Search result: 75 articles

x

    Deze analyse bespreekt uitvoerig de argumenten van voor- en tegenstanders van het wetsvoorstel ter versoepeling van de Belgische abortuswetgeving (2019-…). Het fel bediscussieerde wetsvoorstel beoogt het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon uit te breiden en abortus te destigmatiseren. Door vrijwillige zwangerschapsafbreking als gezondheidszorg te kwalificeren geven de indieners van het wetsvoorstel tevens de voorkeur aan een gezondheidsrechtelijk traject op maat van de zwangere persoon als patiënt. De inkorting van de wachtperiode-en het schrappen van abortusspecifieke informatieverplichtingen geven in die zin blijk van vertrouwen in de zwangere persoon, in het kwalitatief handelen van de zorgverlener en in de waarborgen die het gezondheidsrecht reeds biedt. De wetgever dient met andere woorden uit te maken (1) welke regels hij in de context van abortus nodig acht, (2) of deze regels reeds worden gewaarborgd door de algemene gezondheidswetten- en deontologie, en (3) of de vooropgestelde regels hun doel bereiken. Een uitbreiding van het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon wordt tevens bewerkstelligd door de termijnuitbreiding van twaalf naar achttien weken voor abortus op verzoek. Een keuze voor een termijn is steeds in zekere mate willekeurig, doch reflecteert een beleidsethische keuze waarbij wordt gezocht naar een evenwicht tussen de bescherming van ongeboren leven en het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere persoon. Praktische bekommernissen vormen hierbij geen fundamenteel bezwaar tegen een termijnuitbreiding maar dienen, in overleg met de betrokken sector, te worden geanticipeerd en maximaal te worden opgevangen door middel van organisatorische (niet-noodzakelijk juridische) initiatieven. Ten slotte beogen de indieners van het wetsvoorstel opheffing van alle strafsancties voor vrijwillige zwangerschapsafbreking. Op rechtstheoretisch vlak blijven echter vragen bestaan omtrent de manier waarop dit voorstel een volledige depenalisering doorvoert. Hoewel het tuchtrecht enige rol kan spelen bij gebrek aan strafsancties, creëert de vooropgestelde depenalisering van ongeoorloofde zwangerschapsafbreking door een arts een rechtsonzekere situatie.
    ---
    This analysis extensively discusses the arguments of supporters and opponents of the legislative proposal to relax the Belgian abortion legislation (2019-…). The heavily debated proposal primarily aims to expand the pregnant person’s right to self-determination and to destigmatise abortion. By qualifying consensual termination of pregnancy as health care, the supporters of the proposal also prioritise an individualised, health-oriented approach towards the pregnant person as patient. In the same vein, the diminished waiting period and the removal of abortion-specific information duties express trust in the pregnant person, in the qualitative conduct of the health care provider, and in the guarantees that the health law already provides. In other words, the legislator must determine 1) which regulations it deems necessary in the context of abortion, 2) whether these regulations are already guaranteed by general health laws and ethics, and 3) whether the proposed regulations achieve their intended purpose. An expansion of the pregnant person’s right to self-determination is also achieved by the extension from twelve to eighteen weeks as a limit for abortion on request. Although a time limit is always arbitrary to some extent, it mainly reflects a policy-ethical decision in which a balance is sought between the protection of unborn life and the pregnant person’s right to self-determination. Practical concerns do not establish a fundamental objection to the extension of such limit, but must, in consultation with the medical profession, be anticipated and dealt with as much as possible by means of organisational (not necessarily legal) initiatives. Finally, the proposal lifts all criminal sanctions currently applicable to consensual termination of pregnancy. On a legal-theoretical level, however, questions remain about the way in which the proposal implements full depenalisation. Although disciplinary law can play some role in the absence of criminal sanctions, the depenalisation of unlawful termination of pregnancy by a health care professional produces legal uncertainty.


F. De Meyer
Fien De Meyer doet doctoraatsonderzoek naar regelgeving inzake abortus aan de Universiteit van Antwerpen.

C. De Mulder
Charlotte De Mulder doet doctoraatsonderzoek naar het statuut van ongeboren leven aan de Universiteit van Antwerpen.
Article

Access_open Moet de strafrechter ook de scheidsrechter zijn van het publieke debat?

De scheiding der machten in het licht van de vrijheid van meningsuiting voor volksvertegenwoordigers

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2020
Keywords Freedom of speech, Separation of powers, Criminal law, Hate speech, Legal certainty
Authors Jip Stam
AbstractAuthor's information

    This article contains a critical review of the provisions in the Dutch penal code regarding group defamation and hate speech. It is argued that not only these provisions themselves but also their application by the Dutch supreme court, constitutes a problem for the legitimacy and functioning of representative democracy. This is due to the tendency of the supreme court to employ special constraints for offensive, hateful or discriminatory speech by politicians. Because such a special constraint is not provided or even implied by the legislator, the jurisprudence of the supreme court is likely to end up in judicial overreach and therefore constitutes a potential – if not actual – breach in the separation of powers. In order to forestall these consequences, the protection of particularly political speech should be improved, primarily by a revision of the articles 137c and 137d of the Dutch penal code or the extension of parliamentary immunity.


Jip Stam
Jip Stam is onderzoeker en docent bij de afdeling Encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Leidse rechtenfaculteit.
Article

Access_open Nationale constitutie versus internationale jurisdictie?

De rol van de rechter vanuit internationaalrechtelijk perspectief

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2020
Authors Anneloes Kuiper-Slendebroek
AbstractAuthor's information

    Voor het evenwicht tussen de staatsmachten, maar ook voor de ontwikkeling van internationaal recht, is de wijze waarop de nationale rechter zijn rol vervult van belang: gedraagt hij zich als rechtsvormer of als een rechtshandhaver? Zowel de legitimatie en vorming van het internationale recht als de handhaving van de internationale verplichtingen van de Staat op nationaal niveau zijn hiervan afhankelijk. Deze belangen worden bezien vanuit internationaal perspectief en uiteengezet aan de hand van recente jurisprudentie.


Anneloes Kuiper-Slendebroek
Anneloes Kuiper-Slendebroek is universitair docent privaatrecht aan de Universiteit Utrecht.
Book Review

Access_open Marc Hertogh, Nobody’s Law, Legal Consciousness and Legal Alienation in Everyday Life

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2020
Keywords Vervreemding, Naleving van wetten, Legitimiteit, Rule of Law
Authors Irawan Sewandono
Author's information

Irawan Sewandono
Irawan Sewandono is universitair docent staats- en bestuursrecht aan de Open Universiteit.
Article

Access_open De blinde vlek in praktijk en discussie rond orgaandonatie

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2020
Keywords organ donation, ethics of organ donation, symbolic nature of the human body, ethics and ritual, symbolic legislation theory
Authors Herman De Dijn
AbstractAuthor's information

    In countries like Belgium and The Netherlands, there seems to be overwhelming public acceptance of transplantation and organ donation. Yet, paradoxically, part of the public refuses post-mortal donation of their own organs or of those of family members. It is customary within the transplantation context to accept the refusal of organ donation by family members “in order to accommodate their feelings”. I argue that this attitude does not take seriously what is really behind the refusal of donation by (at least some) family members. My hypothesis is that even in very secularized societies, this refusal is determined by cultural-symbolic attitudes vis-à-vis the (dead) human body (and some of its parts). The blind spot for this reality, both in the practice of and discussions around organ donation, prevents understanding of what is producing the paradox mentioned.


Herman De Dijn
Herman De Dijn is emeritus hoogleraar wijsbegeerte aan de KU Leuven.
Article

Access_open Recht en politiek in de klimaatzaken

Een sleutelrol voor het internationaal recht in de argumentatie van de nationale rechter

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 1 2020
Authors Vincent Dupont
AbstractAuthor's information

    Ever since it was published in 2015, the judgment of the The Hague court in the so-called Urgenda-case, and the subsequent decisions of the appellate and cassation courts confirming it, have been met with repeated and vivid critiques. By recognizing the necessity of the reduction in greenhouse gas emissions, and furthermore imposing a certain reduction level on the Dutch state, the judgments in the cases at hand gave rise to many questions concerning the position of the judiciary in the matter, and in Dutch society as a whole. This article attempts in the first place to situate the positions of the different actors intervening in the Urgenda-case within a legal-theoretical framework. The contribution subsequently explores the strategic possibilities that an alternative understanding of law could offer to the judges, focusing specifically on the use of legal instruments stemming from international law, brought into the reasoning of the national judge.


Vincent Dupont
Vincent Dupont studeerde in 2017 af als Master of Laws aan de KU Leuven en volgt momenteel een opleiding sociologie aan de Université libre de Bruxelles, Unicamp in São Paulo en de École des hautes études en sciences sociales in Parijs.

    This article is part of a broader discussion about attaining a full-fledged child-friendly (criminal) justice. Attaining that goal is particularly challenging in cases of international parental abduction, due to the involvement of two branches of law. It is examined to what extent the current interaction guarantees a decision in the best interests of the child. More specifically, the implications of the adage le criminel tient le civil en état are scrutinised from a children’s rights perspective.
    The central research question reads: “to what extent can the adage le criminal tient le civil and état be upheld when further elaborating the best interests of the child in criminal law, more specifically in the interaction between civil and criminal law?” The research wants to contribute to the debate of the difficult triangular relationship between civil law, criminal law and children's rights law.
    In cases of child abduction, the link and interaction between the two procedures goes beyond the traditionally accepted scope of civil damages arising from a criminal offense. Nevertheless, both procedures following a parental abduction are based on the same facts and are inextricably linked, which means that they have to be assessed together, which means that they should be judged together. The question arises as to how the two parallel procedures can be coordinated better, now that it is clear that they may significantly influence each other.
    A full-fledged application of the adage means that a decision concerning the return of the child can only be handed down from the moment when the criminal proceeding (concerning the prosecution of the parent) is completed. It is immediately clear that this cannot be in the best interests of the child.
    It is argued that the adage must be abandoned or reversed to guarantee article 3 CRC. This statement is substantiated with arguments of both practical (referring to the time course) and fundamental (importance of the child best interets as a first consideration) nature. Thereby counterarguments are anticipated.
    ---
    Dit artikel kadert binnen de bredere discussie inzake het streven naar een kindvriendelijk (straf)rechtssysteem. In zaken van internationale parentale ontvoering, waarbij twee rechtstakken betrokken zijn, is dit bijzonder uitdagend. Er wordt onderzocht in welke mate de huidige interactie tussen beide rechtstakken het belang van het kind waarborgt. Concreet wordt het adagium le criminel tient le civil en état vanuit een kinderrechten-perspectief aan een kritische blik onderworpen.
    De centrale onderzoeksvraag luidt: “in welke mate is het adagium le criminel tient le civil and état houdbaar in de verdere uitwerking van het belang van het kind in het strafrecht, meer bepaald in de wisselwerking tussen burgerlijk en strafrecht?” Het artikel wil aan het belang van het kind een duidelijkere positie geven in de moeilijke driehoeksverhouding tussen burgerlijk recht, strafrecht en kinderrechten.
    In zaken van kinderontvoering gaat het de toepassing van het adagium verder dan de traditioneel aanvaarde reikwijdte van civielrechtelijke schadevergoedingen die voortvloeien uit een strafbaar feit. Niettemin zijn beide procedures, volgend op een parentale ontvoering, gebaseerd op dezelfde feiten en onlosmakelijk verbonden met elkaar, wat betekent dat ze samen moeten worden beoordeeld. De vraag rijst hoe de twee parallelle procedures beter gecoördineerd kunnen worden, nu duidelijk is dat ze elkaar op een significante manier kunnen beïnvloeden.
    Onverkorte toepassing van het adagium betekent dat de burgerlijke beslissing betreffende de terugkeer van het kind pas kan plaatsvinden vanaf het moment dat de strafrechtelijke procedure (betreffende de vervolging van de ouder) is voltooid. Het is meteen duidelijk dat dit niet in het belang van het kind kan zijn.
    Er wordt geargumenteerd dat het adagium moet worden verlaten dan wel omgedraaid om artikel 3 IVRK te garanderen. Argumenten van zowel praktische (verwijzend naar de tijdsverloop) als fundamentele (belang van het kind als eerste overweging) aard onderbouwen dit standpunt. Daarbij wordt geanticipeerd op tegenargumenten.


Elise Blondeel MSc
Doctoraal onderzoekster Strafrecht & Rechten van het Kind (BOF-mandaat). Onderzoeksdomein: Internationale Parentale Ontvoering. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

prof. dr. Wendy De Bondt
Professor Strafrecht/Rechten van het Kind/Jeugdrecht aan Universiteit Gent. Onderzoeksdomein: (Europees) strafrecht(elijk beleid) & Rechten van het Kind. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

Annemieke Wolthuis
Annemieke Wolthuis (PhD) is an independent researcher, trainer and mediator in the field of human rights, children’s rights and restorative justice.

Jacques Claessen
Jacques Claessen (PhD) is an Associate Professor of Criminal Law and Criminal Procedure at the Department of Criminal Law and Criminology of the Faculty of Law at Maastricht University.

Gert Jan Slump
Gert Jan Slump (MA) is an independent criminologist, restorative justice consultant and social entrepreneur.

Anneke van Hoek
Anneke van Hoek (MA) is an independent criminologist.

Bart van Leeuwen
Bart van Leeuwen is universitair docent politieke theorie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij verricht onderzoek naar thema’s die samenhangen met verstedelijking, waaronder intercultureel stadsburgerschap, segregatie en dakloosheid.

Michael Merry
Michael Merry is hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Amsterdam, gespecialiseerd in ethiek en onderwijs.
Article

Access_open Schade in de virtuele wereld: de casus virtuele grooming

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2017
Keywords Virtuele grooming, Schade, Strafbaarstelling, Uitlokverbod
Authors Jeroen ten Voorde
AbstractAuthor's information

    As part of a package of legislative measures concerning cybercrime, the Dutch State Secretary for Security and Justice proposes to criminalize virtual grooming, that is the grooming of a person of minor age who, for example, does only exist as an online creature. The legislator’s principle argument for criminalization is based on the harm principle. This article examines the possibility of founding the criminalization of virtual grooming on this principle.


Jeroen ten Voorde
Jeroen ten Voorde is bijzonder hoogleraar strafrechtsfilosofie (leerstoel Leo Polak) aan de Rijksuniversiteit Groningen en universitair hoofddocent straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit Leiden.
Article

Access_open Over verplichte excuses en spreekrecht

Wat is er mis met empirisch-juridisch onderzoek naar slachtoffers?

Journal Netherlands Journal of Legal Philosophy, Issue 2 2017
Keywords empirical legal studies, apologies, procedural justice, humiliation, victim rights
Authors Vincent Geeraets and Wouter Veraart
AbstractAuthor's information

    The central question in this article is whether an empirical-legal approach of victimhood and victim rights could offer a sufficient basis for proposals of legal reform of the legal system. In this article, we choose a normative-critical approach and raise some objections to the way in which part of such research is currently taking place in the Netherlands, on the basis of two examples of research in this field, one dealing with compelled apologies as a possible remedy within civil procedural law and the other with the victim’s right to be heard within the criminal legal procedure. In both cases, we argue, the strong focus on the measurable needs of victims can lead to a relatively instrumental view of the legal system. The legal system must then increasingly be tailored to the wishes and needs of victims. Within this legal-empirical, victim-oriented approach, there is little regard for the general normative principles of our present legal system, in which an equal and respectful treatment of each human being as a free and responsible legal subject is a central value. We argue that results of empirical-legal research should not too easily or too quickly be translated into proposals for legal reform, but first become part of a hermeneutical discussion about norms and legal principles, specific to the normative quality of legal science itself.


Vincent Geeraets
Vincent Geeraets is universitair docent aan de afdeling Rechtstheorie en rechtsgeschiedenis van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Wouter Veraart
Wouter Veraart is hoogleraar rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

    De studie beoogt aan de hand van 87 dossiers van gezag- en omgangsonderzoeken door de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) meer inzicht te krijgen in situaties waarin de ene ouder de andere ouder in het kader van een (echt)scheiding beschuldigt van seksueel misbruik van kinderen. De dossiers zijn gekoppeld aan bijbehorende civielrechtelijke beschikkingen en het Justitiële Documentatiesysteem. Hierdoor is de problematiek van verschillende kanten belicht. Uit het onderzoek blijkt dat het over het algemeen complexe zaken zijn, waarin naast de BSKM nog meer problemen zijn binnen de gezinnen. De aard van het vermeende seksueel misbruik is ernstig, en de kinderen gemiddeld jong. Regelmatig is de beschuldiging geuit bij politie en hulpverlening vóór de rechtszaak en het raadsonderzoek. De rechtszaken betreffen over het algemeen procedures omtrent gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken en omgang. Vrijwel nooit is vast te stellen of het seksueel kindermisbruik heeft plaatsgevonden. Slechts drie ouders zijn veroordeeld voor het misbruik. Eén vader is vrijgesproken, twee vaders zijn niet nader vervolgd omdat zij ten onrechte als verdachte waren aangemerkt. Civiele rechters die beslissingen moeten nemen over de kinderen staan voor een dubbel dilemma: het al dan niet serieus nemen van de beschuldiging kan schadelijke gevolgen hebben voor kinderen, en daarnaast kan, vanwege de onzekerheid over de gegrondheid, een beslissing tot nader onderzoek ook schadelijk zijn omdat dit het proces verlengt. De RvdK adviseert de rechtbank regelmatig om definitieve beslissingen omtrent de kinderen aan te houden, in afwachting van bijvoorbeeld hulpverlening of een ondertoezichtstelling. Het is echter doorgaans niet de waarschijnlijkheid van het SKM, maar de gevolgen van de beschuldiging zelf waar de RvdK zijn zorgen regelmatig over uit. Hierdoor lijkt het dat de beschuldiging, en niet het potentiële misbruik, een katalysator is voor onwenselijke gevolgen voor de kinderen.
    ---
    This study aims to provide insight into allegations of child sexual abuse in the context of divorce and related proceedings by reviewing 87 files concerning investigations by the Dutch child protective service (CPS). These files are linked to the court rulings about the families in question, as well as the criminal record database. This makes it possible to look at this problem from various angles. The study shows that the cases are generally complex, in which aside from the allegations of sexual abuse, other issues existed within the families. The nature of the alleged abuses were serious, and the children were relatively young. Often an allegation was made to the police and social work organizations before the civil proceeding and investigation by the CPS. The proceedings generally concerned matters relating to the custody of and access to the children. It was very rarely possible to determine whether the child sexual abuse had actually taken place. Only three fathers were convicted of the abuses concerned. One father was acquitted and two fathers were wrongfully identified as suspects. Civil judges who have to make decisions about the children are faced with a double dilemma: firstly, the decision of whether or not to take the allegation seriously can have damaging consequences for the children involved. Secondly, the choice to proceed with further investigation and aid within the family, due to uncertainty as to the veracity of the allegation(s) in question, can lead to a prolonged process that damages the child. The study shows that the CPS often advises the court to postpone definitive decisions about the children so that social work organizations can provide more information on the matter at hand. However, the study also shows that it is generally not the potential abuse, but the allegation itself that the CPS expresses concern about.


Anne Smit MSc.
Anne Smit is a PhD Candidate at the VU University Amsterdam. She is currently writing her PhD dissertation on the topic: ‘Allegations of Sexual Abuse of Children in Divorce Procedures: Towards Evidence-Based Guidelines’.

Masha Antokolskaia
Masha Antokolskaia is a professor of family law at the VU University Amsterdam. She is head of the Amsterdam Centre of Family Law (ACFL), as well as a member of the Commission on European Family Law (CEFL) and of the Executive Council of the International Society of Family Law. Her main fields of interest are comparative family law, European family law, empirical family law studies and history of family law.

Catrien Bijleveld
Catrien Bijleveld is the director of the Netherlands Institute for the Study of Crime and Law Enforcement (NSCR). Prior to this she worked as a senior researcher at NSCR. Her research activities focus on research into criminal careers and (experimental) research into the effectiveness of interventions, juvenile sex offenders, historical trends and the intergenerational transmission of delinquent behaviour. Catrien Bijleveld is also a member of the Royal Dutch Academy of Sciences (KNAW).

    Ongeveer 20% van de echtscheidingen loopt uit op een zogenaamde conflict- of vechtscheiding. Om deze complexe echtscheidingszaken effectief aan te pakken, dienen professionals in het veld te beschikken over wetenschappelijk onderbouwde kennis over werkzame interventies. Mediation wordt vaak beschouwd als dé oplossing voor conflictscheidingen. Wetenschappelijk onderzoek laat echter een beperkte effectiviteit zien van mediation bij conflictscheidingen. Dit heeft onder andere te maken met de hoge prevalentie (rond 40%) van huiselijk geweld in conflictscheidingsgezinnen.
    In dit onderzoek is de visie van Nederlandse professionals over conflictscheidingen onderzocht en vergeleken met de kennis uit de wetenschappelijke literatuur. Met behulp van een online vragenlijst testten we het kennisniveau van 863 professionals die werken met conflictscheidingsgezinnen. Dit waren advocaten, professionals uit de jeugdzorg/-bescherming, mediators en professionals uit de GGZ.
    Professionals behaalden een gemiddelde score van 6,5 correcte antwoorden op een totaal van 11, waarbij juridische professionals significant beter scoorden dan sociale professionals. Slechts 17% van de professionals wist dat in bijna de helft van de conflictscheidingen huiselijk geweld een rol speelt. 55% van de professionals adviseerde in een geval van een al 7 jaar durende conflictscheiding mediation als effectieve interventie. 46% van de respondenten overschatte de prevalentie van valse beschuldigingen van huiselijk geweld en kindermishandeling bij conflictscheidingen.
    In opleidingen voor Nederlandse juridische en sociale professionals die werken met conflictscheidingsgezinnen dient meer aandacht besteed te worden aan wetenschappelijke kennis, zodat professionals handelen op basis van kennis in plaats van persoonlijke opvattingen en mythen.
    ---
    High conflict divorces are among the 20% of divorce cases that continue to escalate over time. In order to help solve these complex divorce cases, it is important that professionals in the field possess evidence-based knowledge to provide effective interventions. One of these possible interventions is mediation, which is often seen as a panacea for high-conflict divorce (HCD) cases. However, scientific research has shown limited effectiveness of mediation in HCD cases. This is partially associated with the high prevalence (around 40%) of domestic violence in HCD.
    The present study examined professionals’ perspectives on high conflict-divorce cases and compared their views with the available scientific evidence. By means of a web-survey, we tested the knowledge of different professional groups (N = 863) who work with HCD families. The sample consisted of lawyers, child welfare/child protection professionals, mediators and mental health professionals.
    The results showed that professionals on average gave 6.5 correct responses out of 11 questions in total and that legal professionals scored significantly better than social professionals. Only 17% of the professionals were aware that in almost half of all high-conflict divorce cases domestic violence is a problem. For a high-conflict divorce case spanning 7 years, mediation was advised as an effective intervention by 55% of professionals. 46% of respondents overestimated the prevalence of false allegations of child abuse in HCD cases.
    More attention to scientific knowledge on HCD in the educational curricula for Dutch legal and social professionals is needed, in order to assure that their professional activities and decision making are based on scientific evidence instead of personal biases and myths.


Prof. dr. Corine de Ruiter
Prof. dr. Corine de Ruiter is a licensed clinical psychologist (BIG) in The Netherlands. She serves as professor of Forensic Psychology at Maastricht University. She also has a private practice. Her research focuses on the interface between psychopathology and crime. She has a special interest in the prevention of child abuse and intimate partner violence because they are both very common and often overlooked in practice.

Brigitte van Pol Msc
Brigitte van Pol studied Psychology and Law at Maastricht University. Her involvement in this research dates from her Master’s thesis on the role of mediation in high conflict divorce. The authors would like to thank the participants for their time and effort in completing our websurvey.

Thibaut Renson
Thibaut Renson studeerde politieke wetenschappen in Gent, Aix-en-Provence en Londen. Hij is als assistent verbonden aan de vakgroep Politieke Wetenschappen van de UGent. Zijn onderzoeksinteresses liggen in burgerschap en politieke participatie. Hij werkt aan een doctoraat aan het Centrum voor Lokale Politiek, waarin hij het effect van deliberatieve democratie op sociaal leren in kaart brengt. In maart 2017 verschijnt het boek Wie is nog van de partij? Crisis en toekomst van partijleden in Vlaanderen bij Uitgeverij Acco, waarin hij meeschreef aan de hoofdstukken over participatie en democratie.
Article

Links-libertarisme als aantrekkelijke theorie van sociale rechtvaardigheid

Journal Res Publica, Issue 2 2016
Keywords left-libertarianism, justice, self-ownership, Lockean proviso, liberty, equality
Authors Kasper Ossenblok
AbstractAuthor's information

    Left-libertarianism is a marginal theory in the debate on social justice. In this article, I argue that this peripheral status is a mistake. The two basic principles of left-libertarianism, the full self-ownership principle and an egalitarian interpretation of the worldownership principle, are sufficiently attractive and sound for the theory to be taken seriously. I introduce the two principles, explain their attractiveness and argue for their plausibility by contrasting them to the right-libertarian theory of Robert Nozick and the liberal egalitarian theory of John Rawls. I conclude that left-libertarianism has some considerable advantages over both those theories.


Kasper Ossenblok
Kasper Ossenblok is als doctoraatstudent en onderwijsassistent verbonden aan de vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent. Zijn onderzoeksinteresse gaat uit naar normatieve politieke theorie en in het bijzonder naar theorieën van rechtvaardigheid en gelijkheid.

    Op donderdag 12 en vrijdag 13 november 2015 vond het eerste internationale besloten expertenseminarie van RETHINKIN. plaats te Gent en Kortrijk. Dit seminarie is het initiatief van de Wetenschappelijke Onderzoeks Groep (WOG) RETHINKIN. (Rethinking legal kinship studies in the Low Countries). Deze WOG is het resultaat van de samenwerking tussen enerzijds de Vlaamse Vereniging voor Familie & Recht (V.Fam.) en anderzijds de Nederlandse Alliantie Familie & Recht. Het doel van RETHINKIN. is het herdefiniëren van het familierecht in de Lage Landen (www.rethinkin.eu).
    Op het seminarie debatteerden internationale experten gedurende twee dagen over twee thema’s: de vergoeding van huishoudelijke inspanningen in relaties enerzijds en de zorg voor ouderen anderzijds. Deze topics werden op de eerste dag geanalyseerd vanuit economisch standpunt. Hierna wordt enkel ingegaan op de tweede dag van het seminarie, waarop beide thema’s in juridisch en historisch perspectief werden geplaatst.
    On Thursday 12 and Friday 13 November 2015, the first international closed expert seminar of RETHINKIN. took place in Ghent and Kortrijk. This seminar was an initiative of the Scientific Research Group (WOG) RETHINKIN. (Rethinking legal kinship studies in the Low Countries). This WOG is the result of a cooperation between the Flemish Association of Family & Law (V.Fam.) and the Dutch Alliance Family & Law. RETHINKIN. steers the scientific redefinition of family law in the Low Countries and aims at taking a leading international role in this scientific discussion (www.rethinkin.eu).
    At this seminar, international experts discussed two themes: the remuneration of household production and informal elderly care. On the fhe first day these themes were analysed from an economic point of view. On the second day of the expert seminar, both of the themes were studied from a legal and a historical perspective. In this report, only the second day of the seminar will be discussed.


Katrien De Vos Ph.D.
Katrien De Vos is promovenda aan de faculteit Rechtsgeleerdheid van de Katholieke Universiteit Leuven.

    Dit artikel ontleedt het vaderschap, zowel op Belgisch als Europees niveau. Wie juridisch als vader wordt aangeduid, is niet altijd biologisch of sociaal vader voor een kind. Hoe dient de afweging van rechten en plichten voor deze verschillende vaders dan te gebeuren?
    Deel één bespreekt de vaderlijke afstamming naar Belgisch recht aan de hand van recente rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. In vier centrale thema’s wordt het standpunt van het Hof geplaatst tegenover dat van de wetgever en het EHRM. Aan bod komen: bezit van staat, vervaltermijnen, het belang van het kind en verboden afstamming. De doelstelling lijkt het bewerkstelligen van een grotere individualisering van het afstammingsrecht. Dit leidt tot een patstelling voor de wetgever, die zal moeten bepalen hoe het afstammingsrecht naar de toekomst toe wordt geconstrueerd. Verdedigd wordt dat een belangenafweging zich voornamelijk dient te situeren bij de betwistingsprocedure, daar waar bij gebrek aan een reeds gevestigd juridisch vaderschap de biologische band mag primeren.
    Vervolgens wordt het vaderschap naast het moederschap geplaatst. Waar voor moeders een zekere vanzelfsprekendheid geldt, is dit allesbehalve zo voor vaders. Bovendien heeft de moeder een bepaalde zeggenschap over wie de vader van het kind wordt.
    Na een toelichting van het begrip ouderlijk gezag wordt de kneedbaarheid ervan aangegrepen om nieuwe voorstellen te formuleren. Ingrepen op het ouderlijk gezag, waaronder de ontzetting, kunnen ervoor zorgen dat een sociaal onwenselijke biologische afstammingsband alsnog kan worden gevestigd. Wanneer meerdere vaderfiguren zich aandienen, kan een uitbreiding van (bepaalde) gezagsrechten naar andere personen soelaas bieden.
    Tot slot verkennen we de verdeling van verschillende vaderfuncties over meerdere personen, zoals die reeds bestaat voor het omgangsrecht en de alimentatieverplichting. De lege ferenda wordt gepleit voor een “attest van verwekkerschap”, een verklaring naar recht van het biologisch verwekkerschap, waaraan bepaalde rechtsgevolgen worden gekoppeld.
    This article analyses fatherhood from a Belgian and European context. The legal father is not necessarily the biological or social father. How should we balance the rights and obligations of these different kinds of fatherhood?
    Part one reviews paternity in Belgian law through recent jurisprudence of the Supreme Court. In four central themes the Supreme Court’s position is weighed against that of the legislator and the ECHR. The four central themes are discussed in the following order: “possession of state”, statutes of limitations, the best interests of the child, and illegal filiation. The aim of the Supreme Court seems to be a case by case appreciation of filiation. It is then up to the legislator to decide how legal parentage is to be construed in the future. A balancing of interests should be the primary - and maybe even exclusive - consideration when the paternity is disputed. Where legal paternity has yet to be established, biological ties should be decisive.
    Next, legal paternity will be compared to legal maternity. Whereas establishing legal parentage seems to be quite evident in the case of mothers, this is not so straightforward for fathers. Moreover the mother has a say in who is to be the legal father.
    After a clarification ofthe concept ‘parental authority’, its flexible nature is taken as a starting point to suggest new solutions. Intervening in parental authority allows us to establish the socially undesirable biological paternity.In the case of multiple father figures, an expansion of specific authority rights to others may offer an alternative solution.
    Lastly, we explore the possibility of sharing paternal rights and obligations among multiple candidates, as is the case for visitation rights and child support obligations. We argue in favour of a “certificate of procreation” - a declaration of biological relationship that generates specific legal consequences.


Eline Smeuninx MA
Eline Smeuninx graduated from the law faculty of the University of Antwerp in 2014. She now specialises in medical law. As of September 2015 she will work as an associate in a law firm in Antwerp.
Article

Access_open From Individuals to Organizations: The Puzzle of Organizational Liability in Tort Law

Journal The Dovenschmidt Quarterly, Issue 2 2015
Keywords organizational liability, tort law, organizational design, organizational wrongdoing, law and economics
Authors Klaus Heine and Kateryna Grabovets
AbstractAuthor's information

    Organizational accidents have two generic sources: individual wrongdoings and organizational failures. Economic analysis of tort law is methodologically based on the “fiction” (Gordon 2013) of a rational individual, from which “simple rules for a complex world” (Epstein 1995) are derived. As a result, organizational wrongdoing boils down to a simple principal-agent problem, neglecting the complexity of organizational reality. We shed more light on organizational factors as a separate trigger of organizational wrongdoing. We take an interdisciplinary perspective on the problem, which challenges traditional economic analysis of tort law with insights drawn from organizational science. Moreover, we demonstrate how tort law and economic analysis can be enriched with these insights.


Klaus Heine
Prof. Dr. Klaus Heine (Corresponding author), Jean Monnet Chair of Economic Analysis of European Law, Erasmus School of Law – RILE, Erasmus University Rotterdam, Burgemeester Oudlaan 50, Room J6-59, Postbus 1738, NL-3000 DR Rotterdam, The Netherlands. Tel: 0031 (0)10 4082691; Fax: 0031 (0)10 4089191.

Kateryna Grabovets
Dr. Kateryna Grabovets, Rotterdam Business School (RBS), Rotterdam University of​Applied‍ Sci‍ences,‍ Kralingse Zoom 91, Room C3.121, 3063 ND Rotterdam; P.O. Box 25035, 3001 HA Rotterdam, The Netherlands.​Tel:‍ 0031‍ (0)10‍ 7946243. k.a.grabovets@hr.nl
Article

Access_open Religie en cultuur in familierechtelijke beslissingen over kinderen

Journal Family & Law, September 2015
Authors Mr. dr. Merel Jonker, Rozemarijn van Spaendonck and Mr. dr. Jet Tigchelaar
AbstractAuthor's information

    In deze bijdrage worden de resultaten gepresenteerd van een uitgebreid jurisprudentieonderzoek naar de wijze waarop religie en cultuur betrokken worden in de overwegingen van de rechter in familierechtelijke beslissingen over kinderen in Nederland. Naast een kwantitatief overzicht van de gepubliceerde jurisprudentie worden de uitspraken inhoudelijk ontsloten en geanalyseerd aan de hand van thema's zoals bloedtransfusies, cultuurverschillen en identiteitsontwikkeling, rituelen (besnijdenis en doop) en schoolkeuze. Bij de analyse wordt onderscheid gemaakt tussen de rechten van het kind en de rechten van ouders, en wordt ingegaan op de vraag welke criteria de rechter hanteert voor de afweging van de rechten van het kind en diens ouders. Ook wordt besproken in hoeverre internationale normen herkenbaar zijn in de overwegingen van de rechter. Uit de 79 rechtszaken waarin de rechter overwegingen wijdt aan religie en cultuur, blijkt dat deze aspecten zowel positieve als negatieve effecten kunnen hebben op het belang van het kind en met name op de identiteitsontwikkeling van het kind. De rechter hanteert hierbij criteria zoals: schade voor de gezondheid van het kind, sociale aansluiting met anderen van dezelfde religieuze of culturele achtergrond, en praktische overwegingen.
    This contribution presents the results of an extensive Dutch case law study on the way in which religion and culture play a role in the considerations of judges in family law decisions regarding children. In addition to a quantitative overview of the published case law in the Netherlands, the decisions are analysed on the basis of themes such as blood transfusion, culture differences and identity development, rituals (circumcision and baptism), and choosing a school. In the analysis, a distinction is made between the rights of the child and the rights of parents. Furthermore, the criteria which the judge deploys to balance the rights of the child and the rights of its parents are addressed. Finally, the extent to which international legal standards can be identified in the considerations of the judge is discussed. From the 79 cases in which the judge consider to religion and culture, it appears that these aspects can have both positive and negative effects upon the best interests of the child, and in particular upon the identity development of the child. In these cases, the judge uses criteria such as: harm to the health of the child, social connections with others of the same religious and cultural background, and practical day-to-day considerations.


Mr. dr. Merel Jonker
Merel Jonker is als universitair docent verbonden aan de vakgroep Privaatrecht van de Universiteit Utrecht en aan het Utrecht Centre for European research into Family Law (UCERF).

Rozemarijn van Spaendonck
Rozemarijn van Spaendonck is Legal Research Master student en is vanaf 1 november 2015 als aio verbonden aan de vakgroep Strafrecht van de Universiteit Utrecht.

Mr. dr. Jet Tigchelaar
Jet Tigchelaar is als universitair docent verbonden aan de vakgroep Staats- en bestuursrecht en rechtstheorie van de Universiteit Utrecht en aan het Utrecht Centre for European research into Family Law (UCERF).

    Zowel in België als in Nederland komt draagmoederschap voor. Deze bijdrage heeft tot doel om de houding van de twee buurlanden ten aanzien van dit controversiële fenomeen te onderzoeken en te vergelijken.
    De wensouders en draagmoeders ervaren meerdere juridische obstakels. Zo blijkt in beide landen de draagmoederschapsovereenkomst niet geldig en evenmin afdwingbaar te zijn. Hoewel in Nederland de mogelijkheid bestaat om het ouderlijk gezag over te dragen van draagmoeder naar wensouders, is het ook daar, net zoals in België, allesbehalve evident om de band tussen kind en wensouders juridisch te verwezenlijken. Noch de oorspronkelijke, noch de adoptieve afstamming is aan het fenomeen aangepast. Vooral voor Nederland is dit vreemd aangezien de Nederlandse wetgeving uitdrukkelijk bepaalt onder welke voorwaarden medisch begeleid draagmoederschap toegelaten is. De wet schept met andere woorden een gezondheidsrechtelijk kader, maar regelt niet de gevolgen van het draagmoederschap. In België is er daarentegen geen enkele wetgeving betreffende draagmoederschap. Dit betekent dat de onaangepaste wetgeving betreffende medisch begeleide voortplanting van toepassing is op draagmoederschap. Over deze toepassing en de gevolgen ervan bestaat evenwel onduidelijkheid. Commercialisering van draagmoederschap leidt ook tot problemen. In Nederland is professionele bemiddeling en het openbaar maken van vraag en aanbod met betrekking tot draagmoederschap strafbaar gesteld. Daarnaast kunnen de omstandigheden van een zaak waarin het kind als het ware verkocht wordt aan de wensouders zowel in België als in Nederland leiden tot andere misdrijven. Gelet op dit alles begeven sommige wensouders zich naar het buitenland om daar beroep te doen op draagmoederschap. Wensen zij terug te keren met het kind naar het land van herkomst, dan leidt dit in beide buurlanden tot internationaalprivaatrechtelijke problemen.
    Door het gebrek aan een algemeen wettelijk kader, is het draagmoederschapsproces in beide landen vaak een calvarietocht. Dit leidt tot rechtsonzekerheid. Oproepen tot een wettelijk ingrijpen bleven tot nu toe echter onbeantwoord.
    Surrogacy is practiced in Belgium and the Netherlands. The aim of this contribution is to compare the many legal aspects of the phenomenon. In both countries legal problems surround surrogacy: the surrogacy contract is unenforceable; it is difficult for the intended parents to become the legal parents; commercial surrogacy can result in criminal sanctions and cross-border surrogacy leads to limping legal relations. The main differences between the two legal systems are that in Belgium there is no regulation at all, while in the Netherlands, professional mediation and advertising in surrogacy are explicitly forbidden and Dutch law provides a limited health law regulation. In both countries scholars have pressed the need for legal change.


Dr. Liesbet Pluym Ph.D.
Showing 1 - 20 of 75 results
« 1 3 4
You can search full text for articles by entering your search term in the search field. If you click the search button the search results will be shown on a fresh page where the search results can be narrowed down by category or year.