Search result: 82 articles

x

    Deze analyse bespreekt uitvoerig de argumenten van voor- en tegenstanders van het wetsvoorstel ter versoepeling van de Belgische abortuswetgeving (2019-…). Het fel bediscussieerde wetsvoorstel beoogt het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon uit te breiden en abortus te destigmatiseren. Door vrijwillige zwangerschapsafbreking als gezondheidszorg te kwalificeren geven de indieners van het wetsvoorstel tevens de voorkeur aan een gezondheidsrechtelijk traject op maat van de zwangere persoon als patiënt. De inkorting van de wachtperiode-en het schrappen van abortusspecifieke informatieverplichtingen geven in die zin blijk van vertrouwen in de zwangere persoon, in het kwalitatief handelen van de zorgverlener en in de waarborgen die het gezondheidsrecht reeds biedt. De wetgever dient met andere woorden uit te maken (1) welke regels hij in de context van abortus nodig acht, (2) of deze regels reeds worden gewaarborgd door de algemene gezondheidswetten- en deontologie, en (3) of de vooropgestelde regels hun doel bereiken. Een uitbreiding van het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon wordt tevens bewerkstelligd door de termijnuitbreiding van twaalf naar achttien weken voor abortus op verzoek. Een keuze voor een termijn is steeds in zekere mate willekeurig, doch reflecteert een beleidsethische keuze waarbij wordt gezocht naar een evenwicht tussen de bescherming van ongeboren leven en het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon. Praktische bekommernissen vormen hierbij geen fundamenteel bezwaar tegen een termijnuitbreiding maar dienen, in overleg met de betrokken sector, te worden geanticipeerd en maximaal te worden opgevangen door middel van organisatorische (niet-noodzakelijk juridische) initiatieven. Ten slotte beogen de indieners van het wetsvoorstel opheffing van alle strafsancties voor vrijwillige zwangerschapsafbreking. Op rechtstheoretisch vlak blijven echter vragen bestaan omtrent de manier waarop dit voorstel een volledige depenalisering doorvoert. Hoewel het tuchtrecht enige rol kan spelen bij gebrek aan strafsancties, creëert de vooropgestelde depenalisering van ongeoorloofde zwangerschapsafbreking door een arts een rechtsonzekere situatie.
    ---
    This analysis extensively discusses the arguments of supporters and opponents of the legislative proposal to relax the Belgian abortion legislation (2019-…). The heavily debated proposal primarily aims to expand the pregnant person’s right to self-determination and to destigmatise abortion. By qualifying consensual termination of pregnancy as health care, the supporters of the proposal also prioritise an individualised, health-oriented approach towards the pregnant person as patient. In the same vein, the diminished waiting period and the removal of abortion-specific information duties express trust in the pregnant person, in the qualitative conduct of the health care provider, and in the guarantees that the health law already provides. In other words, the legislator must determine 1) which regulations it deems necessary in the context of abortion, 2) whether these regulations are already guaranteed by general health laws and ethics, and 3) whether the proposed regulations achieve their intended purpose. An expansion of the pregnant person’s right to self-determination is also achieved by the extension from twelve to eighteen weeks as a limit for abortion on request. Although a time limit is always arbitrary to some extent, it mainly reflects a policy-ethical decision in which a balance is sought between the protection of unborn life and the pregnant person’s right to self-determination. Practical concerns do not establish a fundamental objection to the extension of such limit, but must, in consultation with the medical profession, be anticipated and dealt with as much as possible by means of organisational (not necessarily legal) initiatives. Finally, the proposal lifts all criminal sanctions currently applicable to consensual termination of pregnancy. On a legal-theoretical level, however, questions remain about the way in which the proposal implements full depenalisation. Although disciplinary law can play some role in the absence of criminal sanctions, the depenalisation of unlawful termination of pregnancy by a health care professional produces legal uncertainty.


F. De Meyer
Fien De Meyer doet doctoraatsonderzoek naar regelgeving inzake abortus aan de Universiteit van Antwerpen.

C. De Mulder
Charlotte De Mulder doet doctoraatsonderzoek naar het statuut van ongeboren leven aan de Universiteit van Antwerpen.
Article

Access_open We need to talk to Martha

Or: The desirability of introducing simple adoption as an option for long-term foster children in The Netherlands

Journal Family & Law, June 2021
Keywords Adoption, foster care, guardianship, parental responsibility, supervision orders for minors
Authors mr. dr. M.J. Vonk and dr. G.C.A.M. Ruitenberg
AbstractAuthor's information

    In this article you will be introduced to Martha. Martha will turn eighteen in a couple of weeks and is afraid of losing her foster family when she becomes an adult (I). You will be taken on a journey through the Dutch child protection system and recent research on the desirability of forging an additional legal instrument, such as the introduction of simple adoption, for children like Martha and her two families. The following questions will be answered: How do children like Martha end up in a foster family (II)? Who is responsible or who makes decisions about Martha’s care and future and what problems may occur? Five possible situations in long-term foster care will be discussed in this context on the basis of current law and research (III). Would simple adoption (eenvoudige adoptie) solve some of the problems discussed in the earlier section and thus be a feasible and desirable option for long-term foster children and their foster parents (IV)? At the end of this journey you will be invited to take a brief glance into the future in the hope that Martha’s voice will be heard (V).
    ---
    In dit artikel stellen we u voor aan Martha. Martha wordt over een paar weken achttien en is bang haar pleeggezin kwijt te raken als ze meerderjarig wordt. Aan de hand van het verhaal van Martha nemen we u mee op een reis langs het Nederlandse jeugdbeschermingsstelstel en langs recent onderzoek naar de wenselijkheid van de introductie van een nieuwe juridische mogelijkheid waarmee een band tussen Martha en haar beide families kan worden gevestigd: eenvoudige adoptie. De volgende vragen worden daarbij beantwoord: Hoe komen kinderen zoals Martha in een pleeggezin terecht? Wie is verantwoordelijk voor of mag beslissingen nemen over Martha’s opvoeding en toekomst en wat voor problemen kunnen zich daarbij voordoen? Zou eenvoudige adoptie een oplossing bieden voor een aantal van de problemen die worden besproken en daarmee een wenselijke oplossing zijn voor langdurige pleegkinderen en hun pleeggezinnen? Aan het einde van deze reis werpen we een korte blik op de toekomst in de hoop dat de stem van Martha gehoord zal worden.


mr. dr. M.J. Vonk
Machteld Vonk is associate professor at the Amsterdam Center for Family Law of the Private Law Department at VU University Amsterdam.

dr. G.C.A.M. Ruitenberg
Geeske Ruitenberg is assistant professor at the Amsterdam Center for Family Law of the Private Law Department at the VU University Amsterdam.
Article

Access_open Het classicistische politieke denken van Van Hogendorp

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2021
Keywords classicistisch politiek denken, constitutie, Van Hogendorp, Grondwet, politieke filosofie
Authors Alban Mik
AbstractAuthor's information

    Gijsbert Karel van Hogendorp is the auctor intellectualis of the 1818 Dutch constitution. It was his sketch for a new constitution that was used as a starting point for the deliberations of its original drafting committee. Van Hogendorp justifies his constitution as a restoration of the Burgundian constitution that applied before the Dutch Republic. In recent literature Van Hogendorp’s restorational argument is presented as an invention of tradition. In this article an alternative explanation is presented, namely that it is part of a form of classicist political thought that was common during the ancien régime. Van Hogendorp describes his constitution as a moderate monarchy, in which the three principles of monarchy, aristocracy and democracy are properly balanced. And he mainly defends this mixed regime by pointing out that it is a restoration of the old Burgundian constitution of the Netherlands. This way of reasoning is, as will be shown, typically classicistic.


Alban Mik
Alban Mik is onderzoeker aan de Afdeling Metajuridica, vakgroep Rechtsfilosofie van de Universiteit Leiden.
Article

Access_open Toegang tot het recht in de rechtsstaat

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2021
Keywords rechtsstaat, toegang tot het recht, sociale dimensie, Nicholas Barber, Pierre Bourdieu
Authors Nathalie Franziska Hendrika Schnabl
AbstractAuthor's information

    This paper considers access to the rule of law as a requirement for the well-functioning of the rule of law in society. In most rule of law debates, access to the rule of law is not a topic of discussion because these scholars focus themselves solely on the legalistic dimension of the rule of law. Barber was the first to mention the social dimension explicitly but without a theoretical framework. Based on the three capitals of Bourdieu, this paper offers a framework to determine the elements of the social dimension. With these capitals, barriers to the access to the rule of law for individuals can be identified, and solutions can be offered.


Nathalie Franziska Hendrika Schnabl
Nathalie Schnabl is promovenda aan de Faculteit Rechtswetenschappen van de Open Universiteit.
Article

How Issue Salience Pushes Voters to the Left or to the Right

Journal Politics of the Low Countries, Issue 3 2020
Keywords voting behaviour, salience, ideological dimensions, elections, Belgium
Authors Stefaan Walgrave, Patrick van Erkel, Isaïa Jennart e.a.
AbstractAuthor's information

    Recent research demonstrates that political parties in western Europe are generally structured along one dimension – and often take more or less similar ideological positions on the economic and cultural dimension – whereas the policy preferences of voters are structured two dimensionally; a considerable part of the electorate combines left-wing stances on one dimension with right-wing stances on the other. These ideologically ‘unserved’ voters are the main focus of this study. Using data from a large-scale survey in Flanders and Wallonia, we demonstrate how the salience of the two dimensions explains whether these unserved voters ultimately end up voting for a right-wing or a left-wing party. Specifically, we show that these voters elect a party that is ideologically closest on the dimension that they deem most important at that time. To summarise, the findings of this study confirm that salience is a key driver of electoral choice, especially for cross-pressured voters.


Stefaan Walgrave
Stefaan Walgrave (Corresponding author), Department of Political Science, University of Antwerp,

Patrick van Erkel
Patrick van Erkel, Department of Political Science, University of Antwerp.

Isaïa Jennart
Isaïa Jennart, Department of Political Science, University of Antwerp.

Jonas Lefevere
Jonas Lefevere, Institute of European Studies, Vrije Universiteit Brussel.

Pierre Baudewyns
Pierre Baudewyns, Institut de Science Politique Louvain-Europe (SSH/SPLE) Department, UCLouvain.
Article

Access_open Religie op het werk?

Over positieve en negatieve godsdienstvrijheid bij private ondernemingen en tendensondernemingen

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2020
Authors Leni Franken and François Levrau
AbstractAuthor's information

    In this article we elaborate on the place of religion in the workplace. Does the individual freedom of religion imply that employers must always accommodate the religious claims of employees or can they boast a number of arguments allowing them to legitimately limit that freedom? And, conversely, do employers not also have a right to freedom of religion and a right to formulate certain religious expectations for their employees? In this contribution, we deal with these and related questions from a legal-philosophical perspective. The overall aim is to illustrate the extent to which univocal answers are jeopardized because of conceptual ambiguities. We first make a normative distinction between two strategies (i.e. difference-blind approach and difference-sensitive approach) and subsequently illustrate and elaborate on how and why these strategies can lead to different outcomes in legal cases. We illustrate the extent to which a contextual and proportional analysis can be a way out in theoretical and practical conundrums.


Leni Franken
Leni Franken is senior researcher and teaching assistant at the University of Antwerp.

François Levrau
François Levrau is senior researcher and teaching assistant at the University of Antwerp.
Book Review

Access_open Marc Hertogh, Nobody’s Law, Legal Consciousness and Legal Alienation in Everyday Life

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2020
Keywords Vervreemding, Naleving van wetten, Legitimiteit, Rule of Law
Authors Irawan Sewandono
Author's information

Irawan Sewandono
Irawan Sewandono is universitair docent staats- en bestuursrecht aan de Open Universiteit.
Article

Access_open De blinde vlek in praktijk en discussie rond orgaandonatie

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2020
Keywords organ donation, ethics of organ donation, symbolic nature of the human body, ethics and ritual, symbolic legislation theory
Authors Herman De Dijn
AbstractAuthor's information

    In countries like Belgium and The Netherlands, there seems to be overwhelming public acceptance of transplantation and organ donation. Yet, paradoxically, part of the public refuses post-mortal donation of their own organs or of those of family members. It is customary within the transplantation context to accept the refusal of organ donation by family members “in order to accommodate their feelings”. I argue that this attitude does not take seriously what is really behind the refusal of donation by (at least some) family members. My hypothesis is that even in very secularized societies, this refusal is determined by cultural-symbolic attitudes vis-à-vis the (dead) human body (and some of its parts). The blind spot for this reality, both in the practice of and discussions around organ donation, prevents understanding of what is producing the paradox mentioned.


Herman De Dijn
Herman De Dijn is emeritus hoogleraar wijsbegeerte aan de KU Leuven.

    This article engages in a comparison of the regulation of PR in the Netherlands and the UK (specifically England and Wales). The latter is a good comparator as it operates a similar regulatory approach to the Netherlands, that of conditional acceptance of PR, the condition being (prior) consent. Furthermore, the UK boasts a more detailed and mature legal framework that continues to be tested through caselaw, and thus offers insight into how a regulatory approach conditional upon the (prior) consent of the deceased can fare.
    The article starts with a brief exposition of the new Dutch guidelines and the current legislative position in the Netherlands vis-à-vis posthumous reproduction (part II). Likewise, the relevant UK guidelines and legislative position are summarized (part III). This article draws out the similarities and differences between the two regimes, as well as engaging in a critical analysis of the regulations themselves. It then looks at how the UK regime has been challenged in recent years through caselaw in anticipation of the issues that might confront the Netherlands in future (part IV). The article concludes (part V) that the key lesson to be drawn from the UK experience is that clarity and consistency is crucial in navigating this ethically, emotionally, and time sensitive area. Further, that both the UK and the Netherlands can expect demand for more detailed and precise regulatory guidance as requests for the procedure increase, and within evermore novel circumstances.

    ---

    Dit artikel vergelijkt de regulering van postume reproductie (PR) in Nederland en het Verenigd Koninkrijk (in het bijzonder Engeland en Wales). Laatstgenoemde is daarvoor zeer geschikt, aangezien het VK een vergelijkbare reguleringsbenadering heeft als Nederland, namelijk de voorwaardelijke acceptatie van PR, waarbij (voorafgaande) toestemming de voorwaarde is. Bovendien beschikt het VK over een gedetailleerder en volwassener juridisch kader dat continu wordt getoetst door middel van rechtspraak. Dit kader biedt daarmee inzicht in hoe een regulerende benadering met als voorwaarde (voorafgaande) toestemming van de overledene kan verlopen.
    Het artikel vangt aan met een korte uiteenzetting van de nieuwe Nederlandse richtlijnen en de huidige positie van de Nederlandse wetgever ten opzichte van postume reproductie (deel II). De relevante Britse richtlijnen en het wetgevende standpunt worden eveneens samengevat (deel III). Vervolgens worden de overeenkomsten en verschillen tussen de twee regimes naar voren gebracht, met daarbij een kritische analyse van de regelgeving. Hierop volgt een beschrijving van hoe het VK de afgelopen jaren is uitgedaagd in de rechtspraak, daarmee anticiperend op vraagstukken waarmee Nederland in de toekomst te maken kan krijgen (deel IV). Tot slot volgt een conclusie (deel V) waarin wordt aangetoond dat de belangrijkste les die uit de Britse ervaring kan worden getrokken, is dat duidelijkheid en consistentie cruciaal zijn bij het navigeren door dit ethische, emotionele en tijdgevoelige gebied. En daarnaast, at zowel het VK als Nederland een vraag naar meer gedetailleerde en precieze regelgeving kunnen verwachten naarmate verzoeken om deze procedure toenemen, met daarbij steeds weer nieuwe omstandigheden.


Dr. N. Hyder-Rahman
Nishat Hyder-Rahman is a Post-doctoral Researcher at the Utrecht Centre for European Research into Family Law, Molengraaff Institute for Private Law, Utrecht University.

    De grote toestroom van migranten en asielzoekers in de EU houdt vandaag nog steeds verschillende regelgevers wakker. Niet alleen de nationale overheden, maar ook de EU-regelgevers zoeken naarstig naar oplossingen voor de problematiek. Daartoe trachten de EU-regelgevers het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS) bij te werken.
    Binnen de groep migranten en asielzoekers bestaat een specifiek kwetsbaar individu: de niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBMV). Hij is zowel vreemdeling als kind en kreeg reeds ruime aandacht binnen de rechtsleer. Nochtans werd deze aandacht niet altijd weerspiegeld in de EU-wetgeving. Het lijkt alsof hij door de regelgevers af en toe uit het oog verloren werd.
    Uit het onderzoek blijkt dat de EU-regelgevers nog een zekere weg te gaan hebben. In de eerste plaats bestaat er wat betreft het geheel aan regels met betrekking tot de NBMV weinig coherentie. De EU-regelgevers zouden bijvoorbeeld meer duidelijkheid kunnen scheppen door een uniforme methode vast te leggen voor de bepaling van de leeftijd van de NBMV. Hetzelfde geldt voor een verduidelijking van de notie ‘het belang van het kind’ binnen asiel en migratie. Verder blijken de Dublinoverdrachten en de vrijheidsontneming van de NBMV nog steeds gevoelige pijnpunten. Hier en daar moet aan de hervorming van het asielstelsel nog wat gesleuteld worden, zodat de rechten van de NBMV optimaal beschermd kunnen worden.
    ---
    Today, the large influx of migrants and asylum seekers into the European Union (EU) keeps several regulators awake. Not only national authorities, but EU regulators too are diligently searching for solutions to the problems. To this end, EU regulators are seeking to update the Common European Asylum System (CEAS).
    There is however a particularly vulnerable individual within the group of migrants and asylum seekers: the unaccompanied alien minor (UAM). These minors already received a great deal of attention within legal doctrine. However, this attention was not always reflected in EU legislation. It seems as if UAM are occasionally lost from sight by the regulators.
    This article shows that the EU regulators still have a certain way to go. First, there is little coherence in the set of rules relating to the UAM. The EU regulators could, for example, create more clarity by laying down a uniform method for determining the age of the UAM. The same applies to a clarification of the notion of 'best interests of the child' within the context of asylum and migration. Second, the proposal for a new Dublin Regulation and the proposal for a new Reception Conditions Directive still appear to be sensitive. Here and there, the reform of the asylum system still needs adjustments, so that the rights of UAM can be optimally protected."


Caranina Colpaert LLM
Caranina Colpaert is PhD researcher

    Piketmediation is een vorm van mediation naast rechtspraak maar dan in de vorm van een pressure-cooker. Typerend voor piketmediation is dat de mediation plaatsvindt in het gerechtsgebouw en dat in beginsel direct na het eerste gesprek een terugkoppeling plaatsvindt aan de rechter. Het doel van piketmediation is om een verdere escalatie van het conflict te beperken en partijen een dienst te bieden waardoor zij snel tot een oplossing kunnen komen. Piketmediation wordt veelal aangeboden in de voorlopige voorzieningenprocedure.
    In opdracht van de Raad voor de rechtspraak is empirisch onderzoek uitgevoerd binnen het Amsterdams Centrum voor Familie & Recht (ACFL) van de Vrije Universiteit Amsterdam. In dit onderzoek zijn verschillende aanbiedingsvormen van piketmediation geëvalueerd die worden aangeboden door zeven gerechten: in een aantal gerechten zijn piketmediation pilots uitgevoerd en in andere is piketmediation reeds een reguliere werkwijze is geworden. In totaal zijn er 120 dossiers gescoord, 39 interviews afgenomen en een expertmeeting gehouden met 14 professionals. De bevindingen uit het dossieronderzoek, de interviews en de expertmeeting tezamen hebben geleid tot een algemeen rapport over de best practices en knelpunten van piketmediation met enkele aanbevelingen betreffende vormen van piketmediation die goed blijken te werken in de praktijk.
    ---
    Picket mediation (in Dutch: piketmediation) is a form of mediation which runs alongside normal court procedures, and is held in a pressure-cooker-like environment. It typically takes place in the courthouse and in principle, the outcome of the mediation is reported back to the judge after the first session. Such mediation is intended to limit any further escalation of a conflict and also to offer parties a service with which they can quickly resolve a situation themselves. Picket mediation is often offered in the provisional provisions procedure.
    At the request of The Council for the Judiciary, an empirical study of picket mediation was conducted by the Amsterdam Center for Family & Law (ACFL) of the VU University Amsterdam. Various forms of picket mediation as offered by seven courts were evaluated in this study. While some courts are conducting picket mediation pilots, others already have implemented picket mediation as a regular procedure. For this study a total of 120 files were scored, 39 interviews were conducted and an expert meeting was held with 14 professionals. The combined findings from these events have led to a general report on the best practices and challenges of picket mediation. A number of recommendations regarding forms of picket mediation that appear to work well in practice are additionally included.


mr. Daniëlle Brouwer
Daniëlle Brouwer is advocate bij bureau Brandeis.

mr. Eva de Jong
Eva de Jong is advocate bij SmeetsGijbels advocaten.

prof. mr. Lieke Coenraad
Lieke Coenraad, Vrije Universiteit Amsterdam.

prof. mr. Masha Antokolskaia
Masha Antokolskaia, Vrije Universiteit Amsterdam.

    This article is part of a broader discussion about attaining a full-fledged child-friendly (criminal) justice. Attaining that goal is particularly challenging in cases of international parental abduction, due to the involvement of two branches of law. It is examined to what extent the current interaction guarantees a decision in the best interests of the child. More specifically, the implications of the adage le criminel tient le civil en état are scrutinised from a children’s rights perspective.
    The central research question reads: “to what extent can the adage le criminal tient le civil and état be upheld when further elaborating the best interests of the child in criminal law, more specifically in the interaction between civil and criminal law?” The research wants to contribute to the debate of the difficult triangular relationship between civil law, criminal law and children's rights law.
    In cases of child abduction, the link and interaction between the two procedures goes beyond the traditionally accepted scope of civil damages arising from a criminal offense. Nevertheless, both procedures following a parental abduction are based on the same facts and are inextricably linked, which means that they have to be assessed together, which means that they should be judged together. The question arises as to how the two parallel procedures can be coordinated better, now that it is clear that they may significantly influence each other.
    A full-fledged application of the adage means that a decision concerning the return of the child can only be handed down from the moment when the criminal proceeding (concerning the prosecution of the parent) is completed. It is immediately clear that this cannot be in the best interests of the child.
    It is argued that the adage must be abandoned or reversed to guarantee article 3 CRC. This statement is substantiated with arguments of both practical (referring to the time course) and fundamental (importance of the child best interets as a first consideration) nature. Thereby counterarguments are anticipated.
    ---
    Dit artikel kadert binnen de bredere discussie inzake het streven naar een kindvriendelijk (straf)rechtssysteem. In zaken van internationale parentale ontvoering, waarbij twee rechtstakken betrokken zijn, is dit bijzonder uitdagend. Er wordt onderzocht in welke mate de huidige interactie tussen beide rechtstakken het belang van het kind waarborgt. Concreet wordt het adagium le criminel tient le civil en état vanuit een kinderrechten-perspectief aan een kritische blik onderworpen.
    De centrale onderzoeksvraag luidt: “in welke mate is het adagium le criminel tient le civil and état houdbaar in de verdere uitwerking van het belang van het kind in het strafrecht, meer bepaald in de wisselwerking tussen burgerlijk en strafrecht?” Het artikel wil aan het belang van het kind een duidelijkere positie geven in de moeilijke driehoeksverhouding tussen burgerlijk recht, strafrecht en kinderrechten.
    In zaken van kinderontvoering gaat het de toepassing van het adagium verder dan de traditioneel aanvaarde reikwijdte van civielrechtelijke schadevergoedingen die voortvloeien uit een strafbaar feit. Niettemin zijn beide procedures, volgend op een parentale ontvoering, gebaseerd op dezelfde feiten en onlosmakelijk verbonden met elkaar, wat betekent dat ze samen moeten worden beoordeeld. De vraag rijst hoe de twee parallelle procedures beter gecoördineerd kunnen worden, nu duidelijk is dat ze elkaar op een significante manier kunnen beïnvloeden.
    Onverkorte toepassing van het adagium betekent dat de burgerlijke beslissing betreffende de terugkeer van het kind pas kan plaatsvinden vanaf het moment dat de strafrechtelijke procedure (betreffende de vervolging van de ouder) is voltooid. Het is meteen duidelijk dat dit niet in het belang van het kind kan zijn.
    Er wordt geargumenteerd dat het adagium moet worden verlaten dan wel omgedraaid om artikel 3 IVRK te garanderen. Argumenten van zowel praktische (verwijzend naar de tijdsverloop) als fundamentele (belang van het kind als eerste overweging) aard onderbouwen dit standpunt. Daarbij wordt geanticipeerd op tegenargumenten.


Elise Blondeel MSc
Doctoraal onderzoekster Strafrecht & Rechten van het Kind (BOF-mandaat). Onderzoeksdomein: Internationale Parentale Ontvoering. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

prof. dr. Wendy De Bondt
Professor Strafrecht/Rechten van het Kind/Jeugdrecht aan Universiteit Gent. Onderzoeksdomein: (Europees) strafrecht(elijk beleid) & Rechten van het Kind. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

    In 2016 the Dutch Government Commission of Reassessment of Parenthood (GCRP) proposed a wide array of legal changes to Family Law, e.g. with regard to legal multi-parenthood and legal multiple parental responsibility. Although the commission researched these matters thoroughly in its quest towards proposing new directions in the field of Family Law, multi-parents themselves were not interviewed by the commission. Therefore, this article aims to explore a possible gap between the social experiences of parents and the recommendations of the GCRP. Data was drawn from in depth-interviews with a sample of 25 parents in plus-two-parent constellations living in Belgium and the Netherlands. For the most part the social experiences of parents aligned with the ways in which the GCRP plans to legally accommodate the former. However, my data tentatively suggests that other (legal) recommendations of the GCRP need to be explored more in depth.
    ---
    In 2016 stelde de Nederlandse Staatscommissie Herijking ouderschap voor om een wettelijk kader te creëren voor meerouderschap en meeroudergezag. Ondanks de grondigheid van het gevoerde onderzoek ontbraken er gegevens omtrent de ervaringen van de meerouders zelf. Dit artikel levert een bijdrage in het vullen van deze leemte door inzage te geven in de (juridische) ervaringen van 25 ouders in meerouderschapsconstellaties in België en Nederland.


Nola Cammu MA
Nola Cammu is PhD Candidate at the Law Faculty of the University of Antwerp.

    In deze bijdrage wordt een reactie gegeven op de publicatie van Van Montfoort (2018), ‘Beschuldigingen van kindermishandeling en echtscheidingsconflicten. Reactie op De Ruiter & Van Pol (2017)’. Van Montfoort richt zich in zijn reactie exclusief op onze vraag over de prevalentie van valse beschuldigingen van kindermishandeling in onze websurvey bij meer dan 800 juridische en sociale professionals in Nederland die in hun werk met conflictscheidingen te maken hebben. Wij delen zijn standpunten niet en betogen dat het voor juridische en sociale professionals noodzakelijk is om kennis te hebben van prevalentieschattingen om tunnelvisie te vermijden. Daarnaast geven wij aan dat verbetering van het feitenonderzoek in omgangszaken noodzakelijk is.
    ---
    This contribution is a response to Van Montfoort (2018), ‘Allegations of child abuse in conflictual divorce cases. Response to De Ruiter & Van Pol (2017)’ . Van Montfoort focusses his response exclusively on the question concerning the prevalence of false allegations of child abuse from our websurvey among more than 800 legal and social professionals in the Netherlands who are dealing with high conflict divorce cases in their work. We do not share his viewpoints and argue that both legal and social professionals need to have knowledge of prevalence estimations (‘base rates’) in order to avoid tunnel vision. We also emphasize the need for improvements in fact finding in child custody cases in our country and provide examples of recent initiatives to this end.


Prof. dr. Corine de Ruiter
Prof. dr. Corine de Ruiter is a licensed clinical psychologist (BIG) in The Netherlands. She serves as professor of Forensic Psychology at Maastricht University. She also has a private practice. Her research focuses on the interface between psychopathology and crime. She has a special interest in the prevention of child abuse and intimate partner violence because they are both very common and often overlooked in practice.

    De Ruiter en Van Pol (2017) presenteren als vaststaand feit dat slechts 10% of minder van alle beschuldigingen van kindermishandeling in echtscheidingsconflicten vals is. Sociale en juridische professionals die in een enquête een hoger percentage invulden, hebben volgens de auteurs te weinig kennis. De zekerheid die De Ruiter en Van Pol suggereren bestaat niet. Ten eerste verzuimen zij om de kernbegrippen ‘vals’, ‘beschuldiging’, ‘kindermishandeling’ en ‘echtscheidingsconflicten’ te definiëren. Ten tweede kan het onderzoek waar De Ruiter en Van Pol naar verwijzen hun conclusies niet dragen. Canadese maatschappelijk werkers registreerden slechts in een klein aantal gevallen dat een beschuldiging opzettelijk vals was. De Canadese auteurs wijzen expliciet op het subjectieve karakter van de bron van onderzoek. In meer dan de helft van alle onderzochte zaken was het onzeker gebleven of de beschuldiging op waarheid berust. Ten derde gaat het om onderzoeken naar de praktijk van de kinderbescherming in Canada en Australië van 20 jaar geleden. Dat wil zeggen: een andere tijd in andere landen, met een ander systeem dan vandaag in Nederland. Sociale en juridische professionals moeten werken met een aanzienlijke marge van onzekerheid, ook wanneer er grondig onderzoek naar de feiten gedaan is. Door deze onzekerheid te negeren mist de kritiek van De Ruiter en Van Pol op grote groepen professionals onderbouwing.
    ---
    De Ruiter & Van Pol (2017) present as a fact, that only 10% or less of all allegations of child abuse and neglect in divorce disputes is false. They state that social workers and lawyers who in a survey estimated a higher percentage have a lack of knowledge. With this position De Ruiter & Van Pol claim a grade of certainty that does not exist in child protection practice. First, the authors fail to define the key concepts ‘false’, ‘allegation’, ‘child abuse’ and ‘divorce disputes’. Second, the research De Ruiter & Van Pol refer to does not carry the conclusions they draw. The Canadian researchers report that child protection workers had classified a small percentage of cases as ‘intentionally fabricated’. However, the researchers make reservations about this finding since the source is the clinical judgment of the social workers. Moreover the researches emphasize that custody disputes is a context in which there is a high rate of unsubstantiated allegations. In fact, over 50% of all cases were not substantiated.
    Third, the three publications De Ruiter & Van Pol point at describe the practice in Australia and Canada twenty years ago. That is a different time in different countries with different systems compared to The Netherlands today. Social workers and judicial professionals work in a context of uncertainty about allegations and facts in many cases, even after thorough investigation in a particular case. In overlooking this uncertainty De Ruiter & Van Pol unfairly criticize large groups of professionals.


Mr. dr. Adri van Montfoort
Adri van Montfoort is jurist en pedagoog. Hij werkte in de jeugdzorg als hulpverlener, onderzoeker en leidinggevende. Hij promoveerde op een proefschrift over de aanpak van kindermishandeling in ons land. Hij heeft ruime ervaring in advisering en in het ontwerpen en leiden van projecten. Adri publiceerde sinds 1983 artikelen en boeken over kinderbescherming, aanpak van kindermishandeling, jeugdzorg en jeugdbeleid alsook over de veranderende verhoudingen tussen burgers, markt, gesubsidieerde instellingen en overheid. Hij was van 2007 tot 2015 lector Jeugdzorg en Jeugdbeleid bij Hogeschool Leiden. Sinds 1997 is Adri raadsheer plaatsvervanger in de familiekamer van het gerechtshof in Den Haag.

    Medical and societal developments have led to a new family form involving more than two persons who make the conscious decision to have and raise a child together. Before the conception of the child, co-parenting arrangements are made covering the role of each parent in the child’s life and the division of care and financial obligations. These intentional multi-parent families pose new challenges to family law. Both in Belgium and the Netherlands, as in most other legal systems, the number of legal parents vested with custody of the child is limited to two. This two-parent model does not protect the relationship between the child and each of its parents in a multi-parent family. The question arises whether the law should be adjusted to accommodate multi-parent families, and if so, how. The Belgian Senate recently accepted that this question should be subjected to parliamentary debate. In 2014 the Netherlands tasked the Government Committee on the Reassessment of Parenthood with evaluating whether the law should allow more than two persons to be a child's legal parents and share parental responsibilities. In its recently published report, the Government Committee advises legal multi-parenthood be statutorily regulated, subject to certain conditions.The present contribution addresses two questions. The first one concerns the legal position of persons who have entered into multi-parenting arrangements. We answer this question by examining the Belgian rules on legal parentage and parental responsibilities. Second, we explore how family law might accommodate intentional multi-parent families. For this question, we focus on the recommendations the Dutch Government Committee formulated on legal multi-parenthood.
    ---
    Medische en maatschappelijke ontwikkelingen hebben geleid tot het ontstaan van een nieuwe gezinsvorm, waarbij meer dan twee personen bewust ervoor kiezen om samen een kind te krijgen en het op te voeden. Voor de verwekking maken ze afspraken over de rol van elk van hen in het leven van het kind en over de verdeling van zorgtaken en financiële verplichtingen. Deze intentionele meeroudergezinnen vormen een nieuwe uitdaging voor het familierecht. Zoals in de meeste rechtsstelsels, is in België en Nederland het aantal juridische ouders beperkt tot twee. Dit twee-oudermodel verleent geen bescherming aan de relatie tussen het kind en elk van zijn ouders in een meeroudergezin. De vraag rijst of het familierecht deze nieuwe gezinsvorm tegemoet moet komen, en zo ja, hoe. De Belgische Senaat heeft eind 2015 aanvaard dat deze vraag het voorwerp moet uitmaken van toekomstig parlementair debat. De Nederlands regering gaf in 2014 aan de “Staatscommissie Herijking Ouderschap” de opdracht te onderzoeken of de wet het mogelijk moet maken dat meer dan twee personen de juridische ouders kunnen zijn van een kind en het ouderlijk gezag kunnen delen. In haar recent gepubliceerde rapport beveelt deze commissie aan om juridisch meerouderschap wettelijk te regelen.  Deze bijdrage onderzoekt twee vragen. De eerste vraag is wat de rechtspositie is van de personen die betrokken zijn in meerouderschapsafspraken. We beantwoorden deze vraag aan de hand van de Belgische regels over afstamming en ouderlijk gezag. De tweede vraag is hoe het recht aan intentionele meeroudergezinnen kan tegemoetkomen. De aanbevelingen van de Nederlandse Staatscommissie Herijking Ouderschap staan hierbij centraal.


Prof. dr. Ingrid Boone
Ingrid Boone is an associate professor of Family Law at KU Leuven. She is a member of the Scientific Research Network of the Research Foundation Flanders (2015-2020) RETHINKIN - Rethinking legal kinship and family studies in the Low Countries.
Article

Access_open Schade in de virtuele wereld: de casus virtuele grooming

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2017
Keywords Virtuele grooming, Schade, Strafbaarstelling, Uitlokverbod
Authors Jeroen ten Voorde
AbstractAuthor's information

    As part of a package of legislative measures concerning cybercrime, the Dutch State Secretary for Security and Justice proposes to criminalize virtual grooming, that is the grooming of a person of minor age who, for example, does only exist as an online creature. The legislator’s principle argument for criminalization is based on the harm principle. This article examines the possibility of founding the criminalization of virtual grooming on this principle.


Jeroen ten Voorde
Jeroen ten Voorde is bijzonder hoogleraar strafrechtsfilosofie (leerstoel Leo Polak) aan de Rijksuniversiteit Groningen en universitair hoofddocent straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit Leiden.

Sara de Jong
Sara de Jong is research fellow aan The Open University (Verenigd Koninkrijk), waar ze de co-coördinator is van de onderzoeksrichting Justice, Borders and Rights in de Strategic Research Area Citizenship & Governance. In verschillende projecten onderzoekt zij de politiek van ngo’s en hun medewerkers op het gebied van migratie, gender en internationale ontwikkeling. Haar boek Complicit Sisters: Gender and Women’s Issues Across North South Divides verscheen in 2017 bij Oxford University Press.

Eline Severs
Eline Severs doceert politieke wetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel. Haar onderzoek concentreert zich voornamelijk op vraagstukken van democratische vertegenwoordiging, de betekenis van legitimiteit, en democratische inclusie. Recent redigeerde ze, samen met Suzanne Dovi (University of Arizona), een symposium over de ethiek van vertegenwoordigers in PS: Political Science and Politics (2018, forthcoming).
Article

Intersectionaliteit in de media: representatie van Nederlandse Kamerleden met een migratieachtergrond in dagbladen, 1986-2016

Journal Res Publica, Issue 4 2017
Keywords intersectionality, media, political representation, gender, ethnicity, categories
Authors Liza Mügge and Anne Louise Schotel
AbstractAuthor's information

    The media are key actors in political inclusion and exclusion. Existing research has shown that women and racial minorities receive less coverage and are portrayed more negatively than white males. Yet, less is known about differences in media coverage within and between groups. This study disentangles such variation with an intersectional lens. Drawing on newspaper analysis of all 55 politicians with a migration background who ever held a seat in Dutch parliament (1986-2016) we analyze the quantity and tone of media coverage and examine how they are identified. Our findings show that although women receive more coverage than men, this is no advantage. Women are framed more often and in more variety as ‘different’ compared to their male minority colleagues. The most visible politicians are particularly negatively described in terms of their different identities when they aim to achieve a higher position of power in the party.


Liza Mügge
Liza Mügge is universitair hoofddocent aan de afdeling politicologie en directeur van het Amsterdam Research Centre for Gender & Sexuality van de Universiteit van Amsterdam. Zij is medeoprichter en redacteur van het European Journal of Politics and Gender. Haar expertise en onderzoeksinteresses zijn politieke vertegenwoordiging, diversiteit en transnationalisme.

Anne Louise Schotel
Anne Louise Schotel behaalde haar masterdiploma in de sociale wetenschappen aan de Universiteit Utrecht en werkt nu aan haar PhD-voorstel bij het departement politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.

    De studie beoogt aan de hand van 87 dossiers van gezag- en omgangsonderzoeken door de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) meer inzicht te krijgen in situaties waarin de ene ouder de andere ouder in het kader van een (echt)scheiding beschuldigt van seksueel misbruik van kinderen. De dossiers zijn gekoppeld aan bijbehorende civielrechtelijke beschikkingen en het Justitiële Documentatiesysteem. Hierdoor is de problematiek van verschillende kanten belicht. Uit het onderzoek blijkt dat het over het algemeen complexe zaken zijn, waarin naast de BSKM nog meer problemen zijn binnen de gezinnen. De aard van het vermeende seksueel misbruik is ernstig, en de kinderen gemiddeld jong. Regelmatig is de beschuldiging geuit bij politie en hulpverlening vóór de rechtszaak en het raadsonderzoek. De rechtszaken betreffen over het algemeen procedures omtrent gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken en omgang. Vrijwel nooit is vast te stellen of het seksueel kindermisbruik heeft plaatsgevonden. Slechts drie ouders zijn veroordeeld voor het misbruik. Eén vader is vrijgesproken, twee vaders zijn niet nader vervolgd omdat zij ten onrechte als verdachte waren aangemerkt. Civiele rechters die beslissingen moeten nemen over de kinderen staan voor een dubbel dilemma: het al dan niet serieus nemen van de beschuldiging kan schadelijke gevolgen hebben voor kinderen, en daarnaast kan, vanwege de onzekerheid over de gegrondheid, een beslissing tot nader onderzoek ook schadelijk zijn omdat dit het proces verlengt. De RvdK adviseert de rechtbank regelmatig om definitieve beslissingen omtrent de kinderen aan te houden, in afwachting van bijvoorbeeld hulpverlening of een ondertoezichtstelling. Het is echter doorgaans niet de waarschijnlijkheid van het SKM, maar de gevolgen van de beschuldiging zelf waar de RvdK zijn zorgen regelmatig over uit. Hierdoor lijkt het dat de beschuldiging, en niet het potentiële misbruik, een katalysator is voor onwenselijke gevolgen voor de kinderen.
    ---
    This study aims to provide insight into allegations of child sexual abuse in the context of divorce and related proceedings by reviewing 87 files concerning investigations by the Dutch child protective service (CPS). These files are linked to the court rulings about the families in question, as well as the criminal record database. This makes it possible to look at this problem from various angles. The study shows that the cases are generally complex, in which aside from the allegations of sexual abuse, other issues existed within the families. The nature of the alleged abuses were serious, and the children were relatively young. Often an allegation was made to the police and social work organizations before the civil proceeding and investigation by the CPS. The proceedings generally concerned matters relating to the custody of and access to the children. It was very rarely possible to determine whether the child sexual abuse had actually taken place. Only three fathers were convicted of the abuses concerned. One father was acquitted and two fathers were wrongfully identified as suspects. Civil judges who have to make decisions about the children are faced with a double dilemma: firstly, the decision of whether or not to take the allegation seriously can have damaging consequences for the children involved. Secondly, the choice to proceed with further investigation and aid within the family, due to uncertainty as to the veracity of the allegation(s) in question, can lead to a prolonged process that damages the child. The study shows that the CPS often advises the court to postpone definitive decisions about the children so that social work organizations can provide more information on the matter at hand. However, the study also shows that it is generally not the potential abuse, but the allegation itself that the CPS expresses concern about.


Anne Smit MSc.
Anne Smit is a PhD Candidate at the VU University Amsterdam. She is currently writing her PhD dissertation on the topic: ‘Allegations of Sexual Abuse of Children in Divorce Procedures: Towards Evidence-Based Guidelines’.

Masha Antokolskaia
Masha Antokolskaia is a professor of family law at the VU University Amsterdam. She is head of the Amsterdam Centre of Family Law (ACFL), as well as a member of the Commission on European Family Law (CEFL) and of the Executive Council of the International Society of Family Law. Her main fields of interest are comparative family law, European family law, empirical family law studies and history of family law.

Catrien Bijleveld
Catrien Bijleveld is the director of the Netherlands Institute for the Study of Crime and Law Enforcement (NSCR). Prior to this she worked as a senior researcher at NSCR. Her research activities focus on research into criminal careers and (experimental) research into the effectiveness of interventions, juvenile sex offenders, historical trends and the intergenerational transmission of delinquent behaviour. Catrien Bijleveld is also a member of the Royal Dutch Academy of Sciences (KNAW).
Showing 1 - 20 of 82 results
« 1 3 4 5
You can search full text for articles by entering your search term in the search field. If you click the search button the search results will be shown on a fresh page where the search results can be narrowed down by category or year.