Search result: 111 articles

x

    Deze analyse bespreekt uitvoerig de argumenten van voor- en tegenstanders van het wetsvoorstel ter versoepeling van de Belgische abortuswetgeving (2019-…). Het fel bediscussieerde wetsvoorstel beoogt het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon uit te breiden en abortus te destigmatiseren. Door vrijwillige zwangerschapsafbreking als gezondheidszorg te kwalificeren geven de indieners van het wetsvoorstel tevens de voorkeur aan een gezondheidsrechtelijk traject op maat van de zwangere persoon als patiënt. De inkorting van de wachtperiode-en het schrappen van abortusspecifieke informatieverplichtingen geven in die zin blijk van vertrouwen in de zwangere persoon, in het kwalitatief handelen van de zorgverlener en in de waarborgen die het gezondheidsrecht reeds biedt. De wetgever dient met andere woorden uit te maken (1) welke regels hij in de context van abortus nodig acht, (2) of deze regels reeds worden gewaarborgd door de algemene gezondheidswetten- en deontologie, en (3) of de vooropgestelde regels hun doel bereiken. Een uitbreiding van het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon wordt tevens bewerkstelligd door de termijnuitbreiding van twaalf naar achttien weken voor abortus op verzoek. Een keuze voor een termijn is steeds in zekere mate willekeurig, doch reflecteert een beleidsethische keuze waarbij wordt gezocht naar een evenwicht tussen de bescherming van ongeboren leven en het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon. Praktische bekommernissen vormen hierbij geen fundamenteel bezwaar tegen een termijnuitbreiding maar dienen, in overleg met de betrokken sector, te worden geanticipeerd en maximaal te worden opgevangen door middel van organisatorische (niet-noodzakelijk juridische) initiatieven. Ten slotte beogen de indieners van het wetsvoorstel opheffing van alle strafsancties voor vrijwillige zwangerschapsafbreking. Op rechtstheoretisch vlak blijven echter vragen bestaan omtrent de manier waarop dit voorstel een volledige depenalisering doorvoert. Hoewel het tuchtrecht enige rol kan spelen bij gebrek aan strafsancties, creëert de vooropgestelde depenalisering van ongeoorloofde zwangerschapsafbreking door een arts een rechtsonzekere situatie.
    ---
    This analysis extensively discusses the arguments of supporters and opponents of the legislative proposal to relax the Belgian abortion legislation (2019-…). The heavily debated proposal primarily aims to expand the pregnant person’s right to self-determination and to destigmatise abortion. By qualifying consensual termination of pregnancy as health care, the supporters of the proposal also prioritise an individualised, health-oriented approach towards the pregnant person as patient. In the same vein, the diminished waiting period and the removal of abortion-specific information duties express trust in the pregnant person, in the qualitative conduct of the health care provider, and in the guarantees that the health law already provides. In other words, the legislator must determine 1) which regulations it deems necessary in the context of abortion, 2) whether these regulations are already guaranteed by general health laws and ethics, and 3) whether the proposed regulations achieve their intended purpose. An expansion of the pregnant person’s right to self-determination is also achieved by the extension from twelve to eighteen weeks as a limit for abortion on request. Although a time limit is always arbitrary to some extent, it mainly reflects a policy-ethical decision in which a balance is sought between the protection of unborn life and the pregnant person’s right to self-determination. Practical concerns do not establish a fundamental objection to the extension of such limit, but must, in consultation with the medical profession, be anticipated and dealt with as much as possible by means of organisational (not necessarily legal) initiatives. Finally, the proposal lifts all criminal sanctions currently applicable to consensual termination of pregnancy. On a legal-theoretical level, however, questions remain about the way in which the proposal implements full depenalisation. Although disciplinary law can play some role in the absence of criminal sanctions, the depenalisation of unlawful termination of pregnancy by a health care professional produces legal uncertainty.


F. De Meyer
Fien De Meyer doet doctoraatsonderzoek naar regelgeving inzake abortus aan de Universiteit van Antwerpen.

C. De Mulder
Charlotte De Mulder doet doctoraatsonderzoek naar het statuut van ongeboren leven aan de Universiteit van Antwerpen.
Article

Access_open De gewetensbeslissing in Scholtens rechtsmethodologie

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2021
Keywords Geweten, feiten, Scholten, Kierkegaard, naastenliefde
Authors Jos Vleugel
AbstractAuthor's information

    The role that Paul Scholten assigns to conscience in his legal methodology still leads to heated discussions in literature after almost 100 years. Recognizing that in case law the conscience of the judge can be of decisive importance is apparently problematic. It would facilitate political court rulings, make judicial judgment uncontrollable and could be arbitrary for the parties to the legal dispute. Not only Scholten’s view on the role of conscience in judicial decision making is “a stumbling block”. At least as great is the fuss about his representation of conscience. Only Christian lawyers could identify with this. This article attempts to shed new light on the above points of criticism by drawing attention to the following aspects of Scholten’s legal methodology: the role of the facts in establishing the law, the nature of the legal judgment and finally the grounds on which conscience may be determined.


Jos Vleugel
Jos Vleugel is universitair docent staatsrecht aan de Universiteit Utrecht.
Article

Access_open Religie op het werk?

Over positieve en negatieve godsdienstvrijheid bij private ondernemingen en tendensondernemingen

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2020
Authors Leni Franken and François Levrau
AbstractAuthor's information

    In this article we elaborate on the place of religion in the workplace. Does the individual freedom of religion imply that employers must always accommodate the religious claims of employees or can they boast a number of arguments allowing them to legitimately limit that freedom? And, conversely, do employers not also have a right to freedom of religion and a right to formulate certain religious expectations for their employees? In this contribution, we deal with these and related questions from a legal-philosophical perspective. The overall aim is to illustrate the extent to which univocal answers are jeopardized because of conceptual ambiguities. We first make a normative distinction between two strategies (i.e. difference-blind approach and difference-sensitive approach) and subsequently illustrate and elaborate on how and why these strategies can lead to different outcomes in legal cases. We illustrate the extent to which a contextual and proportional analysis can be a way out in theoretical and practical conundrums.


Leni Franken
Leni Franken is senior researcher and teaching assistant at the University of Antwerp.

François Levrau
François Levrau is senior researcher and teaching assistant at the University of Antwerp.

Klaas Rozemond
Klaas Rozemond is universitair hoofddocent strafrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Article

Access_open Recht en politiek in de klimaatzaken

Een sleutelrol voor het internationaal recht in de argumentatie van de nationale rechter

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2020
Authors Vincent Dupont
AbstractAuthor's information

    Ever since it was published in 2015, the judgment of the The Hague court in the so-called Urgenda-case, and the subsequent decisions of the appellate and cassation courts confirming it, have been met with repeated and vivid critiques. By recognizing the necessity of the reduction in greenhouse gas emissions, and furthermore imposing a certain reduction level on the Dutch state, the judgments in the cases at hand gave rise to many questions concerning the position of the judiciary in the matter, and in Dutch society as a whole. This article attempts in the first place to situate the positions of the different actors intervening in the Urgenda-case within a legal-theoretical framework. The contribution subsequently explores the strategic possibilities that an alternative understanding of law could offer to the judges, focusing specifically on the use of legal instruments stemming from international law, brought into the reasoning of the national judge.


Vincent Dupont
Vincent Dupont studeerde in 2017 af als Master of Laws aan de KU Leuven en volgt momenteel een opleiding sociologie aan de Université libre de Bruxelles, Unicamp in São Paulo en de École des hautes études en sciences sociales in Parijs.

Irawan Sewandono
Irawan Sewandono is universitair docent staats- en bestuursrecht aan de Open Universiteit.

    In dit artikel wordt de waarde van het instituut parlement verkend. Daartoe analyseert de auteur eerst een lezing die de Nederlandse staatsrechtsgeleerde C.W. van der Pot in 1925 over dit thema hield bij de VWR. Vervolgens wordt Van der Pots opvatting gecontrasteerd met de diametraal tegengestelde benadering van Carl Schmitt, die zich, rond dezelfde tijd, over dit vraagstuk boog in Duitsland. Tot slot schetst de auteur, via een alternatieve, wellicht excentrieke, interpretatie van Schmitt waar een belangrijke waarde van het moderne parlement zou kunnen liggen.


Bastiaan Rijpkema
Bastiaan Rijpkema is universitair docent aan de afdeling Encyclopedie van de Rechtswetenschap van de Universiteit Leiden.

    This article is part of a broader discussion about attaining a full-fledged child-friendly (criminal) justice. Attaining that goal is particularly challenging in cases of international parental abduction, due to the involvement of two branches of law. It is examined to what extent the current interaction guarantees a decision in the best interests of the child. More specifically, the implications of the adage le criminel tient le civil en état are scrutinised from a children’s rights perspective.
    The central research question reads: “to what extent can the adage le criminal tient le civil and état be upheld when further elaborating the best interests of the child in criminal law, more specifically in the interaction between civil and criminal law?” The research wants to contribute to the debate of the difficult triangular relationship between civil law, criminal law and children's rights law.
    In cases of child abduction, the link and interaction between the two procedures goes beyond the traditionally accepted scope of civil damages arising from a criminal offense. Nevertheless, both procedures following a parental abduction are based on the same facts and are inextricably linked, which means that they have to be assessed together, which means that they should be judged together. The question arises as to how the two parallel procedures can be coordinated better, now that it is clear that they may significantly influence each other.
    A full-fledged application of the adage means that a decision concerning the return of the child can only be handed down from the moment when the criminal proceeding (concerning the prosecution of the parent) is completed. It is immediately clear that this cannot be in the best interests of the child.
    It is argued that the adage must be abandoned or reversed to guarantee article 3 CRC. This statement is substantiated with arguments of both practical (referring to the time course) and fundamental (importance of the child best interets as a first consideration) nature. Thereby counterarguments are anticipated.
    ---
    Dit artikel kadert binnen de bredere discussie inzake het streven naar een kindvriendelijk (straf)rechtssysteem. In zaken van internationale parentale ontvoering, waarbij twee rechtstakken betrokken zijn, is dit bijzonder uitdagend. Er wordt onderzocht in welke mate de huidige interactie tussen beide rechtstakken het belang van het kind waarborgt. Concreet wordt het adagium le criminel tient le civil en état vanuit een kinderrechten-perspectief aan een kritische blik onderworpen.
    De centrale onderzoeksvraag luidt: “in welke mate is het adagium le criminel tient le civil and état houdbaar in de verdere uitwerking van het belang van het kind in het strafrecht, meer bepaald in de wisselwerking tussen burgerlijk en strafrecht?” Het artikel wil aan het belang van het kind een duidelijkere positie geven in de moeilijke driehoeksverhouding tussen burgerlijk recht, strafrecht en kinderrechten.
    In zaken van kinderontvoering gaat het de toepassing van het adagium verder dan de traditioneel aanvaarde reikwijdte van civielrechtelijke schadevergoedingen die voortvloeien uit een strafbaar feit. Niettemin zijn beide procedures, volgend op een parentale ontvoering, gebaseerd op dezelfde feiten en onlosmakelijk verbonden met elkaar, wat betekent dat ze samen moeten worden beoordeeld. De vraag rijst hoe de twee parallelle procedures beter gecoördineerd kunnen worden, nu duidelijk is dat ze elkaar op een significante manier kunnen beïnvloeden.
    Onverkorte toepassing van het adagium betekent dat de burgerlijke beslissing betreffende de terugkeer van het kind pas kan plaatsvinden vanaf het moment dat de strafrechtelijke procedure (betreffende de vervolging van de ouder) is voltooid. Het is meteen duidelijk dat dit niet in het belang van het kind kan zijn.
    Er wordt geargumenteerd dat het adagium moet worden verlaten dan wel omgedraaid om artikel 3 IVRK te garanderen. Argumenten van zowel praktische (verwijzend naar de tijdsverloop) als fundamentele (belang van het kind als eerste overweging) aard onderbouwen dit standpunt. Daarbij wordt geanticipeerd op tegenargumenten.


Elise Blondeel MSc
Doctoraal onderzoekster Strafrecht & Rechten van het Kind (BOF-mandaat). Onderzoeksdomein: Internationale Parentale Ontvoering. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

prof. dr. Wendy De Bondt
Professor Strafrecht/Rechten van het Kind/Jeugdrecht aan Universiteit Gent. Onderzoeksdomein: (Europees) strafrecht(elijk beleid) & Rechten van het Kind. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).
Article

Access_open Fenomenologie van het proces van bewijzen in strafzaken

Over de noodzaak van het vooroordeel

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2019
Authors Thomas Jacobus de Jong
Abstract

    In deze bijdrage staat de activiteit van bewijzen in strafzaken centraal. Betoogd wordt dat de vigerende rationalistische opvatting van strafrechtelijk bewijzen eraan voorbij gaat dat het bewijzen zich allereerst voltrekt op een vóór-reflectief niveau. Het primaire blikveld van de mens is namelijk niet het objectiverende kennen, zoals in de rationele bewijstheorieën wordt voorondersteld, maar de praktische relatie tot de wereld. In dit kader wordt eerst de filosofische achtergrond van de rationalistische bewijsopvatting in kaart gebracht, in het bijzonder de invloed van Aristoteles en Descartes. Vervolgens worden de daaruit voortkomende bevindingen aan de hand van ideeën en inzichten die zijn ontleend aan de existentiële fenomenologie kritisch gewaardeerd. Dit leidt tot de uiteenzetting van een hermeneutische opvatting van strafrechtelijk bewijzen.


Thomas Jacobus de Jong
Article

Access_open Broken rules, ruined lives

Een verkenning van de normativiteit van de onrechtservaring

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2019
Keywords onrecht, Slachtofferrechten, Benjamin, Shklar
Authors Nanda Oudejans and Antony Pemberton
AbstractAuthor's information

    Hoewel de rechtspositie van slachtoffers de afgelopen decennia verstevigd lijkt, blijft de relatie tussen slachtoffer en strafrecht ongemakkelijk. Rechtswetenschappers tonen zich bezorgd dat de toenemende aandacht voor de belangen van slachtoffers uitmondt in ‘geïnstitutionaliseerde wreedheid.’ Deze zorg wordt echter gevoed door een verkeerd begrip van slachtofferschap en heeft slecht begrepen wat het slachtoffer nu eigenlijk van het recht verlangt. Deze bijdrage probeert de vraag van het slachtoffer aan het recht tot begrip te brengen. Wij zullen de onrechtservaring van het slachtoffer conceptualiseren als een ontologisch alleen en verlaten zijn van het slachtoffer. Het aanknopingspunt om de relatie tussen slachtoffer en recht opnieuw te denken zoeken wij in deze verlatenheid. De kern van het betoog is dat het slachtoffer (mede) in het recht beschutting zoekt tegen deze verlatenheid, maar ook altijd onvermijdelijk tegen de grenzen van het recht aanloopt. Van een rechtssysteem dat zich volledig uitlevert aan de noden van slachtoffers kan dan ook geen sprake zijn. Integendeel, het recht moet zijn belang voor slachtoffers deels zien in de onderkenning van zijn eigen beperkingen om onrecht te keren, in plaats van de onrechtservaring van het slachtoffer weg te moffelen, te koloniseren of ridiculiseren.


Nanda Oudejans
Nanda Oudejans is universitair docent rechtsfilosofie aan de Universiteit Utrecht.

Antony Pemberton
Antony Pemberton is hoogleraar victimologie aan Tilburg University.
Article

Access_open De tijd van gewortelde vreemdelingen

Een filosofische analyse van tijd en worteling als grond voor verblijfsaanspraken van vreemdelingen

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2019
Keywords migratierecht, vreemdelingen, tijd, identiteit, vanzelfsprekend worden
Authors Martijn Stronks
Abstract

    In dit artikel wordt langs wijsgerige weg de verhouding tussen tijd, identiteit en het verlenen van (sterkere) verblijfsaanspraken aan migranten onderzocht en verhelderd door een nieuwe betekenis van de term worteling voor te stellen. Want wat is worteling nu eigenlijk? Het is de relatie tussen menselijke tijd, worteling en het migratierecht die in dit artikel filosofisch wordt uitgediept. Dit om te verklaren waarom we in het migratierecht vreemdelingen in het algemeen na verloop van tijd sterkere aanspraken verlenen. In dit artikel wordt betoogd dat het verblijf van vreemdelingen op het grondgebied ervoor zorgt dat hun leven aldaar na verloop van tijd een vanzelfsprekend onderdeel uitmaakt van hun identiteit, en van het leven van anderen. Het is dit vanzelfsprekend worden van mensen door de tijd dat de grond is voor het bestaan van formele tijdscriteria voor insluiting in het migratierecht.


Martijn Stronks
Article

De draaideur: van impasse naar uitweg

Journal Res Publica, Issue 3 2018
Keywords revolving door, lobbying, integrity, public values, polder democracy, regulatory solutions
Authors Toon Kerkhoff and Arco Timmermans
AbstractAuthor's information

    The revolving door is an ambiguous concept evoking strong opinions, and often is seen to lead to a decline in trust and legitimacy of the policy-making system of the Netherlands. But the different moral objections against the revolving door between functions and jobs in public and private organizations are barely matched with systematic empirical evidence of negative effects on the policy-making system. In this article, a definition of the concept is presented in order to help focusing the discussion on moral objections and practical implications of the revolving door. Two fundamental contradictions emerge from the panoply of arguments and assertions about this phenomenon. With our definition as a basis, we consider the different forms of the revolving door and discuss conditions under which it may be contained without solutions that are disproportionate to the problem. The way out is to develop clearer norms and integrity-enhancing mechanisms with which negative effects may be avoided and positive effects strengthened.


Toon Kerkhoff
Toon Kerkhoff is universitair docent bij het Instituut Bestuurskunde aan de Universiteit Leiden. Hij geeft leiding aan het Centre for Public Values & Ethics aan de Faculteit Governance & Global Affairs van de Universiteit Leiden, waar wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar normatieve vraagstukken in de publieke sector en kennis daarover breder toegankelijk wordt gemaakt. Het onderzoek van Kerkhoff richt zich in het bijzonder op good governance en bestuurlijke ethiek, waarover hij ook onderwijs geeft in bachelor- en masteropleidingen.

Arco Timmermans
Arco Timmermans is bijzonder hoogleraar public affairs aan de Haagse Faculteit Governance & Global Affairs van de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek en onderwijs gaan over de dynamiek van de maatschappelijke en politieke agenda, issuemanagement, lobbycoalities en de professionalisering van public affairs als terrein van wetenschap en praktijk. Hij is mede-oprichter en leider van de Nederlandse deelname in het internationale Comparative Agendas Project. Naast onderzoek en onderwijs in reguliere academische programma’s zoals de masterspecialisatie public affairs aan de Universiteit Leiden is hij ook intensief betrokken bij cursussen voor werkende professionals op het terrein van public affairs.
Article

Het financiële gedrag van politieke partijen

Een verkennend onderzoek op basis van de Belgische case

Journal Res Publica, Issue 2 2018
Keywords party spending, financial behaviour, spending behaviour, dealignment, professionalisation, Belgium
Authors Jef Smulders and Bart Maddens
AbstractAuthor's information

    In recent decades processes of partisan dealignment and professionalisation have taken place. But how do political parties adapt their financial behaviour to these changes in the political-electoral system? We answer this question by analysing two indicators. First, we examine to what extent parties spend their available financial means (saving versus spending strategy). Secondly, we study how parties spend their available financial means (bureaucratic versus electoral strategy). Based on these two indicators we set up a two-dimensional model describing the financial behaviour of political parties, which we apply to data of Belgian parties in the period 1999-2015. The results illustrate that most parties generally adopt a bureaucratic saving strategy, but that there has not been a linear evolution between 1999 and 2015 towards a specific financial behaviour as a reaction to dealignment and professionalisation.


Jef Smulders
Jef Smulders is aspirant van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen (FWO), verbonden aan de KU Leuven, Instituut voor de Overheid. Hij verricht voornamelijk onderzoek naar partij- en campagenfinanciering en naar de profielen van verkiezingskandidaten. Zijn doctoraatsproefschrift handelde over de uitgaven van politieke partijen in Europa.

Bart Maddens
Bart Maddens is gewoon hoogleraar in de politieke wetenschappen aan de KU Leuven, Instituut voor de Overheid. Zijn onderzoeksagenda richt zich hoofdzakelijk op partijen campagnefinanciering, politieke carrièrepatronen, de profielen van verkiezingskandidaten en multilevelsystemen.
Article

Access_open Positieve uitlokking van ethisch hacken

Een onderzoek naar responsible-disclosurebeleid

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2017
Keywords ethical hacking, responsible disclosure, positive incitement, negative incitement, intrinsic desirability
Authors Karel Harms
AbstractAuthor's information

    In this contribution, the Dutch government’s acceptance of ethical hacking, by implementing a policy of responsible disclosure, is considered to be a beneficent development. Ethical hacking contributes to cybersecurity and is intrinsically desirable. The term positive incitement is proposed to describe the relatively new phenomenon of encouraging ethical hacking. Positive incitement will be analysed by making a comparison to the Dutch toleration policy regarding soft drugs, and to incitement by law enforcement. Positive incitement should not change into negative incitement, which would result in a serious breach of the rights of ethical hackers. Furthermore, it is argued that the intrinsic value of ethical hacking can justify searching for vulnerabilities in systems of organisations who do not approve of this in advance.


Karel Harms
Karel Harms studeert aan de Rijksuniversiteit Groningen en volgt de master Rechtswetenschappelijk onderzoek.
Article

Access_open Schade in de virtuele wereld: de casus virtuele grooming

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2017
Keywords Virtuele grooming, Schade, Strafbaarstelling, Uitlokverbod
Authors Jeroen ten Voorde
AbstractAuthor's information

    As part of a package of legislative measures concerning cybercrime, the Dutch State Secretary for Security and Justice proposes to criminalize virtual grooming, that is the grooming of a person of minor age who, for example, does only exist as an online creature. The legislator’s principle argument for criminalization is based on the harm principle. This article examines the possibility of founding the criminalization of virtual grooming on this principle.


Jeroen ten Voorde
Jeroen ten Voorde is bijzonder hoogleraar strafrechtsfilosofie (leerstoel Leo Polak) aan de Rijksuniversiteit Groningen en universitair hoofddocent straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit Leiden.

Niels Spierings
Niels Spierings is als universitair docent sociologie verbonden aan de Radboud Universiteit, Radboud Social Cultural Sciences. Binnen de gender- en politieke sociologie richten zijn onderzoek en publicaties zich op populisme, sociale media, democratisering, sociale houdingen, emancipatie, migratie en islam. Zijn geografische focus omvat Nederland in vergelijkend Europees perspectief en het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Ook publiceert hij over methoden in gender- en intersectioneel onderzoek.

Cathy Berx
Cathy Berx is docent aan de Rechtsfaculteit van de Universiteit Antwerpen voor de vakken recht van gedecentraliseerde besturen (2de Master) en juridische vaardigheden debatklas (1ste Bachelor). Als aspirant bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek behaalde ze een bekroond doctoraat op haar proefschrift over ‘Rechtsbescherming van de Burger tegen de overheid’. Sinds 1 mei 2008 is zij gouverneur van de provincie Antwerpen. Zij is voorzitter van het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) en zetelt in de raden van bestuur van onder meer HETPALEIS, Stichting Conservatorium, Campus Vesta, de Hoge Raad van de Universiteit Antwerpen. Zij schreef boeken, artikelen en bijdragen over diverse onderwerpen. Voordien was Cathy Berx onder meer vicevoorzitter van het OCMW van Antwerpen (2001-2007), lid van het Vlaams Parlement (2004-2008) en van de Gemeenteraad van Antwerpen (2007-2008).
Article

Verticale politieke cumul in de Lage Landen: evolutie en verklaringen

Journal Res Publica, Issue 3 2017
Keywords Cumul des mandats, Multiple office-holding, Members of parliament, Local representatives, Central-local relations
Authors Nicolas Van de Voorde
AbstractAuthor's information

    Studies have shown that multiple office-holding, a practice that denotes the simultaneous exercise of any directly elected municipal mandate and parliamentary seat, is more commonplace in European national parliaments than expected. However, research in Belgium, and especially in the Netherlands, is scarce and extremely fragmented. Therefore, our analysis provides a systematic comparison between the Low Countries with a longitudinal focus. In the first part of the paper, the frequency of the practice is described and its evolution in the last two decades tracked. In the second part, we provide aggregated explanations for the identified discrepancy. Indeed, our results show that after the most recent elections, more than 80% of all Belgian members of parliament held a local mandate, and this percentage increased by 10% during our reference period. In contrast, 9 out of 150 members of the Dutch Second Chamber were combining several offices at the beginning of their national mandate, while the degree of cumulards remained stable. Unexpectedly, the legislative framework and the party regulations are not the source of this deviation, as they are almost identical in both countries. We argue that the difference can be attributed to the role and position of the local government, the political culture and the electoral system.


Nicolas Van de Voorde
Nicolas Van de Voorde is als FWO-aspirant verbonden aan het Centrum voor Lokale Politiek aan de Universiteit Gent. Zijn onderzoek is gericht op het fenomeen cumul des mandats in de Belgische context.
Article

Het geslacht van de kandidaat als heuristisch stemmotief

Een onderzoek naar het effect van politieke sofisticatie en electorale context op gender-based stemgedrag

Journal Res Publica, Issue 2 2017
Authors Sjifra de Leeuw
AbstractAuthor's information

    In this paper, I study gender-based voting behavior in the Belgian proportional electoral system. In particular, I investigate two possible causes for why voters experience the need to simplify their voting decision by using a gender-cue. First, in line with the findings of previous studies, I find that voters with lower levels of political sophistication who are less able to collect and process political information, are consequently more likely to use the sex of a candidate as a shortcut. However, the effect of political sophistication on gender-based voting behavior is limited. Second, based on the literature, I expect that the low information context of the second-order European elections would cause both high and low information voters to become more reliant on gendercues to simplify their voting decision and by extent would cause the effect of political sophistication on gender-based voting to diminish. Against theoretical expectations, I find that the effect of the electoral context is negligible.


Sjifra de Leeuw
Sjifra de Leeuw is masterstudente Politieke Wetenschappen, Statistiek en Sociologie aan de KU Leuven. Vanaf september 2017 is zij doctoraatsstudent politieke communicatie aan de Amsterdam School of Communication Research (Universiteit van Amsterdam).

Thibaut Renson
Thibaut Renson studeerde politieke wetenschappen in Gent, Aix-en-Provence en Londen. Hij is als assistent verbonden aan de vakgroep Politieke Wetenschappen van de UGent. Zijn onderzoeksinteresses liggen in burgerschap en politieke participatie. Hij werkt aan een doctoraat aan het Centrum voor Lokale Politiek, waarin hij het effect van deliberatieve democratie op sociaal leren in kaart brengt. In maart 2017 verschijnt het boek Wie is nog van de partij? Crisis en toekomst van partijleden in Vlaanderen bij Uitgeverij Acco, waarin hij meeschreef aan de hoofdstukken over participatie en democratie.
Showing 1 - 20 of 111 results
« 1 3 4 5 6
You can search full text for articles by entering your search term in the search field. If you click the search button the search results will be shown on a fresh page where the search results can be narrowed down by category or year.