Search result: 116 articles

x
Article

Access_open Moet de strafrechter ook de scheidsrechter zijn van het publieke debat?

De scheiding der machten in het licht van de vrijheid van meningsuiting voor volksvertegenwoordigers

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2020
Keywords Freedom of speech, Separation of powers, Criminal law, Hate speech, Legal certainty
Authors Jip Stam
AbstractAuthor's information

    This article contains a critical review of the provisions in the Dutch penal code regarding group defamation and hate speech. It is argued that not only these provisions themselves but also their application by the Dutch supreme court, constitutes a problem for the legitimacy and functioning of representative democracy. This is due to the tendency of the supreme court to employ special constraints for offensive, hateful or discriminatory speech by politicians. Because such a special constraint is not provided or even implied by the legislator, the jurisprudence of the supreme court is likely to end up in judicial overreach and therefore constitutes a potential – if not actual – breach in the separation of powers. In order to forestall these consequences, the protection of particularly political speech should be improved, primarily by a revision of the articles 137c and 137d of the Dutch penal code or the extension of parliamentary immunity.


Jip Stam
Jip Stam is onderzoeker en docent bij de afdeling Encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Leidse rechtenfaculteit.
Article

Access_open Religie op het werk?

Over positieve en negatieve godsdienstvrijheid bij private ondernemingen en tendensondernemingen

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2020
Authors Leni Franken and François Levrau
AbstractAuthor's information

    In this article we elaborate on the place of religion in the workplace. Does the individual freedom of religion imply that employers must always accommodate the religious claims of employees or can they boast a number of arguments allowing them to legitimately limit that freedom? And, conversely, do employers not also have a right to freedom of religion and a right to formulate certain religious expectations for their employees? In this contribution, we deal with these and related questions from a legal-philosophical perspective. The overall aim is to illustrate the extent to which univocal answers are jeopardized because of conceptual ambiguities. We first make a normative distinction between two strategies (i.e. difference-blind approach and difference-sensitive approach) and subsequently illustrate and elaborate on how and why these strategies can lead to different outcomes in legal cases. We illustrate the extent to which a contextual and proportional analysis can be a way out in theoretical and practical conundrums.


Leni Franken
Leni Franken is senior researcher and teaching assistant at the University of Antwerp.

François Levrau
François Levrau is senior researcher and teaching assistant at the University of Antwerp.
Article

Access_open Recht en politiek in de klimaatzaken

Een sleutelrol voor het internationaal recht in de argumentatie van de nationale rechter

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2020
Authors Vincent Dupont
AbstractAuthor's information

    Ever since it was published in 2015, the judgment of the The Hague court in the so-called Urgenda-case, and the subsequent decisions of the appellate and cassation courts confirming it, have been met with repeated and vivid critiques. By recognizing the necessity of the reduction in greenhouse gas emissions, and furthermore imposing a certain reduction level on the Dutch state, the judgments in the cases at hand gave rise to many questions concerning the position of the judiciary in the matter, and in Dutch society as a whole. This article attempts in the first place to situate the positions of the different actors intervening in the Urgenda-case within a legal-theoretical framework. The contribution subsequently explores the strategic possibilities that an alternative understanding of law could offer to the judges, focusing specifically on the use of legal instruments stemming from international law, brought into the reasoning of the national judge.


Vincent Dupont
Vincent Dupont studeerde in 2017 af als Master of Laws aan de KU Leuven en volgt momenteel een opleiding sociologie aan de Université libre de Bruxelles, Unicamp in São Paulo en de École des hautes études en sciences sociales in Parijs.
Article

Access_open Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2019
Keywords oprichting, doelstelling, band met de rechtspraktijk, rechtsfilosofie en rechtstheorie, internationalisering (van Duits naar Engels)
Authors Corjo Jansen
AbstractAuthor's information

    De Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts (VWR) is opgericht op 28 december 1918. Zij had tot doel de studie van de rechtsfilosofie en het maatschappelijk leven. Deze studie moest tevens relevant zijn voor de rechtspraktijk. Vanaf haar oprichting kende de VWR een sterke internationale oriëntatie, aanvankelijk gericht op Duitsland, later vooral op het Verenigd Koninkrijk en de VS. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw beleefde de VWR wat betreft belangstelling en ledenaantal haar hoogtepunt. In 2016 besloot zij – na een gestage neergang – de band met de Nederlandstalige (praktijk)jurist weer aan te halen.


Corjo Jansen
Corjo Jansen is hoogleraar Rechtsgeschiedenis en Burgerlijk recht en voorzitter van het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen.

    In dit artikel wordt de waarde van het instituut parlement verkend. Daartoe analyseert de auteur eerst een lezing die de Nederlandse staatsrechtsgeleerde C.W. van der Pot in 1925 over dit thema hield bij de VWR. Vervolgens wordt Van der Pots opvatting gecontrasteerd met de diametraal tegengestelde benadering van Carl Schmitt, die zich, rond dezelfde tijd, over dit vraagstuk boog in Duitsland. Tot slot schetst de auteur, via een alternatieve, wellicht excentrieke, interpretatie van Schmitt waar een belangrijke waarde van het moderne parlement zou kunnen liggen.


Bastiaan Rijpkema
Bastiaan Rijpkema is universitair docent aan de afdeling Encyclopedie van de Rechtswetenschap van de Universiteit Leiden.

    Hoe was het met de Nederlandse rechtsfilosofie gesteld in de eerste jaren na de bevrijding? In die periode lag binnen de Vereniging voor Wijsbegeerte des Rechts (VWR) het accent op de verhouding tussen recht en gerechtigheid in het licht van het recente verleden. Dit artikel bespreekt interventies van drie actieve VWR-leden in de jaren 1946-1949: C.M.O. van Nispen tot Sevenaer, I. Kisch en G.E. Langemeijer. Gelet op het sterke accent op de relatie tussen recht en moraal in deze periode, is het niet verwonderlijk dat de rechtsfilosofie van Gustav Radbruch destijds binnen de VWR veel bijval kreeg. Wat was Radbruchs invloed op deze drie rechtsfilosofen? Het artikel besluit met een bespreking van de herdenkingsrede die VWR-voorzitter M.P. Vrij in 1949 uitsprak bij het dertigjarig bestaan. Deze rede markeert het eindpunt van vier jaar van intensieve aandacht voor de rechtsfilosofische implicaties van de ervaring van juridisch onrecht.


Wouter Veraart
Wouter Veraart is hoogleraar Rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Discussion

Access_open Naar een kritische en relevante rechtstheorie

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2019
Keywords grondslagen, normatief systeem, buitenstaanderperspectief, empirisch perspectief
Authors Pauline Westerman
AbstractAuthor's information

    Een pleidooi om de eeuwige zoektocht naar abstracte normatieve grondslagen te staken en op zoek te gaan naar de voorwaarden voor het ontstaan en voortbestaan van normatieve systemen vanuit een buitenstaandersperspectief dat conceptuele anayse verbindt met historische en sociologische inzichten.


Pauline Westerman
Pauline Westerman is hoogleraar Rechtsfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Discussion

Access_open Tegen academische reservaten. Pleidooi voor een ‘leesbare’ rechtsfilosofie

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2019
Keywords interdisciplinariteit, wijsbegeerte van het recht, wetenschapspolitiek, rechtsfilosofie, rechtenstudie
Authors Niels Graaf
AbstractAuthor's information

    De wijsbegeerte van het recht, ooit koningin der rechtswetenschap, is onderdeel geworden van de juridische ‘perspectiefvakken’. Daarmee is het risico ontstaan dat uiteindelijk het ‘perspectiefvak’ dat het beste aansluit bij de wetenschap van het positieve recht (institutioneel) zegeviert. Academische l’art pour l’art in de zin dat een subdiscipline als de wijsbegeerte van het recht zich in een afgeschermde traditie opsluit, moet daarom worden voorkomen. Tegelijkertijd is het zaak dat perspectiefvakken niet alleen hun argumentatie verrijken en schrijven voor een groter lezerspubliek, maar zich ook duidelijker naar de buitenwereld presenteren als niet inwisselbaar, maar complementair.


Niels Graaf
Niels Graaf is promovendus Rechtstheorie aan de Universiteit Utrecht.

    This article is part of a broader discussion about attaining a full-fledged child-friendly (criminal) justice. Attaining that goal is particularly challenging in cases of international parental abduction, due to the involvement of two branches of law. It is examined to what extent the current interaction guarantees a decision in the best interests of the child. More specifically, the implications of the adage le criminel tient le civil en état are scrutinised from a children’s rights perspective.
    The central research question reads: “to what extent can the adage le criminal tient le civil and état be upheld when further elaborating the best interests of the child in criminal law, more specifically in the interaction between civil and criminal law?” The research wants to contribute to the debate of the difficult triangular relationship between civil law, criminal law and children's rights law.
    In cases of child abduction, the link and interaction between the two procedures goes beyond the traditionally accepted scope of civil damages arising from a criminal offense. Nevertheless, both procedures following a parental abduction are based on the same facts and are inextricably linked, which means that they have to be assessed together, which means that they should be judged together. The question arises as to how the two parallel procedures can be coordinated better, now that it is clear that they may significantly influence each other.
    A full-fledged application of the adage means that a decision concerning the return of the child can only be handed down from the moment when the criminal proceeding (concerning the prosecution of the parent) is completed. It is immediately clear that this cannot be in the best interests of the child.
    It is argued that the adage must be abandoned or reversed to guarantee article 3 CRC. This statement is substantiated with arguments of both practical (referring to the time course) and fundamental (importance of the child best interets as a first consideration) nature. Thereby counterarguments are anticipated.
    ---
    Dit artikel kadert binnen de bredere discussie inzake het streven naar een kindvriendelijk (straf)rechtssysteem. In zaken van internationale parentale ontvoering, waarbij twee rechtstakken betrokken zijn, is dit bijzonder uitdagend. Er wordt onderzocht in welke mate de huidige interactie tussen beide rechtstakken het belang van het kind waarborgt. Concreet wordt het adagium le criminel tient le civil en état vanuit een kinderrechten-perspectief aan een kritische blik onderworpen.
    De centrale onderzoeksvraag luidt: “in welke mate is het adagium le criminel tient le civil and état houdbaar in de verdere uitwerking van het belang van het kind in het strafrecht, meer bepaald in de wisselwerking tussen burgerlijk en strafrecht?” Het artikel wil aan het belang van het kind een duidelijkere positie geven in de moeilijke driehoeksverhouding tussen burgerlijk recht, strafrecht en kinderrechten.
    In zaken van kinderontvoering gaat het de toepassing van het adagium verder dan de traditioneel aanvaarde reikwijdte van civielrechtelijke schadevergoedingen die voortvloeien uit een strafbaar feit. Niettemin zijn beide procedures, volgend op een parentale ontvoering, gebaseerd op dezelfde feiten en onlosmakelijk verbonden met elkaar, wat betekent dat ze samen moeten worden beoordeeld. De vraag rijst hoe de twee parallelle procedures beter gecoördineerd kunnen worden, nu duidelijk is dat ze elkaar op een significante manier kunnen beïnvloeden.
    Onverkorte toepassing van het adagium betekent dat de burgerlijke beslissing betreffende de terugkeer van het kind pas kan plaatsvinden vanaf het moment dat de strafrechtelijke procedure (betreffende de vervolging van de ouder) is voltooid. Het is meteen duidelijk dat dit niet in het belang van het kind kan zijn.
    Er wordt geargumenteerd dat het adagium moet worden verlaten dan wel omgedraaid om artikel 3 IVRK te garanderen. Argumenten van zowel praktische (verwijzend naar de tijdsverloop) als fundamentele (belang van het kind als eerste overweging) aard onderbouwen dit standpunt. Daarbij wordt geanticipeerd op tegenargumenten.


Elise Blondeel MSc
Doctoraal onderzoekster Strafrecht & Rechten van het Kind (BOF-mandaat). Onderzoeksdomein: Internationale Parentale Ontvoering. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

prof. dr. Wendy De Bondt
Professor Strafrecht/Rechten van het Kind/Jeugdrecht aan Universiteit Gent. Onderzoeksdomein: (Europees) strafrecht(elijk beleid) & Rechten van het Kind. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).
Article

Access_open Fenomenologie van het proces van bewijzen in strafzaken

Over de noodzaak van het vooroordeel

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2019
Authors Thomas Jacobus de Jong
Abstract

    In deze bijdrage staat de activiteit van bewijzen in strafzaken centraal. Betoogd wordt dat de vigerende rationalistische opvatting van strafrechtelijk bewijzen eraan voorbij gaat dat het bewijzen zich allereerst voltrekt op een vóór-reflectief niveau. Het primaire blikveld van de mens is namelijk niet het objectiverende kennen, zoals in de rationele bewijstheorieën wordt voorondersteld, maar de praktische relatie tot de wereld. In dit kader wordt eerst de filosofische achtergrond van de rationalistische bewijsopvatting in kaart gebracht, in het bijzonder de invloed van Aristoteles en Descartes. Vervolgens worden de daaruit voortkomende bevindingen aan de hand van ideeën en inzichten die zijn ontleend aan de existentiële fenomenologie kritisch gewaardeerd. Dit leidt tot de uiteenzetting van een hermeneutische opvatting van strafrechtelijk bewijzen.


Thomas Jacobus de Jong
Article

Access_open Broken rules, ruined lives

Een verkenning van de normativiteit van de onrechtservaring

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2019
Keywords onrecht, Slachtofferrechten, Benjamin, Shklar
Authors Nanda Oudejans and Antony Pemberton
AbstractAuthor's information

    Hoewel de rechtspositie van slachtoffers de afgelopen decennia verstevigd lijkt, blijft de relatie tussen slachtoffer en strafrecht ongemakkelijk. Rechtswetenschappers tonen zich bezorgd dat de toenemende aandacht voor de belangen van slachtoffers uitmondt in ‘geïnstitutionaliseerde wreedheid.’ Deze zorg wordt echter gevoed door een verkeerd begrip van slachtofferschap en heeft slecht begrepen wat het slachtoffer nu eigenlijk van het recht verlangt. Deze bijdrage probeert de vraag van het slachtoffer aan het recht tot begrip te brengen. Wij zullen de onrechtservaring van het slachtoffer conceptualiseren als een ontologisch alleen en verlaten zijn van het slachtoffer. Het aanknopingspunt om de relatie tussen slachtoffer en recht opnieuw te denken zoeken wij in deze verlatenheid. De kern van het betoog is dat het slachtoffer (mede) in het recht beschutting zoekt tegen deze verlatenheid, maar ook altijd onvermijdelijk tegen de grenzen van het recht aanloopt. Van een rechtssysteem dat zich volledig uitlevert aan de noden van slachtoffers kan dan ook geen sprake zijn. Integendeel, het recht moet zijn belang voor slachtoffers deels zien in de onderkenning van zijn eigen beperkingen om onrecht te keren, in plaats van de onrechtservaring van het slachtoffer weg te moffelen, te koloniseren of ridiculiseren.


Nanda Oudejans
Nanda Oudejans is universitair docent rechtsfilosofie aan de Universiteit Utrecht.

Antony Pemberton
Antony Pemberton is hoogleraar victimologie aan Tilburg University.
Article

Access_open De tijd van gewortelde vreemdelingen

Een filosofische analyse van tijd en worteling als grond voor verblijfsaanspraken van vreemdelingen

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2019
Keywords migratierecht, vreemdelingen, tijd, identiteit, vanzelfsprekend worden
Authors Martijn Stronks
Abstract

    In dit artikel wordt langs wijsgerige weg de verhouding tussen tijd, identiteit en het verlenen van (sterkere) verblijfsaanspraken aan migranten onderzocht en verhelderd door een nieuwe betekenis van de term worteling voor te stellen. Want wat is worteling nu eigenlijk? Het is de relatie tussen menselijke tijd, worteling en het migratierecht die in dit artikel filosofisch wordt uitgediept. Dit om te verklaren waarom we in het migratierecht vreemdelingen in het algemeen na verloop van tijd sterkere aanspraken verlenen. In dit artikel wordt betoogd dat het verblijf van vreemdelingen op het grondgebied ervoor zorgt dat hun leven aldaar na verloop van tijd een vanzelfsprekend onderdeel uitmaakt van hun identiteit, en van het leven van anderen. Het is dit vanzelfsprekend worden van mensen door de tijd dat de grond is voor het bestaan van formele tijdscriteria voor insluiting in het migratierecht.


Martijn Stronks

    In deze bijdrage wordt een reactie gegeven op de publicatie van Van Montfoort (2018), ‘Beschuldigingen van kindermishandeling en echtscheidingsconflicten. Reactie op De Ruiter & Van Pol (2017)’. Van Montfoort richt zich in zijn reactie exclusief op onze vraag over de prevalentie van valse beschuldigingen van kindermishandeling in onze websurvey bij meer dan 800 juridische en sociale professionals in Nederland die in hun werk met conflictscheidingen te maken hebben. Wij delen zijn standpunten niet en betogen dat het voor juridische en sociale professionals noodzakelijk is om kennis te hebben van prevalentieschattingen om tunnelvisie te vermijden. Daarnaast geven wij aan dat verbetering van het feitenonderzoek in omgangszaken noodzakelijk is.
    ---
    This contribution is a response to Van Montfoort (2018), ‘Allegations of child abuse in conflictual divorce cases. Response to De Ruiter & Van Pol (2017)’ . Van Montfoort focusses his response exclusively on the question concerning the prevalence of false allegations of child abuse from our websurvey among more than 800 legal and social professionals in the Netherlands who are dealing with high conflict divorce cases in their work. We do not share his viewpoints and argue that both legal and social professionals need to have knowledge of prevalence estimations (‘base rates’) in order to avoid tunnel vision. We also emphasize the need for improvements in fact finding in child custody cases in our country and provide examples of recent initiatives to this end.


Prof. dr. Corine de Ruiter
Prof. dr. Corine de Ruiter is a licensed clinical psychologist (BIG) in The Netherlands. She serves as professor of Forensic Psychology at Maastricht University. She also has a private practice. Her research focuses on the interface between psychopathology and crime. She has a special interest in the prevention of child abuse and intimate partner violence because they are both very common and often overlooked in practice.
Editorial

Access_open De gevoelstemperatuur van het strafrecht

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2017
Authors Anne Ruth Mackor, Jeroen ten Voorde and Pauline Westerman
Author's information

Anne Ruth Mackor
Anne Ruth Mackor is als hoogleraar professie-ethiek, in het bijzonder van juridische professies, verbonden aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit Groningen.

Jeroen ten Voorde
Jeroen ten Voorde is bijzonder hoogleraar strafrechtsfilosofie (leerstoel Leo Polak) aan de Rijksuniversiteit Groningen en universitair hoofddocent straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit Leiden.

Pauline Westerman
Pauline Westerman is als hoogleraar rechtsfilosofie verbonden aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Rijkuniversiteit Groningen.

Sara de Jong
Sara de Jong is research fellow aan The Open University (Verenigd Koninkrijk), waar ze de co-coördinator is van de onderzoeksrichting Justice, Borders and Rights in de Strategic Research Area Citizenship & Governance. In verschillende projecten onderzoekt zij de politiek van ngo’s en hun medewerkers op het gebied van migratie, gender en internationale ontwikkeling. Haar boek Complicit Sisters: Gender and Women’s Issues Across North South Divides verscheen in 2017 bij Oxford University Press.

Eline Severs
Eline Severs doceert politieke wetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel. Haar onderzoek concentreert zich voornamelijk op vraagstukken van democratische vertegenwoordiging, de betekenis van legitimiteit, en democratische inclusie. Recent redigeerde ze, samen met Suzanne Dovi (University of Arizona), een symposium over de ethiek van vertegenwoordigers in PS: Political Science and Politics (2018, forthcoming).

François Levrau
François Levrau is master Klinische Psychologie, master Moraalwetenschappen en doctor Sociale Wetenschappen. Momenteel is hij als doctor-assistent verbonden aan het Centrum Pieter Gillis van de UAntwerpen. Hij legt zich vooral toe op de politiek-filosofische studie van de multiculturele samenleving.
Article

Burgemeester (m/v) in de Lage Landen

Zelfde job? Zelfde rol? Zelfde vragen?

Journal Res Publica, Issue 3 2017
Keywords mayoralty, mayors, Flanders, Netherlands, institutional change, selection procedure
Authors Niels Karsten, Koenraad De Ceuninck and Herwig Reynaert
AbstractAuthor's information

    This article compares the mayoralties of the Netherlands and Flanders, with a particular focus on the changes since 2010. The results show that the mayors of these two historically and culturally connected Low Countries form particularly homogeneous groups of people. This has not changed much over the last few years. The role and function of mayors in both Flanders and the Netherlands, however, have gradually changed substantially. In particular, both mayors’ responsibilities in the field of safety and security have increased. At the same time, the two mayoralties show considerable differences. The Flemish mayor has long been and still is a far more political figure than the Dutch mayor is. The Dutch mayoral office, however, is politicising, which has resulted in more debate about its role in local government than in Flanders. The comparison shows how the local political culture can strongly influence how public offices take shape.


Niels Karsten
Niels Karsten, MA, is als universitair docent verbonden aan de Tilburg School of Governance. Hij doet vooral onderzoek naar lokaal politiek-bestuurlijk leiderschap. Als promovendus deed hij onderzoek naar de verantwoording door burgemeesters en wethouders van controversiële beslissingen. Tussen 2013 en 2014 was hij projectleider van een uitgebreid empirisch onderzoek naar het Nederlandse burgemeestersambt, dat resulteerde in het boek Majesteitelijk & Magistratelijk. Sindsdien is hij betrokken geweest bij verschillende onderzoeken naar politieke ambtsdragers in binnen- en buitenland. Over het Nederlandse burgemeestersambt publiceerde hij onder andere in Bestuurswetenschappen, Lex Localis, Leadership en het Oxford Handbook of Political Leadership.

Koenraad De Ceuninck
Koenraad De Ceuninck is als docent verbonden aan de vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent. Hij is lid van het Centrum voor Lokale Politiek. Zijn voornaamste onderzoeksdomeinen zijn schaal en lokale politiek, gemeentelijke fusies en hervormingen op lokaal niveau. Zijn doctoraatsonderzoek was een studie naar de politieke besluitvorming tijdens de gemeentelijke fusies in België in 1976. Hij publiceert rond meerdere onderwerpen met betrekking tot lokaal beleid en lokale politiek. Hij is betrokken bij het vak Actuele vraagstukken van de lokale politiek en is verantwoordelijk voor de stages binnen de opleiding politieke wetenschappen.

Herwig Reynaert
Herwig Reynaert is als gewoon hoogleraar verbonden aan de vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent. Hij is voorzitter van het vakgebied Lokale en Regionale Politiek en voorzitter van het Centrum voor Lokale Politiek. Sinds 2009 is hij decaan van de Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen. Hij publiceerde als auteur en/of coauteur tientallen boeken, wetenschappelijke artikels en hoofdstukken in boeken. Zijn publicaties hebben vooral de lokale politiek als onderwerp. Tevens is hij organisator van zowel nationale als internationale congressen over (vergelijkende) lokale politiek. Hij doceert de vakken lokale politiek, actuele vraagstukken van de lokale politiek, interne Belgische politiek en Belgische binnenlandse politiek. Hij maakt deel uit van diverse wetenschappelijke redactieraden.

Harry Groenenboom
Mr. drs. Harry Groenenboom studeerde Nederlands recht en filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR). Hij werkt als advocaat bij Janssens Den Boef Advocaten in Houten.
Introduction

Inleiding

Journal Res Publica, Issue 1 2017
Authors Margo Trappenburg and Ank Michels
Author's information

Margo Trappenburg
Margo Trappenburg is universitair hoofddocent bestuurs- en organisatiewetenschappen aan de Universiteit Utrecht en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek. Haar onderzoek gaat over veranderingen in de verzorgingsstaat en de gevolgen daarvan voor kwetsbare groepen, andere burgers en professionals.

Ank Michels
Ank Michels is politicoloog en als universitair docent verbonden aan het Departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap van de Universiteit Utrecht. In haar onderzoek houdt zij zich bezig met nieuwe vormen van besturen en democratie, burgerparticipatie en deliberatie. Ze is mede-auteur van het boek G1000. Ervaringen met burgertoppen (2016) en auteur van onder meer ‘Innovations in democratic governance. How does citizen participation contribute to a better democracy’ (2011) en ‘Participation in citizens’ summits and public engagement’ (2017), beide in International Review of Administrative Sciences.

Hans Vollaard
Hans Vollaard is universitair docent Nederlandse en Europese politiek binnen het Instituut Politieke Wetenschap van de Universiteit Leiden.
Showing 1 - 20 of 116 results
« 1 3 4 5 6
You can search full text for articles by entering your search term in the search field. If you click the search button the search results will be shown on a fresh page where the search results can be narrowed down by category or year.