to the casuistically nature of international child abduction matters it is not possible to uncover certain combinations of factors that would definitively lead to the rejection of return of the child.


dr. mr. Geeske Ruitenberg
Geeske Ruitenberg is lecturer/researcher at the VU University Amsterdam.

Ben Crum
Ben Crum is hoogleraar politicologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en co-directeur van ACCESS EUROPE, het Amsterdam Centre for Contemporary European Studies. Zijn onderzoek richt zich op de normatieve implicaties van de internationalisering van de politiek, met een focus op de Europese Unie.
Article

Naar een voorwaardelijk model van ongelijkheid in vertegenwoordiging

Een onderzoek naar het moderatie-effect van beleidsdomeinen op ongelijkheid in beleidscongruentie

Journal Res Publica, Issue 1 2016
Keywords Policy congruence, inequality, education, policy domains
Authors Christophe Lesschaeve
AbstractAuthor's information

    This article studies the extent to which differences or inequality in policy congruence between higher and lower educated voters are moderated by policy domains. Instead of measuring inequality across all areas of policy, this study takes a policy domain-specific approach. The analyses are based on a dataset containing voters and party positions on 50 policy statements, gathered in the run-up to the 2009 regional election in Belgium largest region, Flanders. We find, overall, only small and unsubstantial, though significant, differences, in policy congruence between higher and lower educated voters, in favor of the former. However, we find a much larger representational bias towards higher educated when we look at transportation, culture and media, immigration, taxand budgetary policy, and economic policy. At the same time, differences in policy congruence are lower as regards spatial planning. Studying inequality in policy congruence across policy domains thus hides more complex patterns of representational bias.


Christophe Lesschaeve
Christophe Lesschaeve is als doctoraatsstudent verbonden aan de faculteit sociale wetenschappen van de Universiteit Antwerpen. Zijn onderzoeksinteresse gaat uit naar beleidscongruentie en ongelijkheid in vertegenwoordiging.
Essay

Wat te zeggen?

Tolerantie en vrijheid van meningsuiting na Parijs

Journal Res Publica, Issue 1 2016
Authors Floris Mansvelt Beck
Author's information

Floris Mansvelt Beck
Floris Mansvelt Beck is als docent politieke filosofie verbonden aan het Instituut voor Politieke Wetenschap van de Universiteit Leiden. Zijn onderzoeksinteresse gaat uit naar constitutionalisme en liberalisme in de (post)geseculariseerde samenleving.
Showing 1 - 20 of 72 results
« 1 3 4
You can search full text for articles by entering your search term in the search field. If you click the search button the search results will be shown on a fresh page where the search results can be narrowed down by category or year.